‘Zie ik eruit als een bank?’

Vrouwen in het Midden-Oosten zijn vaak onderwerp van debat in tijdschriften, kranten en op televisie. Iedereen lijkt er een mening over te hebben – doordacht of niet. De Midden-Oosterse man fungeert in deze discussies hooguit als onderdrukker en dader, nauwelijks als een mens met eigen angsten en problemen. Weinigen realiseren zich dat het ook niet eenvoudig is om een man te zijn in het Midden-Oosten.

‘Ik word behandeld als een bank, maar zie ik eruit als een bank?’ Ik ben uit met een Koeweitse jongeman, die mij enig inzicht probeert te geven in wat er verwacht wordt van een man in mijn favoriete woestijnstaat. ‘Zij [de ex, in dit geval] wilde alleen maar businessclass vliegen, en verwachtte dat ik daar wel voor zou betalen.’ Een paar minuten eerder stond hij er nog op om de rekening te betalen, ondanks mijn aanstalten om voor mijzelf te betalen – zoals elke Nederlandse jongedame zou doen. ‘Als je niet als een bank behandeld wil worden, misschien moet je je dan ook minder als een bank gedragen’, is mijn suggestie.

Het is een vicieuze cirkel: als jij automatisch naar je beurs grijpt zodra de rekening komt, en je staat een jongedame nooit toe om te betalen, dan moet je niet verbaasd opkijken als dit verwende jongedames oplevert die verwachten dat jij voor alles betaalt.

Salaris als zakgeld

De jongeman uit dit voorbeeld is niet de enige die klaagt. Een andere Koeweitse vriend is van mening dat Koeweitse dames niets hebben om ontevreden over te zijn, omdat ze volgens de wet alle rechten in de wereld hebben. Er is inderdaad de letter van de wet, maar er is ook cultuur en traditie. Wanneer bijvoorbeeld een jong koppel in Koeweit trouwt, wordt verwacht dat de man voor het gezin zorgt. De vrouw mag zelf weten of ze gaat werken. En als ze werkt, is haar inkomen een soort zakgeld: ze kan het uitgeven waaraan ze wil, en er wordt niet verwacht dat ze met haar zelf verdiende salaris bijdraagt aan de kosten van de gezamenlijke huishouding.

Zo werkt een man omdat hij voor zijn familie moet zorgen, en een vrouw alleen omdat ze dat wil. In zo’n samenleving bepaalt het salaris van de man of hij een goede match is of niet. Als een man wil trouwen, kan hij maar beter vroeg beginnen met sparen.

Taxichauffeur, automonteur en koerier

Het is niet alleen een kwestie van financiën. Mannen worden gebruikt – en misbruikt – als taxichauffeurs, automonteurs en koeriers. Met een aan zekerheid grenzende vanzelfsprekendheid worden mannen overal naartoe gestuurd om dingen op te halen of af te geven voor moeders, zusters, tantes en nichtjes. Ik ben de tel verloren hoe vaak mannelijke vrienden op stel en sprong plannen moesten wijzigen om dingen te regelen voor vrouwelijke familieleden.

Ik heb meer kapotte auto’s en gestrande zussen gezien dan ik kan tellen op twee handen. Ik heb kleding, eten en pakketjes opgehaald, en ik heb geluisterd naar eindeloze verhalen over mannen die gordijnen moeten ophangen, televisies moeten reparen en een half dozijn zusters het hele land door moeten rijden. Ik moet de eerste man nog tegenkomen die hier nee tegen zegt. Familie gaat voor alles, en zeker voor eigen plezier. Het is niet eenvoudig om de enige man in een Arabisch gezin te zijn, zoveel weet ik inmiddels.

Mannen als tweederangsburgers

Maar een gedeelde verantwoordelijkheid, met vrouwen die bijdragen aan het huishoudinkomen, is tegelijkertijd een doos van Pandora. Aan de ene kant klagen mannen dat alles hun verantwoordelijkheid is en dat vrouwen zich dit wel heel gemakkelijk laten aanleunen. Maar aan de andere kant hebben ze kritiek op vrouwen die ‘zich gedragen als mannen’. Een van mijn vrienden, afkomstig uit een liberaler deel van de Golfregio, is een overtuigd tegenstander van feminisme en van ‘vrouwen die meer rechten willen dan mannen’. Andere vrienden uit uiteenlopende hoeken van het Midden-Oosten, hoewel niet altijd even uitgesproken, delen deze mening. En zij zijn niet allemaal aartsconversatief.

Wel hebben ze een duidelijk schrikbeeld voor ogen: een samenleving die gedomineerd wordt door vrouwen, waarin mannen tweederangsburgers zijn. De wereld op z’n kop, zeg maar. Daarbij gaan ze vrij gemakkelijk voorbij aan de hedendaagse wereld waarin elke man een beetje feminist zou moeten zijn – en zeker niet alleen in het Midden-Oosten. Wat deze mannen niet willen is duidelijk. Maar hoe dat te verenigen is met een veranderende realiteit blijft de vraag. Ook in Koeweit is de wereld in beweging. Mannen kunnen niet achterblijven.

Politieke gevangenen in Egypte: samengewerkt met Nederland, nu gemarteld en verkracht

Fast forward naar 12 oktober, alweer in Caïro. Daar wordt Esraa Abdelfattah ’s avonds op straat ontvoerd door de nationale veiligheidsdienst. Haar vergrijp? Ze heeft zich publiekelijk ingezet voor de vrijlating van politieke gevangenen in Egypte. Eerder wordt ze al subtiel gewaarschuwd door de Egyptische autoriteiten: als ze in januari 2015 het vliegtuig wil nemen, wordt haar verboden het land te verlaten. Die travel ban blijft daarna van kracht. Als activist van het eerste uur – zij kreeg internationale erkenning voor haar rol tijdens de Arabische Lente in 2011 – wordt ze natuurlijk in de gaten gehouden en kennelijk is ze te ver gegaan. Net als Ahmed Badawi. Als ze de volgende dag wordt voorgeleid, blijkt dat ze is geslagen, bijna gewurgd, is gedwongen om vele uren achter elkaar te staan en niet heeft mogen zitten of liggen.

Esraa Abdel Fattah ©Youtube channel PolisMultimedia

Niks bijzonders in het Egypte van nu. Honderden, duizenden zijn Ahmed Badawi en Esraa Abdelfattah voorgegaan. Ze zitten allemaal ergens opgesloten, in mensonterende omstandigheden, overgeleverd aan een regime dat elementaire menselijke waardigheid erkent noch zelf bezit. Ze worden genadeloos gestraft voor hun bevlogenheid en de ongelooflijke moed die ze opbrengen om zich sterk te maken voor de toekomst van hun land en medeburgers.

De aantallen waar het inmiddels om gaat, maken ook het geval van Esraa en Ahmed bijna tot statistiek – het doet pijn om dat vast te stellen. Toch is er vanuit Nederland gezien alle reden om die twee jonge mensen voor anoniem creperen te behoeden en zich van hun tragische lot echt iets aan te trekken. Beiden waren werkzaam bij de in Caïro gevestigde organisatie Egyptian Democracy Academy (EDA), die zich ten doel stelde van jonge Egyptenaren democraten te maken, overigens al enige jaren vóór de gebeurtenissen op het Tahrirplein. Toen vanaf dat moment de politieke ontwikkelingen in een stroomversnelling kwamen en het ernaar uitzag dat Egypte inderdaad democratisch zou worden, liepen de internationale donororganisaties en buitenlandse ambassades elkaar zowat voor de voeten om de nieuwe democratische krachten te helpen groeien.

EDA kreeg dan ook veel aandacht uit het buitenland, niet in de laatste plaats omdat Esraa Abdelfattah al in 2008 internationaal bekend was geworden door samen met Ahmed Maher en andere activisten de zogenaamde 6 April-beweging op te richten. Naast met donororganisaties uit bijvoorbeeld Duitsland en Denemarken ging EDA ook een langdurig samenwerkingsverband aan met Nederlandse ngo’s die nauw gelieerd zijn aan het Nederlandse ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Zaken. Met andere woorden: Esraa en Ahmed probeerden bij EDA voor, en in naam van, Nederlandse overheidsinstellingen en met Nederlands belastinggeld bepaalde ideeën te verwezenlijken die deel uitmaken van een westerse of Nederlandse Weltanschauung. Dat werd door diezelfde overheid zeer gewaardeerd, getuige het feit dat beide activisten regelmatig contact hadden met de Nederlandse ambassade op Zamalek, daar ook werden uitgenodigd op feesten en partijen (zoals Koningsdag), en zelfs op de residentie van de ambassadeur enkele malen onder het genot van een maaltijd de actuele ontwikkelingen van Egypte mochten komen bespreken.

De goede tijden werden kwade tijden. De enige democratisch gekozen Egyptische president ooit werd opzij geschoven in een militaire coup en stierf in gevangenschap. De politieke ruimte die was ontstaan ging weer potdicht, en van de hoop en vreugde die in 2011 het land en de mensen hadden opgetild, bleef niets over.

Het zou buitengewoon wrang zijn als onze regering zich niets zou aantrekken van het lot van onze vrienden die met ons en voor ons hebben gewerkt aan een beter Egypte, maar inmiddels rechteloos in een aardedonkere vergeetput zijn gegooid. Het is domweg een kwestie van eer om de Egyptische autoriteiten aan te spreken op de ontoelaatbare wijze waarop zij Ahmed Badawi en Esraa Abdelfattah behandelen – wie weet zijn met een dergelijk optreden ook al die andere politieke gevangenen enigszins geholpen.

Doet de Nederlandse regering niets, dan is dat een ernstige smet op haar diplomatieke blazoen. We wachten met spanning af.

De vergeefse strijd tegen BDS

Het incident is relatief onbetekenend en al van een paar jaar geleden, maar wel illustratief. Maak kennis met Sumayyah Din, een studente van islamitische afkomst aan de Universiteit van Berkeley, Californië. In 2015 stelde zij zich kandidaat voor de studentensenaat, wat ze op Facebook aankondigde. Ze verzon er wat woordspelingen bij met haar achternaam ‘Din’ (‘geloof’). Zoals  #DIN4THEWIN, #DINASTY, #DOIT4THEDIN en #DINTIFADA.

Die laatste kleine vondst zou haar duur komen te staan. De volgende dag werd Sumayyah Din in een andere wereld wakker. ‘Uitermate teleurstellend dat de veelgeroemde vrijheid van meningsuiting op deze universiteit zo destructief wordt gebruikt,’ zo postte het lokale studentenclubje Bears for Israel. ‘Intifada’ betekent opstand, en dat klinkt betrekkelijk onschuldig. Maar niets was minder waar. Voor de joodse gemeenschap, stelde Bears for Israel, roept het woord onmiddellijk traumatische herinneringen op aan Palestijnse zelfmoordaanslagen. En met name in verkiezingstijd hebben joodse studenten op Berkeley het recht zich veilig te voelen.

Je zou dit kunnen afdoen als een misschien wat overdreven hang naar safe space die typerend is voor het Amerikaanse universitaire milieu. Maar het verhaal is nog niet afgelopen. De post van Bears for Israel werd overgenomen door grotere organisaties, waaronder StandWithUs, die het incident op haar Facebookaccount vermeldde, met naam en toenaam en een bloederige foto van een zelfmoordaanslag, inclusief portretten van slachtoffers. De post is daar ruim vier jaar later nog steeds op te vinden, ondanks de honderden verwensingen die Sumayyah Din inmiddels over zich heen heeft gekregen, waaronder oproepen tot deportatie en doodsbedreigingen.

De studente erkende dat ze de Palestijnse zaak was toegedaan. Dit betekende echter niet dat ze zelfmoordaanslagen propageerde.

BDS: drie middelen voor drie eisen

Gelukkig had Sumayyah niet het drieletterige woord laten vallen dat pro-Israëlische activisten tegenwoordig nog woedender maakt: BDS. Ofwel Boycot, Desinvesteringen en Sancties, de in 2005 door Palestijnen opgerichte beweging die met deze drie middelen de volgende drie eisen wil afdwingen: terugtrekking van Israël uit de bezette gebieden, volwaardig burgerschap van Palestijnen in Israël, en erkenning van het recht op terugkeer naar Israël van Palestijnse vluchtelingen.

BDS-demonstratie in Ottawa, Canada (foto: Tony Webster).

Hoe komt het dat een aanvankelijk nauwelijks opgemerkt initiatief tegenwoordig niet alleen in Israël, maar ook in Europa en de Verenigde Staten zulke felle reacties oproept, als betrof het een terreurorganisatie?

Daarvoor gaan we terug in de tijd.

Promotiecampagne én imagoschade

Toen zo’n 170 Palestijnse organisaties in 2005 opriepen tot een boycot, desinvesteringen en sancties tegen Israël kwam er van datzelfde Israël nauwelijks een reactie. De Tweede Intifada was praktisch afgelopen. Het Palestijnse verzet leek gebroken, Israël bouwde een muur – of afscheiding – die de segregatie van Israëliërs en Palestijnen in de bezette gebieden vrijwel voltooide, terwijl de uitbreiding van nederzettingen doorging.

Het Internationaal Gerechtshof in Den Haag verklaarde de afscheiding in 2004 onwettig, maar Israël heeft zich nooit veel aangetrokken van het internationaal recht. Ondertussen werden ongewenste vredesvoorstellen en -plannen van respectievelijk Saoedi-Arabië en van Israëlische en Palestijnse oud-ministers (het ‘initiatief van Genève’) gepareerd met de opzienbarende stap om zowel het leger als kolonisten uit de Gazastrook terug te trekken. Toenmalig premier Sharon presenteerde dit als een vredesgebaar, maar in werkelijkheid was het de bedoeling de Gazastrook van buitenaf af te grendelen en de aanspraken op de Westelijke Jordaanoever te versterken. Dat was althans wat Sharons naaste adviseur Dov Weisglass zich liet ontvallen in een interview met de Israëlische krant Haaretz.

Aldus was het vredesproces bevroren, waren de Palestijnen vakkundig geïsoleerd en leek Israël in rustiger vaarwater te zijn gekomen. Ondertussen moest de promotiecampagne ‘Brand Israel’ het door de Tweede Intafada toch wat geschonden blazoen oppoetsen. Israël werd voorgesteld als een vooruitstrevend, innovatief, technologisch geavanceerd, hip, homovriendelijk en democratisch land, een voorpost van westerse beschaving in het duistere Midden-Oosten.

BDS-demonstratie in Rotterdam (foto: Wouter Engler).

Rustig vaarwater is in het Midden-Oosten echter altijd van korte duur. Israël raakte alweer snel verwikkeld in een gewapend conflict, ditmaal  met de Libanese sji’itische beweging Hezbollah, dat ondanks een groot Israëlisch militair overwicht geen echte winnaar opleverde. De Amerikaanse president George W. Bush kwam rond dezelfde tijd met het onzalige idee om Palestijnse parlementsverkiezingen te organiseren. De oorlog in Irak was hem niet zo goed bekomen, en daar wilde hij iets positiefs tegenover stellen.

Tot ieders ontzetting werden de verkiezingen gewonnen door Hamas, waarmee een nieuwe crisis was geboren.

Hamas greep vervolgens de macht in de Gazastrook nadat het lucht had gekregen van een Israëlisch-Amerikaans plan om de jonge en ambitieuze Fatah-politicus Mohammed Dahlan er een ‘coup’ te laten plegen. Verdere afgrendeling en humanitaire nood in Gaza waren het gevolg, alsmede Hamas-rakettenregens die weliswaar amper slachtoffers eisten en weinig materiële schade aanrichtten, maar Israël in 2009 toch verleidden tot een militaire strafexpeditie die aan zo’n 800 burgers het leven kostte.

De weinig overtuigende veldtocht tegen Hezbollah had Israël de nodige imagoschade bezorgd. Dat werd nog erger door nog eens twee militaire campagnes tegen Gaza en nog eens duizenden Palestijnse doden, zonder politiek resultaat of overgave van Hamas.

Het in ‘Brand Israel’ gestoken geld leek verspild. De aanvankelijk als onbetekenend afgedane BDS-beweging kreeg de wind mee.

BDS als reddingsboei

BDS bood Palestijnen en hun sympathisanten ontsnapping uit de hopeloosheid, het cynisme, de misrekeningen en het haast achteloze bloedvergieten. Daarnaast was ze de enige actor in de regio die zich strikt geweldloos opstelde, uitsluitend een beroep deed op het internationaal recht, en in die zin zelfs a-politiek was. Ook al geloofde je niet dat de beweging werkelijk gewicht in de schaal legde, je had als nette burger die zich bekommerde om het lot van de Palestijnen eindelijk eens iets om helemaal achter te staan.

Onderwijl veranderde Israël, onder premier Benjamin Netanyahu, steeds meer in Netanyahustan. Het land schoof op van conservatief naar uitgesproken rechts, en van uitgesproken rechts naar iets tussen autoritair- en extreem-rechts in. De Palestijnen op hun beurt bleven zuchten onder hun vermolmde, corrupte en repressieve leiderschap in Ramallah en hun nog repressievere, brute en sociaal-reactionaire leiderschap in Gaza. In dat deprimerende klimaat was BDS een kleine reddingsboei in een schier hopeloze strijd.

Tot groeiende ergernis en verbazing van de Israëlische politieke leiding groeide het succes van BDS stap voor stap. Grote bedrijven als het Franse Veolia, het Belgische Orange, het Deens-Britse GS4 en het Nederlandse pensioenfonds PPGM toonden zich ontvankelijk voor de eisen van de beweging. Daarnaast gaven steeds meer artiesten gehoor aan de oproep niet meer in Israël op te treden. De boycot die BDS voorstaat is immers niet alleen economisch, maar ook cultureel en academisch.

‘BDS is een kleine reddingsboei in een schier hopeloze strijd’

Door dit alles kreeg de beweging in Israël op den duur de status van ‘strategische bedreiging’, net als Iran.

In 2012 voelde premier Netanyahu zich voor het eerst geroepen om BDS als antisemitisch te bestempelen. Niet veel later viel het besluit om de bestrijding van BDS toe te vertrouwen  aan het ministerie van Strategische Zaken, dat hiermee voor het eerst enige importantie kreeg; volgens de Israëlische krant Haaretz diende het in 2008 opgerichte departement aanvankelijk alleen als zoethouder voor bewindslieden die te weinig omhanden hadden. Nu kregen zij een plekje in het zogeheten veiligheidskabinet, waar ze toegang hadden tot vertrouwelijke gegevens.

Doel van het ministerie was jarenlang geweest om ‘strategieën’ te bedenken, die vervolgens in de onderste la van een ander ministerie belandden.  Dat veranderde in 2015. Er kwam 35 miljoen dollar vrij om BDS te bestrijden — inmiddels is het budget opgelopen tot 75 miljoen dollar. Het aantal personeelsleden groeide van een handjevol tot enkele tientallen, en er werd een nieuwe minister benoemd: de mannetjesputter Gilad Erdan, tevens minister van Veiligheid.

Geheimhouding

De werkwijze van het ministerie van Strategische Zaken werd meteen omgeven door geheimhouding. Anders kon men niet effectief opereren, verluidde het. Dit stond echter op gespannen voet met de democratische waarden waarop de Israëliërs zo trots zijn. Volgens een artikel in de online krant Times of Israël wilde de directeur-generaal van het ministerie, Sima Vaknin-Gil, niet eens de namen vrijgeven van de werknemers op het ministerie. En de budgettaire toewijzingen die de Times of Israel mocht inzien, bevatten geen specificaties van begunstigden. Veel betalingen waren als ‘geheim’ gemarkeerd.

Het ministerie riep wel openlijk een samenwerking in het leven met de non-gouvernementele organisatie Kela Shlomo (Slinger van Salomo), inmiddels omgedoopt in Concert for Israel. Deze in 2016 opgerichte organisatie is geen enkele transparantie verschuldigd, vanwege zijn status van ‘non-profit voor algemeen nut’.

Een voormalig directeur-generaal van het ministerie van Strategische Zaken Yossi Kupperwasser, zei tegen de Times of Israel dat ‘een intensivering van activiteiten’ het doel was van de samenwerking. Kela Shlomo zou dienen als ‘raamwerk om donorgeld en overheidsgeld samen te brengen, en zo het vermogen van elke partij tot het stimuleren van activiteiten tegen delegitimering op te voeren’.

Wanneer functionarissen met ruime verbale vermogens zich zo omslachtig uitdrukken, is het oppassen geblazen. Er is niet veel fantasie voor nodig om in Kela Shlomo/Concert for Israel geen echte ngo (non-gouvernementele organisatie) te herkennen, maar een ‘gongo’: een governmentally operated non-governmental organisation. Ofwel: een ‘door de overheid aangestuurde non-gouvernementele organisatie’.

Ngo… of ‘gongo’?

De laatste dertig jaar hebben veel burgers van landen met repressieve regimes het kleine beetje vrijheid dat ze hadden benut door ngo’s op te richten. Zo verbreedden zij het maatschappelijk middenveld. BDS is een typisch voorbeeld van een krachtenbundeling van ngo’s.

‘Gongo’s’ zijn het antwoord van repressieve regimes op het ngo-virus, een tegengif. Het wemelt er inmiddels van in Afrika, Rusland en het Midden-Oosten. Doel van een ‘gongo’ is om activiteiten te ontplooien die niet geloofwaardig – of zelfs illegaal – zouden zijn als ze van de overheid kwamen. Bijvoorbeeld het tegenwerken en intimideren van werkelijke ngo’s, en dat verkopen als een strijd tegen ‘delegitimering’. Kortom: de werkelijke ngo’s worden als onderdrukkers voorgesteld, een orwelliaanse omkering.

Directeur-generaal Sima Vaknin-Gil zei tijdens een bijeenkomst in de Verenigde Staten die stiekem werd opgenomen door een verslaggever van Al Jazeera, dat haar ministerie een ‘holistische’ campagne wilde voeren tegen de ‘andere kant’. Met de ‘andere kant’ bedoelde ze natuurlijk BDS-activisten, over wie zo veel mogelijk gegevens dienden te worden vergaard, zodat hun ‘delegitimatie’ van Israël kon worden ontkracht en verdacht gemaakt.

‘De werkelijke ngo’s worden als onderdrukkers voorgesteld’

De directeur-generaal zelf bezigde straffe termen als ‘waarschuwen, afschrikken, en aanvallen’. Ze voegde eraan toe dat haar ministerie sympathiserende ngo’s of civiele entiteiten van middelen kon voorzien die ze normaal gesproken niet hebben. ‘De Israëlische overheid heeft het overzicht en kan coördinatie en samenwerking creëren. Wij zijn de enige speler in het pro-Israëlische netwerk die kan zeggen dat ze in staat is lacunes op te vullen.’

Dit klinkt als een niet al te gelukkig geformuleerd aanbod aan joodse en pro-Israëlische ngo’s om zich te laten ‘gongoïseren’. Makkelijker gezegd dan gedaan, zo bleek. Volgens de Times of Israel bedankten veel Amerikaans-joodse ngo’s voor de eer. Ze vertrouwden het ministerie niet, wilden niet worden gepolitiseerd, waren bang dat ze onder het vergrootglas van de Amerikaanse overheid kwamen te liggen, en behielden liever hun onafhankelijkheid.

BDS-demonstratie in Trondheim, Noorwegen (foto: Ezzex).

De Verenigde Staten (VS) kent talrijke joodse organisaties. De meeste zijn loyaal aan Israël, maar dit betekent nog niet dat ze veel op hebben met Netanyahustan, gecharmeerd zijn van grofgebekte politici als Avigdor Liebermann, Ayelet Shaked en Naftali Bennett , en de bezetting van de Westelijke Jordaanoever en de blokkade van de Gazastrook niet met leden ogen aanzien. Zelfs het eerder genoemde StandWithUs, dat een islamitische studente aan de schandpaal liet nagelen vanwege een woordspeling, wenste naar eigen zeggen geen geld aan te nemen van het ministerie van Strategische Zaken.

Desondanks blijven er genoeg ngo’s over waarop het ministerie van Strategische Zaken kan bouwen, zoals het al sinds 2002 actieve NGO Monitor. Achter deze bedrieglijk neutrale naam gaat een organisatie schuil die zich uitsluitend toelegt op het in een kwaad daglicht stellen van mensenrechtenorganisaties die kritiek hebben op de Israëlische bezettingspolitiek.

NGO Monitor heeft een lijst opgesteld van 250 zogenaamd dubieuze ngo’s. Dat gebeurt in naam van de transparantie. Ngo’s die pro-bezettingspolitiek zijn, en die vaak uitblinken in een gebrek aan transparantie, laat NGO Monitor ongemoeid. Laat staan dat NGO Monitor zelf aan een transparantietest werd onderworpen. De Policy Working Group, een collectief van Israëlische academici en oud-diplomaten, besloot dit gemis te verhelpen en publiceerde een verslag waarvan de conclusie luidt dat NGO Monitor geaffilieerd is met de overheid. NGO Monitor is misschien wel de moeder van alle Israëlische ‘gongo’s’.

Zionistischer dan zionisten

Van onschatbare waarde voor het ministerie van Strategische Zaken is verder Maccabee Task Force, een organisatie die in 2015 werd opgericht door de Amerikaanse miljardairs Sheldon Adelson en Haim Shaban. Adelson, wiens vader joods was, is een van de belangrijkste financiers van de Republikeinse Partij. Hij doet uitspraken als ‘Palestijnen bestaan niet, het zijn zuid-Syriërs’. Shaban, die van Egyptisch-joodse afkomst is en zowel een Israëlisch als Amerikaanse paspoort heeft, is naar eigen zeggen een ‘one issue guy’ –  en  zijn ‘issue’ is Israël.

Aan het hoofd van Maccabee Task Force staat de jurist David Brog, een evangelische christen die directeur is geweest van Christians United for Israel. Evangelische christenen zijn al jaren een politieke machtsfactor van belang in de VS, zeker nu, onder het presidentschap van Donald Trump, en ze zijn zionistischer dan de meeste Joodse zionisten zelf.

Het is veilig te veronderstellen dat Maccabee Task Force aardig wat invloed heeft. En waar deze taskforce voor staat? Daarover is de website duidelijk: voor de bestrijding op Amerikaanse campussen van antisemitisme, dat steeds meer om zich heen zou grijpen, voornamelijk vanwege BDS.

Broodjeaapverhaal

Die bestrijding zou aardig geholpen zijn als er een link kon worden gelegd tussen BDS en Hamas. Met dat doel bracht Maccabee Task Force een broodje aap in omloop dat uit de koker komt van een andere pro-Israëlische organisatie, de Foundation for Defense of Democracies.Het verhaal gaat als volgt: sommige afdelingen van de internationale organisatie Students for Justice in Palestine, die BDS promoot, krijgen financiële steun van een andere organisatie, American Muslims for Palestine. Daar werken drie mensen die ook als vrijwilliger hebben gewerkt voor de Holy Land Foundation, ooit de grootste islamitische liefdadigheidsinstelling van de Verenigde Staten. Vijf bestuursleden van deze stichting werden jaren geleden veroordeeld omdat ze geld naar Hamas hadden overgemaakt. Althans, volgens de openbaar aanklager die de jury hiervan wist te overtuigen – het proces was uiterst controversieel. De Holy Land Foundation is sindsdien verboden, maar de drie ex-vrijwilligers die later voor American Muslims for Palestine gingen werken, zijn nooit ergens van beschuldigd.

BDS-demonstratie in Belfast, Noord-Ierland (foto: WikiLaurent).

Het lijntje van Hamas naar BDS, dat uit dit alles zou blijken, is flinterdun. Beter gezegd: het bestaat niet. Maar de Foundation for Defense of Democracies en de Maccabee Task Force blijven beweren dat de organisaties die BDSin de Verenigde Staten promoten, ‘wemelen’ van mensen die ooit rechtstreeks met Hamas geaffilieerd waren.

Wat dit verhaal relevant maakt, is dat een medewerker van de Foundation for Defense of Democracies, Jonathan Schanzer, een gewillig oor vond bij de Commissie Buitenlandse Zaken van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden. Hij was daarbij zo slim om op te merken dat zijn denktank hierbij geen malversaties had ontdekt, maar toch – waar rook is, is vuur.

Carrièrekansen breken

Een opmerkelijk agressieve speler in deze troebele wereld, ten slotte, is Canary Mission. Deze in 2015 gelanceerde website is gewijd aan het ‘documenteren’ van personen en organisaties die ‘haat tegen Israël, haat tegen Joden, en haat tegen de Verenigde Staten propageren.’

De meeste van die ‘gedocumenteerden’ – inmiddels meer dan duizend – zijn studenten, velen van islamitische komaf, velen lid van de eerder genoemde organisatie Students for Justice in Palestine (SJP), die in 1993 werd opgericht en actief is in de Verenigde Staten, Canada en Nieuw-Zeeland.

Een doorsnee SJP-activist is ergens in de twintig en loopt mee in betogingen waarin steun wordt betuigd aan BDS, en Israël wordt afgeschilderd als een apartheidsstaat. Regelmatig  komt de term ‘etnische zuivering’ voorbij, wat dan slaat op de vlucht – of verdrijving – van honderdduizenden Palestijnen uit hun woongebied in 1947 en 1948, en op huidige pogingen van Israël om Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever te onteigenen, in het bijzonder bedoeïenen in de Jordaanvallei en inwoners van Oost-Jeruzalem.

Nog controversiëler is het woord ‘genocide’, waarmee wordt gerefereerd aan de duizenden dodelijke burgerslachtoffers die het Israëlische leger tijdens diverse militaire campagnes in de Gazastrook maakte, met vrijwel geen burgerdoden en slechts enkele tientallen militaire slachtoffers aan Israëlische zijde.

BDS-demonstratie in Ljubljana, Slovenië (foto: MZaplotnik).

Apartheid, etnische zuivering, genocide: het zijn krasse kwalificaties, maar ze zijn een debat waard. Canary Mission heeft daarnaast activisten gespot die zonder meer de grenzen van het toelaatbare hebben overschreden, bijvoorbeeld directe vergelijkingen tussen Israël en nazi-Duitsland hebben getrokken en zich zonder twijfel schuldig hebben gemaakt aan antisemitische opruiing. Zij hebben misschien dus wel om naming and shaming gevraagd. Maar het gaat niet alleen om dit soort mensen. Wie enkel sympathie heeft betuigd aan BDS en daarbij wat militante taal heeft gebezigd, loopt een gerede kans een uitputtend profiel van zichzelf terug te vinden op Canary Mission, met soms tientallen foto’s en screenshots van socialmedia-posts en een listige aaneenrijging van zogenaamd radicale uitspraken. Uitspraken waaraan je een extremistische uitleg kunt geven als je ze in een bepaalde context plaatst, .

Canary Mission rechtvaardigt haar aantijgingen door BDS als extremistisch en antisemitisch te brandmerken. Waarom? Omdat de beweging naadloos zou aansluiten op discriminatie van joden door de eeuwen heen – kauft nicht bei Juden. Een video moet dat aannemelijk maken.

Er valt tegenin te brengen dat kauft nicht bei Juden onderdeel was van het expliciete voornemen het jodendom te vernietigen. Of om joden te discrimineren, enkel omdat het joden zijn. Van dergelijke tendensen vind je bij de leiding van BDS geen spoor terug. Bovendien is de verhouding tussen joden en Palestijnen in Israël totaal anders dan de verhouding tussen joden en hun onderdrukkers, enkele generaties geleden, in Europa. De belangrijkste overweging is dat BDS alleen gericht is tegen de politiek van Israël, en niet tegen joden in het algemeen.

Canary Mission maakt geen geheim van wat ze hoopt te bereiken: de carrièrekansen van de activisten in kwestie breken. ‘Laat de radicalen van vandaag niet de werknemers van morgen worden’ beveelt deze promotievideo aan. Wie ooit op jonge leeftijd iets ‘radicaals’ heeft geroepen, moet daar de rest van zijn of haar leven kennelijk voor boeten. Het is een tactiek van intimidatie, van cyberbullying, met als uiteindelijk doel om pro-Palestijns activisme, in het bijzonder BDS-activisme, de kop in te drukken.

‘Canary Mission maakt geen geheim van wat ze hoopt te bereiken: de carrièrekansen van activisten breken’

De initiatiefnemers van deze site blijven uit veiligheidsoverwegingen liever anoniem, verluidt het. Dat is op zich te begrijpen. Het valt wel op dat zelfs het meest gedegen journalistieke speurwerk naar de financiële bronnen van de site haast niets oplevert. Het schild van geheimhouding dat Canary Mission heeft opgetrokken is schier ondoordringbaar. Het is al met al moeilijk te geloven dat de site niet via allerlei omwegen is terug te voeren tot de Israëlische overheid: dat dit niet ook een gongo is, naar beproefd recept.

In ieder geval lijken Israëlische veiligheidsfunctionarissen de tendentieus gecompileerde gegevens van Canary Mission te hebben gebruikt om mensen de toegang tot het land te ontzeggen. Ook de FBI zou eruit hebben geput. Opvallend is verder dat de site is opgericht in het jaar (2015) dat Israël de bakens in de strijd tegen BDS op vele fronten verzette, en het ministerie van Strategische Zaken van haar ‘holistische aanpak’ gewag maakte.

Steeds minder ruimte

Zo wordt de ruimte voor BDS om te opereren langzaamaan ingeperkt met een campagne van insinuaties, verdraaiingen, verdachtmakingen, halve waarheden en exploitatie van de angst voor antisemitisme, én van de angst om voor antisemiet te worden uitgemaakt. Het is een campagne die onder regie staat van het ministerie van Strategische Zaken, maar ook door andere onderdelen van het Israëlische machtsapparaat en alles wat daaraan hangt wordt gevoerd, en die er mede toe heeft bijgedragen dat ongeveer de helft van de vijftig Amerikaanse staten inmiddels anti-BDS-wetten heeft opgesteld. Omdat BDS het antisemitisme zou aanwakkeren, vooral op universiteiten.

Ook in Europa heeft de anti-BDS-agitatie, samen met een verruiming van het begrip antisemitisme volgens de zogeheten IHRA-definitie, haar vruchten afgeworpen. In Frankrijk is BDS-activisme verboden en heeft president Macron antizionisme gelijkgesteld aan antisemitisme. In Duitsland heeft de Bondsdag een – niet-bindende – resolutie aangenomen die BDS als antisemitisch bestempelt.

BDS-demonstratie in Toulouse, Frankrijk (foto: Pablo029).

Joodse instellingen zelf worden niet gespaard in de strijd tegen BDS. De Bank für Sozialwirtschaft heeft de rekening van de kleine organisatie Jüdische Stimme für gerechten Frieden in Nahost opgeheven omdat deze BDS steunt — je zult de Israëlische regering er niet over horen dat voor het eerst sinds de jaren dertig in Duitsland een joodse bankrekening is afgesloten. Ook is het Joods Museum in Berlijn doelwit geworden van de anti-BDS-campagne. Directeur Peter Schäfer (overigens zelf niet-joods), moest opstappen omdat het museum in zegge en schrijve één tweet de aandacht had gevestigd op een open brief waarin 240 joodse en Israëlische wetenschappers de Duitse regering opriepen zich niet ontvankelijk te tonen voor de anti-BDS- motie van de Bondsdag. Een storm van protest brak los. Vergelijkingen met het nazisme bleven het Joods Museum niet bespaard.

Saillant was dat enige maanden voor het incident de Israëlische regering een zogeheten non-paper naar de Duitse regering had gestuurd met het dwingende verzoek geen fondsen meer beschikbaar te stellen voor vermeend anti-Israëlische organisaties. In één moeite door beklaagde de Israëlische regering zich over het Joods Museum, dat ‘geen banden heeft met de joodse gemeenschap’, regelmatig prominente BDS-voorvechters zou uitnodigen en een tentoonstelling over Jeruzalem  had georganiseerd waarvan de teneur de Israëlische regering niet beviel. Het is niet vergezocht om te veronderstellen dat deze non-paper ook werd verzonden naar diverse politieke partijen en pro-Israëlische instellingen, zodat de geesten rijp zouden zijn voor een twitterstorm bij de eerstvolgende vermeende faux pas van het museum.

Vrijheid van meningsuiting

In Nederland is de situatie voor BDS relatief gunstig. De Nederlandse regering is tegen de beweging gekant, maar gaf geen gevolg aan een motie van onder anderen SGP-Tweede Kamerlid Van der Staaij om ‘zo snel mogelijk de directe of indirecte financiering van organisaties, die op basis van hun doelstellingen of middels hun activiteiten een boycot van of sancties tegen Israël nastreven of bevorderen, te beëindigen’.

De regering antwoordde dat uitlatingen of bijeenkomsten van de BDS-beweging worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering.

De Israëlische overheid overspeelt ook regelmatig haar hand. En wordt weleens te kijk gezet. Geruchtmakend  was de zaak rond Shai Masot, een medewerker van de Israëlische ambassade in Groot-Brittannië, die, blijkens een documentaire van Al Jazeera, de toenmalige minister Sir Alan Duncan en kritische Engelse parlementsleden in diskrediet wilde brengen en plannen had om te infiltreren in Britse studentenorganisaties. De Israëlische ambassadeur Mark Regev bood zijn excuses aan en ontsloeg Masot, die werd weggezet als een op eigen houtje opererende lagere medewerker en fantast. Kwestie opgelost. Dit zou anders zijn geweest als het hier om bijvoorbeeld de ambassade van Rusland was gegaan. Dan was er waarschijnlijk een internationaal schandaal losgebarsten.

Publicitair verheffend was dit akkefietje natuurlijk niet voor Israël. Net zo min als het tweedelige rapport van het ministerie van Strategische Zaken, ‘The money trail’, vol gewaagde beschuldigingen aan het adres van de Europese Unie. De EU zou, vanwege haar financiële steun aan Palestijnse of pro-Palestijnse organisaties, terreur faciliteren en ruim baan geven aan antisemitisme. Brussel wees deze aantijgingen begin dit jaar fel van de hand. Het rapport was een strategische blunder van het ministerie van Strategische Zaken, dat de EU, Israëls belangrijkste handelspartner, beter niet tegen de haren in kan strijken in de strijd tegen een boycotbeweging.

BDS-demonstratie in Kaapstad, Zuid-Afrika (foto: HelenOnline).

Daarnaast krijgt de anti-BDS-beweging ook in de VS niet altijd haar zin. In 24 staten stuit de uitvoering van anti-BDS-wetten op grondwettelijke bezwaren: in het bijzonder het Eerste Amendement, dat de vrijheid van meningsuiting garandeert. In Arizona en Kansas stelde de rechter de American Civil Liberties Union in het gelijk nadat deze een procedure had aangespannen vanwege de ongrondwettelijkheid van de anti-BDS-wetten.

Meer recent boekte BDS een niet onbelangrijke juridische overwinning in Keulen. Daar oordeelde de rechtbank dat het ‘zelfs op afstand niet gerechtvaardigd is’ een Duits-Palestijnse vrouwenvereniging van het jaarlijkse culturele festival in Bonn uit te sluiten op grond van steun aan BDS. Nog belangrijker was dat het Hof van Keulen verklaarde dat de anti-BDS-moties in Duitsland, zoals die van de gemeenteraad van Bonn, het parlement van Noordrijn-Westfalen en de Duitse Bondsdag, ‘geen wetgevingshandelingen zijn, maar politieke resoluties of uitingen van politieke wil, die de beperking van een bestaand wettelijk recht niet kunnen rechtvaardigen’.

Onlangs werd de Brits-Pakistaanse schrijfster Kamila Shamsie een literaire prijs van de stad Dortmund ontnomen, toen aan het licht kwam dat ze BDS steunde. Mocht ze deze beslissing juridisch willen aanvechten, dan vormt de uitspraak van het Hof van Keulen waarschijnlijk nuttige jurisprudentie. Die wordt bovendien ondersteund door uitspraken ten gunste van BDS-activisten door het Administratieve Hof van Oldenburg en het Hogere Administratieve Hof van Nedersaksen in Lüneburg. Kamila Shamsie heeft inmiddels honderden adhesiebetuigingen van collega-schrijvers wereldwijd ontvangen.

Uiteraard laat het ministerie van Strategische Zaken niet af. Onlangs presenteerde minister Erdan in het Europees Parlement een nieuw rapport (‘Behind the Mask’) dat nog een keer het antisemitische karakter van BDS moet aantonen.

Overigens valt niet te ontkennen dat sommige BDS-aanhangers zich schuldig maken aan uitingen van antisemitisme. De pro-Palestijnse beweging kent haar zonderlingen, geobsedeerden, fanatici en antisemieten. Een Israëlische vlag met een kakkerlak in plaats van een Davidster, zoals regelmatig door een Nederlandse activist op de Dam in Amsterdam wordt getoond, is heel dom en onsmakelijk, omdat het meteen doet denken aan hoe de nazi’s de joden een ‘pestilentie’ noemden die moest worden uitgeroeid. Ook het gelijkstellen van de Davidster aan het hakenkruis is ergerlijk en kwetsend en, zacht uitgedrukt, onjuist. Joodse overheden, instellingen en particulieren hebben het volste recht om over dit soort uitingen hun beklag te doen.

‘De pro-Palestijnse beweging kent haar zonderlingen, geobsedeerden, fanatici en antisemieten’

Dit alles vormt geen bewijs dat de BDS-beweging intrinsiek antisemitisch is. Er is niet de minste aanwijzing dat fanatici en jodenhaters de hoofdmoot vormen van de beweging. De stelling dat de meesten zich hebben ‘vermomd’ is per definitie loos; niemand kan immers bewijzen dat hij of zij iets niet verbergt. BDS-leiders, alsmede een invloedrijke website als Electronic Intifada, hebben zich expliciet uitgesproken tegen antisemitisme. Wat kunnen ze nog meer doen?

Witwasplek voor antisemieten

De rapporten van het ministerie van Strategische Zaken, websites als Canary Mission – ze lijken manipulatief, onoprecht knutselwerk, vervaardigd met een ijver een betere zaak waardig.

Jarenlang kreeg ik als journalist van een grote landelijke krant boekjes van de Israëlische ambassade toegestuurd waarin uitingen van antisemitisme in het Midden-Oosten waren verzameld. En inderdaad: sommige cartoons waren ronduit antisemitisch. Maar plaatjes van Netanyahu met een bebloed slagersmes in zijn hand, of van Ariel Sharon die een bord Palestijnen naar binnen schrokt, zijn niet antisemitisch, ook al zijn ze niet erg subtiel. Het is narcistisch om dat wel te vinden — om meteen een verband te zien met het joodse bloedsprookje. De mening dat Netanyahu bloed aan zijn handen heeft, is volstrekt legitiem. En wat Sharon betreft: die is in Israël zelf vaak genoeg voor moordenaar uitgemaakt.

Wat BDS uiteindelijk wordt verweten is dat de beweging Israël delegitimeert. Maar dan geeft het te denken dat dit mogelijk is aan de hand van eisen die stoelen op internationaal recht. Delegitimatie door het recht is een even pijnlijke als onthullende paradox.

Daarnaast heeft het Netanyahustan dat Israël is geworden zijn best gedaan zichzelf in diskrediet te brengen in de strijd tegen antisemitisme. Bijvoorbeeld door de Filipijnse leider Duterte en de Hongaarse president Viktor Orban te ontvangen. Duterte heeft zichzelf met Hitler vergeleken en Orban sprak in 2017, voorafgaand aan een bezoek van Netanyahu, zijn bewondering uit voor Miklos Horthy, de Hongaarse leider uit de Tweede Wereldoorlog die antisemitische wetten invoerde en collaboreerde met de nazi’s. Dat veroorzaakte wel wat deining, maar met een halfslachtige verklaring van Hongaarse zijde was ook deze kwestie alweer geklaard.

‘Delegitimatie door het recht is een even pijnlijke als onthullende paradox’

Het stoort Netanyahu kennelijk ook niet dat Orbans demonisering van de joodse filantroop George Soros alle elementen bevat van klassieke antisemitische stereotypering. Volgens Orban behoort Soros tot ‘de vijanden van Hongarije, die niet in werk geloven, maar met geld speculeren. Ze hebben geen vaderland, maar menen dat de hele wereld van hen is.’ Toen de Israëlische ambassadeur in Boedapest bezwaar maakte, floot Netanyahu hem terug.

Ten slotte zaten er verklaarde christelijke antisemieten in de Amerikaanse delegatie die in Jeruzalem neerstreek voor de feestelijke symbolische opening van de Amerikaanse ambassade aldaar. Hun antisemitisme is van de listigste soort: ze zijn fervent voorstander van de terugkeer van zoveel mogelijk joden naar het Heilige Land, omdat hiermee De Dag des Oordeels dichterbij zou komen. Dan zullen de joden zich echter tot het christendom dienen te bekeren, op straffe van het eeuwige hellevuur.

Daarentegen zijn de activisten van Jewish Voice For Peace – een grote joodse organisatie in de Verenigde Staten die gekant is tegen de bezettingspolitiek van Israël – niet meer welkom in Israël.

Waarom Israël een witwasplek voor antisemieten aan het worden is – dàt zou een rapport waard zijn. Het lijkt erop neer te komen dat je van Israël antisemiet mag zijn, zolang je maar geen antizionist bent, maar wel een afkeer van moslims en migranten deelt met het Israëlische leiderschap.

Asymmetrische oorlogsvoering

Israël heeft het BDS de afgelopen jaren bijzonder moeilijk gemaakt. Maar er is iets vergeefs aan de bestrijding van de beweging. Het doet denken aan asymmetrische oorlogsvoering, met Israël in de rol van een regulier leger en BDS in die van een veelvertakte guerrillabeweging. Getuige de uitspraken van Sima Vaknin-Gil, directeur-generaal van het ministerie van Strategische Zaken, wil dat leger zelf een guerrillastrijd voeren. Maar dat wringt. Je kunt beter niet kiezen voor een strategie waarin de ander zich per definitie beter thuis voelt. Immers, in een dergelijke krachtmeting heeft de echte guerrillabeweging al gewonnen zolang ze weet te overleven. En tot nu toe overleeft BDS wonderwel. De activiteiten van het ministerie van Strategische Zaken zouden op termijn contraproductief kunnen uitpakken: ze leiden vooral tot discussie, en als Israël zijn botte, egocentrische politiek voortzet, is het niet ondenkbaar dat het die discussie uiteindelijk verliest.

Dit is de eerste aflevering in een tweeluik over BDS.

Roia: een signaal van hoop en menselijkheid in Syrië

Ooit leidde Khaled Shaaban het leven van een typische risicomijdende Syriër. Stel geen vervelende vragen, dan krijg je geen vervelende antwoorden. Steek je nek niet uit, dan heb je het zo slecht nog niet. Een gezapig leventje onder de knoet van de moekhabaraat – de geheime politie – en  de alomtegenwoordige, bordkartonnen beeltenissen van vader en zoon Assad.

Maar toen was daar die vrijdag 15 april 2011, door opposanten van het regime uitgeroepen tot ‘dag van de woede’. Duizenden zogenaamde onruststokers waren al een maand aan het betogen tegen Bashar al-Assad. Tegen zijn zin was Khaled die vrijdag getuige van weer zo’n grote demonstratie, vlakbij zijn woning, aan de rand van de stad. Ineens ontstond er groot tumult in de menigte, mensen begonnen te rennen, en Khaled werd meegesleept. Toen gebeurde het: twee levenloze lichamen rolden zomaar in zijn richting. Ze waren van een pick-up gevallen die in razende vaart gewonde betogers naar het ziekenhuis bracht. ‘In een oogopslag zag ik dat de mannen die voor mijn voeten vielen dood waren. En op dat moment veranderde alles voor me.’

Het stemmetje dat al enige tijd hinderlijk in zijn achterhoofd prevelde, drong zich nu onstuitbaar naar de voorgrond. ‘Stepping out of the box’: een modieuze uitdrukking, maar dat was wat er met hem gebeurde. Hij verliet de schijnveiligheid van zijn bestaan om er nooit meer terug te keren.

En nu zit hij dan, zo’n kleine acht jaar later, als 34-jarige ICT-activist in een hotellobby in Den Haag, en geeft hij een interview over de ideële Syrische ICT-organisatie Roia, waarvan hij een van de drijvende krachten is. Het vraaggesprek maakt deel uit van een kleine tournee die hem ook langs mogelijke geldschieters, beleidsambtenaren en ambassadeurs zal voeren.

Khaled Shaaban (foto: Dafne van Baarle)

Ze zijn hem niet aan te zien, de krachtproeven die hij sinds die gedenkwaardige dag in april 2011 heeft moeten doorstaan – de verschrikkingen van een Syrische gevangenis, de dagelijkse bombardementen, de martelende angst. Khaled Shaaban maakt een buitengewoon energieke, begeesterde en opgeruimde indruk. Stilaan is hij zich een wereldburger gaan voelen, met een onverzadigbare nieuwsgierigheid naar oorden waarvan hij zich het bestaan nog niet zo lang geleden amper bewust was, maar die hij inmiddels allemaal heeft bezocht: Cambodja, de Filippijnen, Vietnam.

En nu dus, voor het eerst, Europa.

Nederland mocht hij pas na een derde visumaanvraag in, terwijl het juist hier is dat Roia als stichting ingeschreven staat: met dank aan de bemiddeling van sympathisanten als de prominente Bahreinse bugerrechtenactiviste Esra’a al-Shafei en de Nederlandse arabiste en ‘cultuurmakelaar’ Dafne van Baarle, die voorzitter is van het bestuur waarvan Khaled ook deel uitmaakt. Hoe dat zit? De organisatie, die het levenslicht zag in omsingeld, geïsoleerd en door vaatbommen bestookt rebellengebied, is inmiddels zo groot gegroeid dat ze behoefte heeft aan een gunstig fondsenwervingsklimaat, zoals dat in Nederland bestaat.

Het zoete gif van de Arabische lente

Hoe anders keek Khaled ooit tegen het leven aan. Een paar weken voor het beslissende incident met de twee lijken vertelde een vriend hem dat de Arabische Lente misschien naar Syrië was gekomen. Hij reageerde onthutst. ‘Ik hoopte dat het niet waar was. Wat ging er nu allemaal gebeuren? Hoe zou het gaan met mijn gezin, mijn werk?’

De weken daarop maakte hij zichzelf wijs dat Syrië immuun was voor het zoete gif van de Arabische lente. ‘Wij hadden die hier niet nodig, hield ik mijzelf voor. Ik luisterde vooral naar berichten van het Syrische regime, liet me daardoor geruststellen, hield me doof voor andere geluiden. Tegelijkertijd begon dat stemmetje in mijn achterhoofd te zeuren dat er iets niet klopte, dat de hele manier waarop dit land jarenlang was geregeerd niet deugde, ook al had ik me daar nooit echt in verdiept. Maar ik was bang.’

De revolutie vóór de revolutie

Khaled Shaabans achtergrond is bescheiden. Hij groeide op in Jobar, een buitenwijk van Damascus. Na zijn lagere school moest hij geld gaan verdienen. Hij leerde, veertien jaar oud, het vak van kleermaker en timmerman, maar toen hij voor het eerst een computermuis zag, begreep hij pas waarvoor hij in de wieg was gelegd. ‘Het was in de computerwinkel van een zakenrelatie van mijn grootvader. Ik moest daar dozen uitpakken en zo, toen mijn oog op zo’n ding viel. Geen idee wat het was, maar het trok me onweerstaanbaar aan.’

‘Ik luisterde vooral naar berichten van het Syrische regime, liet me daardoor geruststellen, hield me doof voor andere geluiden. Tegelijkertijd begon dat stemmetje in mijn achterhoofd te zeuren dat er iets niet klopte.’

Binnen een jaar streefde hij als zestienjarige de bedrijfsleider voorbij in IT-kennis. Hij leerde computers assembleren, specialiseerde zich in netwerkarchitectuur, werd zelfs het hacken meester, kortom: in no time was hij een volleerde nerd, in een regio waar IT aan het begin van dit millennium nog in de kinderschoenen stond. Maar al snel zou de gemiddeld heel jonge bevolking van het Midden-Oosten inzien dat de digitale snelweg de weg naar een beetje vrijheid was. Khaled Shaaban bevond zich in de voorhoede van deze revolutie, die aan de Syrische revolutie vooraf ging. Toen deze laatste uitbrak, zat hij echter in de achterhoede. Hij was inmiddels IT-manager, had een gezin met een pasgeboren kind, boerde goed. Hij wilde beschermen wat hij had, en dat beïnvloedde zijn kijk op het bewind: het was misschien niet lief, maar je wist tenminste wat je eraan had.

De Techneut van Syrië

Niet alleen de confrontatie met de twee doden, ook de daaropvolgende, wekenlange detentie van zijn broer zorgden ervoor dat het in zijn hoofd ging kantelen. ‘Via betaalde informanten wisten we dat zijn medegevangenen hem dagelijks hoorden schreeuwen, dat hij dus werd gemarteld. Het was mij volkomen duidelijk welke kant ik moest kiezen. Maar ik was nog steeds vreselijk bang. Ik had niet de moed om mee te demonstreren, al wilde ik wel heel graag iets doen. Vrij snel kwamen mensen naar me toe met de vraag of ik hun mobiele telefoons kon beveiligen en hun laptops versleutelen. Prima, daar draaide ik mijn hand niet voor om, en zo kreeg ik in het activistencircuit al snel de codenaam Sham tiqani – de Techneut van Syrië. Heel eervol, maar ik vond mezelf nog steeds een lafaard. De doodsverachting van anderen vervulde me met ontzag. Die kon ik niet opbrengen.’

‘Ik had niet de moed om mee te demonstreren, al wilde ik wel heel graag iets doen.’

De kiem voor Roia werd gelegd toen Khaled een andere tiqani ontmoette, met wie hij de eerste – gesmokkelde – apparaten voor de ontvangst van internetsatellieten installeerde, teneinde de IT-infrastructuur van het regime te omzeilen. Al snel waren er ingrijpender oplossingen nodig, omdat Damascus tegen die tijd de telecommunicatie op het platteland afsneed, wat betekende: geen internet, geen telefoon, niets. En dus installeerden Khaled en zijn medestanders gelijktijdig apparaten op het platteland en in de hoofdstad, en lieten die met elkaar ‘praten’. Zo dirigeerden ze het internet vanuit vijandelijk territorium naar degenen die het het hardst nodig hadden: ziekenhuizen vooral, die op deze manier in contact bleven met elkaar, maar ook met de buitenwereld – als humanitaire stem die kon vertellen wat er zich in Syrië afspeelde.

‘Ondertussen was ik nog altijd maar een parttime activist,’ zegt Shaaban. ‘Ik had mijn baan in Damascus niet opgegeven. Maar dat duurde niet lang meer.’

Afscheid van het parttime activisme

Het tweede kantelpunt deed zich voor na zijn arrestatie bij een checkpoint waar veel mensen op een dag werden opgepakt als vergelding voor de ontvoering van een sluipschutter door rebellen. De behandeling die hij en andere arrestanten in de gevangenis kregen was wreed, maar niet zo gruwelijk als van degenen tegen wie een concrete verdenking bestond. Hij werd geblinddoekt, geslagen, met velen in zo’n krappe ruimte opgesloten dat niemand er een dragelijke houding voor zichzelf kon vinden; hij werd aan psychologische marteling onderworpen met dreigementen van een aanstaande executie; hij voelde dat de dood dichtbij was, zag mensen ook echt doodgaan, of voor zijn ogen gek worden. ‘En toch werd mij moed ingesproken door gevangenen die wisten dat hun lot was bezegeld, dat ze nooit meer vrij zouden komen. Dat was ongelooflijk.’

Nauwelijks minder opzienbarend, voor een buitenstaander, was de conclusie die Khaled Shaaban trok toen hij weer vrijkwam. ‘Ik zei tegen mijn kameraden: goed dat we dit hebben meegemaakt. Nu weten we dat parttime activisme niet genoeg is. Dit bewind krijgen we alleen weg als we ons daar fulltime aan wijden. Dit gaat niet eens meer om vrijheid, het gaat om goed en kwaad. Het gaat niet zozeer meer om politieke eisen, zoals de opheffing van de noodtoestand, of om idealen als vrijheid van meningsuiting, maar om fundamentele menselijkheid. Om alles waar dit regime niet voor staat. Het gaat om hen die sterven, om menselijk lijden.’

‘Dit gaat niet eens meer om vrijheid, het gaat om goed en kwaad. Het gaat niet zozeer meer om politieke eisen, zoals de opheffing van de noodtoestand, of om idealen als vrijheid van meningsuiting, maar om fundamentele menselijkheid.’

Khaled had nog nooit van mensenrechten gehoord, maar op dat moment werd hij een mensenrechtenactivist. Fulltime, wel te verstaan. Hij zegde zijn baan op, stuurde zijn gezin naar Jordanië, verhuisde naar rebellengebied in de oostelijke Ghouta, ofwel het oostelijke deel van het landelijk gebied dat in het oosten en zuiden aan Damascus grenst. ‘Ik en andere technici zetten er ons eerste officiële project op, het emergency medical system, een telecommunicatiesysteem dat medische hulpdiensten in staat stelt snel te reageren op noodgevallen.’ Er was contact met buitenlandse donoren, terwijl ook de in Istanbul zetelende Syrische Nationale Raad financieel bijsprong.

De angst werd niet minder, integendeel: ‘Ik was nu niet meer bang dat ik zou worden gearresteerd,  maar dat ik zou sterven.’

Shaaban en zijn medewerkers, inmiddels acht man sterk, installeerden zendmasten die internet per satelliet konden ontvangen, waardoor de hele regio online bleef: gratis nog wel. Medio 2013 werd de mast verwoest door het regime, waarop ze die herbouwden, met een reservemast erbij, plus een minder makkelijk detecteerbaar signaal. Het was leven onder extreem gevaarlijke omstandigheden, en misschien dat er juist daarom wat werd afgelachen. ‘Ze bombardeerden niet alleen onze masten, maar ook ons kantoor. Op een nacht viel er een vaatbom vlak naast de ruimte waar we sliepen. We sprongen op, renden naar een aangrenzend vertrek, keken elkaar aan, stelden vast dat iedereen nog leefde, en vielen onmiddellijk weer in slaap, want we verkeerden voortdurend op de rand van uitputting. We hebben er nog vaak hartelijk om gelachen – voor een buitenstaander misschien moeilijk te begrijpen.’

Installatie van zendapparatuur in de oostelijke Ghouta

Geschapen door behoeften

In 2013 kreeg hij een uitnodiging van Europese donoren om naar Istanbul te komen voor overleg. Bedoeling was de organisatie, die toen nog alleen ‘technisch bureau’ heette, meer handen en voeten te geven. Het was ook een gelegenheid zijn gezin weer eens te zien, want dat zou zonder problemen van Jordanië naar Turkije kunnen reizen. Hem stond een veel gevaarlijker tocht te wachten. De afstand tot de Turkse grens bedroeg zo’n 350 kilometer. Er was een auto beschikbaar, maar het kostte hem uiteindelijk een week om er te komen. Een groot deel van de reis voltrok zich ‘s nachts, te voet. Eén keer liepen hij en zijn escorte  in een hinderlaag van het leger. Ze overleefden het door zich doodstil te houden en de verleiding te weerstaan terug te schieten – dan had de vijand ze precies kunnen lokaliseren.

Eenmaal in Turkije kostte het hem moeite de vervreemdende grauwsluier van de oorlog van zich af te werpen. ‘Het schokte me om mensen onbekommerd over straat te zien lopen, en te ervaren hoe alles op een normale manier werkte.’ In Istanbul leidde het overleg met donoren tot een uitbreiding van activiteiten en tot de naamsverandering in Roia – ‘visie’ in het Arabisch. ‘Die visie kregen we nu ook pas echt. Toen we begonnen, hadden we helemaal geen missie, geen doelstelling, geen vooropgezet  idee, we deden gewoon wat kennelijk nodig was, wat de mensen van ons vroegen. Vandaar dat wij ons geen van allen willen opwerpen als oprichter van de organisatie. Het zijn de behoeften, de omstandigheden, die ons hebben geschapen en gevormd, we zijn er vanzelf ingerold.’

Toen we begonnen, hadden we helemaal geen missie, geen doelstelling, geen vooropgezet  idee, we deden gewoon wat kennelijk nodig was, wat de mensen van ons vroegen.’

In Istanbul leerden professionals in de humanitaire sector Khaled Shaaban om plannen te maken, subsidies aan te vragen, een strategie uit te stippelen. ‘Van een informeel clubje mensen die noodhulp verleenden op basis van de vaardigheden die ze toevallig hadden, werden we een bedrijf dat ICT op zo veel mogelijk manieren wil gebruiken om het leven in een crisis- en conflictgebied te verbeteren. We gingen ICT-opleidingen opzetten om mensen aan een bron van inkomsten te helpen. Het doet er immers niet toe vanuit welke plek IT-freelancers werken, dat kan overal zijn, zelfs Syrië. Met ICT kan bovendien de positie van vrouwen aanzienlijk worden verbeterd. Ze worden er onafhankelijker door. Gendergelijkheid is binnen onze club zelf de gewoonste zaak van de wereld, vandaar dat we niet geneigd zijn ons erop te laten voorstaan. Maar daarom mogen we nog niet vergeten die als speerpunt van ons beleid te presenteren, want met de positie van vrouwen in het Midden-Oosten is het in het algemeen allesbehalve florissant gesteld. Ten slotte zijn we online activisme gaan faciliteren en hebben we managementsoftware ontwikkeld voor lokaal burgerbestuur en ziekenhuizen. We hebben, kortom, geleerd om verder te kijken dan onze neus lang is, om te zorgen voor continuïteit.’

De lokroep van het normale leven

Ondertussen speelde zich in Khaleds hoofd een pijnlijk proces af. ‘Mijn verblijf in Turkije bracht mij weer in aanraking met wat je ‘het normale leven’ zou kunnen noemen. En toen dacht ik: waarom zou ik geen normaal leven mogen hebben? Ik had een gezin, wilde mijzelf verder scholen. Haast mijn hele familie was naar Europa geëmigreerd en spoorde mij aan om ook te komen. Het was een hele aantrekkelijke optie. Tegelijkertijd stuurden mijn vrienden in Syrië, die niets wisten van mijn twijfels, mij voortdurend berichten over wat ze nu weer allemaal voor elkaar hadden gekregen. Uiteindelijk kon ik ze niet in de steek laten. Morele plicht? Zover wil ik niet gaan. Hogere taak? Dat zeker ook niet. Het was uiteindelijk een kwestie van loyaliteit aan een groep individuen. En misschien was Roia ook wel een beetje mijn baby geworden.’

Khaled keerde echter niet terug naar Syrië. Hij bleef vanuit Istanbul sturing geven aan de organisatie, kwam aan het hoofd te staan van een ngo (‘iets waarvan ik vroeger dacht dat je het kon eten’), wierf fondsen, maakte beleid. Zo ging dat een paar jaar door, totdat de oorlog Roia vorig jaar met reusachtige handen optilde en aan barrels smeet: Syrische troepen veroverden met Russische steun de gehele oostelijke Ghouta. Aan alle activiteiten van Khaleds organisatie kwam een einde. De materiële schade was immens. Nog erger was dat een aantal medewerkers omkwam. De rest vluchtte met tienduizenden anderen naar oostelijk Aleppo en Idlib, dat nog in handen was van rebellen en waar Roia zo goed en zo kwaad als het ging zijn programma’s hervatte. ‘Als we iets hebben geleerd, is het om verliezen te incasseren,’ zegt Khaled, waarbij hij ook refereert aan het rebellengezag in het gebied, dat van gematigd tot minder gematigd islamistische snit was en Roia het werken soms onmogelijk maakte wegens vermeende sympathieën voor westerse vijanden.

 

De actieradius van de organisatie in Syrië is dus aanzienlijk gekrompen. Tegelijkertijd lijkt ze Syrië te zijn ontgroeid. Roia biedt inmiddels de twee miljoen Syrische vluchtelingen in Turkije ook ICT-cursussen aan, alsmede aan armlastige Turkse burgers, om scheve blikken te voorkomen. Zo krijgen beide groepen toegang tot buitenlandse markten die meer perspectief bieden dan de Turkse markt. Verder zijn er plannen om in Jemen en Irak activiteiten te ontplooien, kortom: om in elk ernstig crisisgebied in het Midden-Oosten een positieve bijdrage te leveren.

Zou Roia eventueel bereid zijn te werken in delen van het land die onder controle staan van Assad? Die vraag zou Khaled enkele jaren geleden nog met een ferm ‘nee’ hebben beantwoord, Nu denkt hij er anders over. ‘Sinds ik in Turkije woon, bekijk ik de zaken genuanceerder en besef ik dat de revolutie niet in een religie mag ontaarden. Wij zijn in essentie geen politieke organisatie. Toen ik in nog in Syrië zat, was ik geneigd te denken in termen van goed en kwaad, met vrijwel niets daartussen. Burgers die achter Assad stonden, waren een deel van een probleem.’ En impliciet refererend aan zijn eigen positie, bij het uitbreken van de revolutie: ‘Veel van deze mensen zullen pragmatische redenen hebben voor hun steun. Bovendien: hoe krijg je ze achter je beginselen, als je de deur voor ze dichthoudt? Nee, het voornaamste probleem is dat we het regime niet kunnen vertrouwen.’

Het slechten van de muur van angst

Dat regime lijkt het pleit echter wel te hebben beslecht. Hoe ziet hij de toekomst van Syrië? Hééft het land wel een toekomst? ‘Luister,’ zegt Khaled op indringende toon. ‘Landen als Cambodja en Vietnam hebben ook ontstellende verliezen geleden, en bestaan nog steeds. Als Syrië als land overleeft, is dan geen historisch unicum. En het zal je misschien verbazen wat ik zeg, maar wat mij betreft is de Syrische revolutie ten einde, en is ze een succes geweest. De Syrische revolutie ging namelijk niet alleen om territorium, of om politieke macht, maar vooral ook om de cultuur. Die cultuur van dingen voor lief nemen, daarmee is afgerekend. De revolutie ging om het slechten van de muur van angst. We hebben geleerd om voortaan kritisch te zijn, we durven nu nee te zeggen. Het bewind zal zich nooit meer zo onbedreigd voelen als voorheen.’

Wat mij betreft is de Syrische revolutie ten einde, en is ze een succes geweest.’

Maar betekent dat dan niet de Syriërs nog meer repressie te wachten staat dan voorheen? ‘Op de lange duur zal dat het regime niet helpen. De mensen hebben nu basisbehoeften, en daaraan geven ze prioriteit. Ze hebben eten, drinken, kleding en een dak boven hun hoofd nodig. Zodra in dit alles in redelijke mate is voorzien, keert de roep om politieke vrijheid terug. Ik vergelijk mijn land wel eens met een lichaam: dat is jarenlang vergiftigd. De revolutie heeft dat gif uitgedreven, maar uiteraard ging dat gepaard met zweren, ontstekingen, pus en koorts. Nu krijgt dat lichaam antibiotica en verkeert het in een soort coma, waarin het bezig is zichzelf te helen. Hoe lang dat helingsproces zal duren, weet niemand. Er zijn kolossale bedragen en inspanningen nodig voor de wederopbouw. Dus als je mij vraagt: heeft Syrië een toekomst? Dan zeg ik ja. Maar ik kan je onmogelijk zeggen wanneer die toekomst begint.’

‘Je moet elke kans aangrijpen om over Gaza te spreken’

Ahdaf Soueif werd geboren en groeide op in Caïro. Als volwassene woonde ze lange tijd in Engeland. Ze schreef romans — haar boek The Map of Love werd genomineerd voor de Booker Prize — en publiceerde vele politieke en culturele commentaren. Vanaf 2012 was ze bestuurslid van het British Museum; in 2019 trad ze terug vanwege onvrede over de positie die het museumbestuur innam rond een aantal principiële kwesties.

Als activist is Soueif betrokken bij de strijd voor rechtvaardigheid in Palestina en voor democratisering in Egypte. De afgelopen weken rommelt het in Egypte, met protesten in het hele land tegen het regime. Het leger reageert door op grote schaal mensen te arresteren. Soueif komt uit een familie van politiek activisten. Haar neef, een bekende activist, is onlangs weer vastgezet. Haar eigen wekelijkse column in het dagblad Al-Shorouk is stopgezet. Ze heeft te maken met een regime dat verzoeken om rechtvaardigheid beantwoordt met arrestaties en marteling. Toch spreekt ze open en vastberaden.

Wat denk je dat er gaat gebeuren in Egypte?

“Het is moeilijk om te zeggen waar dit heen gaat. Er is meer openlijke kritiek op het regime en de rol van het leger dan er sinds 2013 geweest is. De economie is er slechter aan toe. Iedereen is armer, maar de armen zijn echt veel armer. En degenen die dachten baat te hebben bij het regime, financieel of voor stabiliteit, zijn teleurgesteld. Ik denk dat het regime zich zorgen maakt.”

Soueif ziet dat het regime probeert het protest met geweld te onderdrukken en tegelijkertijd de bevolking probeert om te kopen met minuscule beetjes economische ondersteuning. “Maar echt hervormen kan het regime niet. Het regime is corrupt in al zijn structuren.”

Foto's: Umayya Abu-Hanna.

Onder de democratie-gezindten in de wereld was de teleurstelling groot toen de revolutie van 2011 niet leidde tot een democratisering van het Egyptische bestuur en van de samenleving. Kan die democratisering wel slagen als het huidige regime wordt omgegooid? Of is er geen infrastructuur in Egypte die een hervormd bestuur kan dragen?  

“Die infrastructuur is er niet op dit moment, want het politieke leven is sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw gedecimeerd. Er was een opleving tijdens de laatste jaren van Mubaraks regime. Hij moest zich toen aan het Westen laten zien als democratisch leider, hopend dat hij het presidentschap aan zijn zoon kon doorgeven. Dat creëerde enige ruimte om partijen en verenigingen te vormen, wat bijdroeg aan de revolutie in 2011. Maar dat is allemaal hardhandig de kop in gedrukt. En het heeft nooit lang genoeg bestaan om wortel te schieten.”

“Er zijn wel een heleboel betrouwbare individuen op wie we ons kunnen richten voor expertise en leiderschap. En er zijn minstens twee solide instellingen die werken aan ontwikkeling van uitvoerbaar alternatief beleid: Egyptian Initiative for Personal Rights en Alternative Policy Solutions, een project onder de paraplu van de Amerikaanse Universiteit in Caïro. Dus als de dag komt dat er een nieuw systeem aan de macht is, dan is er beleid om dat systeem te ondersteunen.”

Vanuit Europa lijkt niet veel druk te worden uitgeoefend op het regime van Sisi.

“Europese regeringen hebben een sterke casus om wapenverkoop aan Egypte te bevriezen, en om Egypte aan te spreken op mensenrechtenschendingen. Egypte heeft allerlei VN-verdragen ondertekend, maar negeert ze volledig. Vooralsnog wordt er in Europa echter veel geld verdiend aan Egypte, uit de verkoop van wapens en gas, en uit grote deals van bedrijven (ENI in Italië, Siemens in Duitsland en British Petroleum in het Verenigd Koninkrijk). Daarnaast: wat ook ‘the deal of the century’ voor Palestina is, president Sisi is nodig bij de uitvoering ervan. Het Westen is verder geporteerd van het beeld van ‘de goede moslim die de slechte moslim bestrijdt’, daar in het Midden-Oosten, ver weg van het Westen. Sisi verkoopt Europa het idee dat hij terrorisme bestrijdt én een heleboel vluchtelingen tegenhoudt die de Middellandse Zee over willen. Daarom sluiten Europa en de Verenigde Staten de ogen voor zijn totale minachting voor mensenrechten en democratie, en geven ze hem steun om aan de macht te blijven.”

Princess Margriet Award 2019 laureaten, ECF President HKH Prinses Laurentien en ECF Director André Wilkens (foto Maarten van Haaff voor ECF).

“Wat ik op dit moment het liefst zou willen van Europa is dat het visa beschikbaar stelt. Veel jonge mensen, jonge professionals, zijn getraumatiseerd door de revolutie. Ze waren erg betrokken en hebben soms in de gevangenis gezeten. Ik heb het niet over mijn neef, maar over anderen die nu leven met de angst om opnieuw gearresteerd te worden, of om zelfs totaal te verdwijnen. Die veel moeite hebben om werk te vinden omdat ze op een zwarte lijst staan. Die paniekaanvallen hebben en ’s nachts wakker worden met een mond vol bloed door het tandenknarsen. Ze zijn slim, ambitieus en gemotiveerd.”

Soueif raakt geëmotioneerd en veegt een traan weg. “Ze zouden een aanwinst zijn, waar ze ook verblijven.”

Bijna tweederde van de bevolking van het Midden-Oosten en Noord-Afrika is jonger dan 25 jaar. Is deze generatie anders dan de voorgaande?

“Je kunt natuurlijk niet generaliseren, maar over het algemeen is deze generatie heel slim. Dit zijn mensen die echt aan de wereld kunnen bijdragen, als ze een paar jaar op adem kunnen komen.” Ze beschrijft hoe juist degenen die zowel tegen het militaire regime als tegen het islamistische bestuur zijn het meest knel zitten. Ze hebben geen paraplu die hen beschermt, geen gelijkgestemden of organisatie om op terug te vallen. ” Het zou mooi zijn als Europese ngo’s, media en academische instellingen een aantal plaatsen beschikbaar stellen voor deze mensen. Om ze te redden.”

‘Europese’ waarden

Soueif, die haar tijd verdeelt tussen Egypte en het Verenigd Koninkrijk, was vanaf 2012 lid van de Raad van Toezicht van het British Museum. In juli van dit jaar trok ze zich terug. In haar verklaring lichtte ze toe bezwaar te maken tegen de onbuigzaamheid van het museum rond cruciale zaken. Het feit dat het British Museum sponsoring accepteert van British Petroleum (BP), in een tijd waarin kinderen over de hele wereld eisen dat klimaatverandering eindelijk bovenaan de politieke agenda komt. De manier waarop het museum omging met omstandigheden van geoutsourcete arbeiders en hen niet bijstond in hun rechten. En het zich niet publiek uitspreken over dekolonisatiezaken.

Soueif kreeg veel positieve respons op haar terugtreding, onder andere van het museumpersoneel. Haar boodschap raakte duidelijk een gevoelige snaar. “De meeste verzoeken uit de media gingen echter vooral over de teruggave van koloniale kunst. Maar ik ga echt niet met mijn voeten stampen en eisen dat alles wordt teruggegeven, zoals ze blijkbaar van mij verwachtten. Ik stuurde de discussie steeds weer terug naar BP en hun poging tot imagoverbetering door steun aan de kunsten. Ik stuurde het terug naar het klimaat, naar de eisen van jongeren, naar de verantwoordelijkheid van publieke instellingen ten opzichte van hun personeel.”

Frappant is dat de redenen waarom je terugtrad zijn gemotiveerd door wat men graag ‘Europese waarden’ noemt.

“Die toe-eigening van waarden is interessant. Ik herinner me een televisie-interview met de Palestijnse intellectueel Edward Said en de Joodse musicus Daniel Barenboim. Je weet dat ze goede vrienden waren. Tijdens het gesprek zegt Daniel iets over Joodse waarden. Edward onderbrak hem onmiddellijk. ‘Wat zijn nou toch Joodse waarden? Denk je dat wij Arabieren naar school gaan en andere waarden leren? Arabische waarden, die gedegenereerd zijn?’ Zo krijgen wij dus te horen dat X, Y en Z Europese waarden zijn, maar zien we een Europa dat ze zelf niet toepast!”

Soueif ondersteunt ook de Palestijnse BDS-beweging (Boycot, Desinvesteringen en Sancties), en daar wordt ze voor bekritiseerd. De beweging heeft als doel om een eind te maken aan internationale steun voor onderdrukking van Palestijnen door Israël, en om Israël onder druk te zetten zich aan het internationale recht te houden. In de Verenigde Staten en Duitsland is steun aan BDS gelijkgesteld aan antisemitisme. Maar er is een ommekeer in de publieke opinie. “Na mijn speech bij de ECF Princess Margriet Award spraken mensen me aan, positief verrast en geroerd dat ik over Gaza had gesproken. Maar ik geloof dat je elke kans die er is moet aangrijpen om over Gaza te spreken! Wat daar gebeurt is zo crimineel en zo schaamteloos.”

Ahdaf Soueif in vluchtelingenkamp Aida in Bethlehem (foto: Rob Stothard voor The Palestine Festival of Literature).

Iedereen is met elkaar verbonden

Veel van Soueifs werk gaat over de relatie tussen Europa en het Midden-Oosten. Daarmee is zij een van de kopstukken uit de cultuursector die aandacht vragen voor politieke en sociale processen. Ze schrijft in het Engels voor een internationaal publiek van lezers. In haar publicaties heeft ze de term ‘mezzaterra’ geïntroduceerd. In een geglobaliseerde wereld is alles met elkaar verbonden, en ieder van ons heeft invloed op het geluk of zelfs de dood van een ander. Mezzaterra is de grond waarop we wonen, waar iedereen welkom is, en die we moeten verdedigen en vergroten.

“Om effectief te zijn, moet de discussie over hoe Europa met de wereld omgaat overal plaatsvinden: in media, onderwijs en cultuur. Maar die discussie draagt vooral bij op de lange termijn. Voor de korte termijn heeft actie vanuit Europese regeringen het meeste effect. Blijf daarom druk uitoefenen op Europese regeringen, op parlementsleden. Stop met het bewapenen van Egypte. Laat Egypte zich verantwoorden voor het schenden van verdragen die het ondertekend heeft. Toon menselijkheid en solidariteit bij visumaanvragen.”

Ze drinkt haar cappuccino op en breed lachend haalt ze haar telefoon tevoorschijn. Ze strekt haar hand uit om een foto te laten zien van een twee jaar oud jongetje met donker haar en glanzende ogen. Hij zit op de grond tussen zijn blokken. Vrolijk vertelt ze dat ze in Caïro drie dagen per week op haar kleinzoon past. Buiten breekt de zon door en het water in de gracht glinstert. We nemen afscheid van Ahdaf Soueif en wensen haar een goede reis naar huis.

 


De ECF Princess Margriet Award for Culture, een initiatief van de European Cultural Foundation, wordt ieder jaar uitgereikt aan ‘mensen en organisaties die met moed en creatieve kracht nieuwe wegen voor Europa verbeelden’. Dit jaar ontving Ahdaf Soueif de prijs ‘voor haar onvermoeibare inzet op het snijvlak van literatuur en activisme. Haar fictie en haar journalistieke werk bieden inspiratie en gedachtegangen over Europa als plek waar andere werelden kunnen samenkomen. Ze heeft daarmee de leefwereld van het Midden-Oosten dichter bij het Europese publiek gebracht; het door haar opgerichte Palestijnse literatuurfestival is daar een voorbeeld van.’


 

Recente berichten

Recente reacties

    Archieven

    Categorieën

    Meta

    Deze website gebruikt cookies om uw ervaring te verbeteren. Door op de 'accepteer' knop of andere links in de site te klikken, geeft u aan hiermee akkoord te gaan.