Sjeik Ibrahim Ibn Abdallah, een ‘deelnemende waarnemer’ in Egypte, Nubië en Arabië (2)

Jarenlang had Johann Ludwig Burckhardt zijn expeditie in opdracht van de African Association in Londen gepland en voorbereid –  eerst in Londen en Cambridge, later in het Midden-Oosten en Afrika. Hij reisde tussen 1809 en 1817 naar Syrië, de Hidjaz, de Levant en Egypte. Als ‘deelnemende waarnemer’ en geleerde reiziger studeerde hij Arabisch, verzamelde hij manuscripten, ontdekte en beschreef hij antiquiteiten en oude vindplaatsen, en hield hij een reisdagboek bij met gedetailleerde etnografische, culturele, antiquarische, geografische, economische, politieke en wetenschappelijke observaties.

Zijn gepubliceerde reisverslagen en brieven, maar ook talrijke handgeschreven legaten geven een beeld van zijn persoonlijkheid, zijn contacten en zijn werk. En dat werk is zo veelzijdig, het onderzoek dat hij verrichte zo alomvattend, dat het ruim een eeuw lang niet zou worden overtroffen. De aantekeningen van Burckhardt zijn nog steeds verplichte leeskost voor iedereen die een uitgebreide studie wil maken van bijvoorbeeld de geschiedenis van Saudi-Arabië.

Robinson Crusoe in het Arabisch vertaald

Eigenlijk was het niet de carrière die hij zich in zijn ouderlijke huis in Bazel en later aan de universiteiten in Göttingen en Leipzig had voorgesteld. De omwentelingen in Europa na de Franse revolutie waren een streep door de rekening geweest voor de jonge, in een rijke koopmansfamilie opgegroeide Burckhardt.  Hij was voorbestemd het handelshuis van zijn vader in Bazel over te nemen, maar Europa verkeerde de greep van Napoleon.

Het lukte Burckhardt echter om de door Frankrijk opgelegde continentale barrière te trotseren en Engeland te bereiken, waar hij een baan in diplomatieke dienst van Groot Brittannië dacht te kunnen krijgen (toentertijd niet ongebruikelijk). Maar in Londen zat niemand op Burckhardt te wachten. Hij verviel in bittere armoede – wat blijkt uit zijn brieven naar Bazel (Briefe an die Eltern) – tot hij hoorde van een onderzoeksopdracht voor de British Association for the Discovery of the Interior Parts of Africa – kort: de African Association.

De opdracht luidde: verkenning van de handelsweg tussen Cairo en Timboektoe. Daarvoor zou hij zich bij de zogenaamde Fessan-Karavaan moeten aansluiten, die goederen van Egypte naar Centraal Afrika vervoerde. Burckhardt  kende overigens een voorganger: de Duitser Friedrich Konrad Hornemann, die in 1797 met dezelfde opdracht vanuit Egypte was vertrokken, maar van wie sinds zijn laatste brief van 5 April 1800 niets meer was vernomen.

Pas zo’n twintig jaar later zou Burckhardt te weten komen wat Hornemann waarschijnlijk was overkomen: hij zou bijna de benedenloop van de Niger hebben bereikt, maar daar aan dysenterie zijn gestorven.

In Cambridge bezocht Burckhardt lezingen over astronomie, chemie, mineralogie, en plantenleer, maar ook verwierf hij basiskennis in medicijnen om zichzelf te kunnen behandelen als hij iets opliep. In 1808 benutte hij de hittegolf in Engeland (met temperaturen van meer dan 35 graden) om zich tijdens lange wandeltochten op het klimaat in het Midden-Oosten voor te bereiden, en sliep hij op harde vloeren. Uiteraard blokte hij ook op het Arabisch, dat hij na zijn aankomst in Aleppo in Syrië drie jaar lang verfijnde, naast het bestuderen van de Koran en de Soenna van de profeet Mohammed. Hij vertaalde Daniel Defoe’s Robinson Crusoe zelfs in het Arabisch.

Natuurlijk had Burckhardt een accent, maar dat kon hij verklaren door zich voor een Indische koopman uit te geven. Uit de brieven naar Bazel blijkt dat hij één keer bewijzen moest dat hij ook Indisch sprak en toen in het Zwitserduits (Schwyzertütsch) wat absoluut onverstaanbare zinnen sprak. Zijn interesse voor het Arabisch ging veel verder dan het leren van de taal: in zijn tijd in Syrië begon hij waardevolle handschriften te kopen en uiteindelijk bedroeg zijn verzameling rond 300 banden die hij per testament aan de universiteit van Cambridge vermaakte.

Sjeik Ibrahim Ibn Abdallah (Foto ter beschikking gesteld door het historische museum Bazel)

Onderzoek naar de wortels van de ‘westerse civilisatie’

Zoals in deel 1 al vermeld, was archeologie niet alleen een moderne wetenschap, maar ook een koloniale discipline, geleid door buitenlanders die hun aanwezigheid rechtvaardigden met ‘onderzoek naar de wortels van de westerse civilisatie’. In de tijd van Burckhardt waren de enige aanknopingspunten voor Midden-Oostenstudies nog steeds de Bijbel en oude Griekse of Romeinse teksten. De uitgever van Burckhardts notities, John Murray, merkte in 1822 op: ‘De nieuwe informatie van Burckhardt bevat veel feiten met betrekking tot de geografie en natuurlijke historie, die wellicht nuttig zijn bij het volgen van de Bijbelse route van de Israëlieten van Egypte naar Syrië’.

Zo ontdekte Burckhardt dat de enige plaatsen in de Sinaï waar manna van de tamariskboom wordt geoogst, precies overeenkomen met dat deel van de ‘woestijn van Sin’ (ten zuidoosten van Gaza), waar Mozes zijn volgelingen de zoete substantie die ze ’s morgens hadden verzameld liet meenemen, zodat die hen tijdens hun lange omzwervingen als brood kon dienen. Dat was het voedsel dat God volgens de Hebreeuwse Bijbel aan de Israëlieten gaf toen Mozes hen door de Sinaïwoestijn leidde naar het beloofde Land. Het verhaal staat overigens ook in de Koran.

De Wilderness of Sin was ook de plaats waar de Engelsen Thomas Edward Lawrence (Lawrence van Arabië) en Leonhard Wooley in 1915 begonnen met archeologische opgravingen in opdracht van de Palestine Exploration Fund. De eigenlijke opdracht was echter om dit gedeelte van de woestijn in kaart te brengen teneinde de Britse invasie van Jeruzalem voor te bereiden. Burckhardt was daar al honderd jaar eerder, met een soortgelijke opdracht.

Palestina, Egypte, Nubië, Mekka

Na drie jaar in Syrië was Burckhardt klaar voor het eigenlijke doel van zijn reis: De weg van Cairo naar Timboektoe. Vanaf Damascus reisde hij via Gaza naar Cairo, waarbij hij ongebruikelijke routes nam (waardoor hij de stad Petra herontdekte). Op doorreis in Palestina legde hij even aan in Nazareth, waar hij de beroemde Engelse reizigster Lady Hester Stanhope ontmoette, een opmerkelijke vrouw – bekend als “The desert Queen’ (waar nog geen Netflix-drama van is verschenen) – die een uitstekend netwerk had in Syrië, Arabië en Egypte en over wie intussen meerdere boeken zijn geschreven.

In Cairo aangekomen moest Burckhardt concluderen dat de handelskaravaan van Fessan al een aantal jaren niet was verschenen vanwege een epidemie in centraal Afrika. Om niet zinloos te wachten, besloot hij  – met toestemming van de African Association – een reis naar Nubië te maken (Travels in Nubia, in 1819 uitgegeven). Tijdens deze reis in het diepe zuiden van Egypte ontdekte hij de Tempel van Aboe Simbel van farao Ramses II uit de 13de eeuw v.Chr.

In de lente van 1814 ondernam Burckhardt een nieuwe reis. Doel was deze keer een pelgrimstocht naar Mekka. Hij nam de route van Nubië over de Rode Zee naar Djedda. Van daar ging hij als pelgrim naar Mekka, waar hij drie maanden bleef en uiterst precieze notities maakte. In deze tijd ontstond een tweedelige monografie over de Wahabieten, Notes on the Bedouins and Wahabys, Collected During His Travels in the East dat in 1831 werd uitgegeven.

Het leven van de bedoeïenen en de geloofsrichting van de Wahabieten interesseerden hem bijzonder. Zo’n alomvattend onderzoek als het zijne is daarna meer dan honderd jaar niet meer gepleegd. De aantekeningen van Burckhardt zijn nog altijd onmisbaar leesvoer voor wie zich uitgebreid in de geschiedenis van Saoedi-Arabië wil verdiepen.

Burckhardts tweedelige monografie over bedoeïenen den de Wahabieten

Ook toen Lawrence van Arabië in 1916 – dus honderd jaar later – de bedoeïenen van de Hidjaz tot een opstand tegen de Osmanen kon bewegen, was Burckhardts werk nog steeds een van de weinige aanknopingspunten.

In Mekka nam hij deel aan alle rituelen, maar bleef hij een ‘deelnemende waarnemer’ die alles nauwkeurig noteerde en ook schetsen maakte van de belangrijkste gebouwen van de stad. Hij stelde zich op de hoogte van aankomende karavanen, hun routes en aankomsttijden.

Hadj-oorkonde Sjeikh Ibrahim (Universiteitsbibliotheek Bazel)

Burckhardt was nu een ‘Hadji’ – een eretitel voor wie de pelgrimstocht naar Mekka heeft volbracht. De Hadj is één van de vijf zuilen van de Islam, en dus verplicht voor alle gezonde, volwassen moslims die over voldoende geld beschikken – wat rond 1814 voor maar heel weinig moslims gold. Toch waren er tijdens Burckhardts Hadj rond 70.000 pelgrims in Mekka. De Hadj-oorkonde ‘voor Sjeik Ibrahim Ibn Abdallah’ wordt bewaard in de universiteitsbibliotheek van Bazel.

Arabische spreuken en wijsheden

Na de Hadj wilde Burckhardt ook Medina bezoeken, waar het graf van de Profeet Mohammed ligt. Omdat de Sherif van Mekka, Mohamed Ali, een veldtocht tegen de Wahabieten plande moest hij nog een extra maand in Mekka blijven. Daarna pas sloot hij zich aan bij een karavaan naar Medina.

Onderweg probeerden enkele pelgrims uit Maleisië melk te kopen bij bedoeïenen, wat deze weigerden. Burckhardt, die ook al een boek over Arabische spreuken en idiomen had geschreven (Arabic Proverbs, or the manners and customs of the modern Egyptians), wist dat het onder bedoeïenen als schandelijk gold om melk te verkopen, dus ruilde hij zijn meegenomen beschuit in tegen de geitenmelk.

Burckhardts schets van de gebouwen in Mekka

In Medina werd Burckhardt erg ziek. Pas in 1815, nog steeds zwak, reisde hij per schip naar Ras Mohammed in het uiterste zuiden van de Sinaï, waar hij via Sharm El Sjeikh de weg over land naar Cairo nam. Omdat daar en in Suez de pest was uitgebroken, verbleef hij nog een tijd in de oase Tur buiten Cairo.

Op 24 juni 1815 keerde hij na anderhalf jaar terug naar Cairo. Aldaar liet de Karavaan naar Timboektoe weer op zich wachten, en dus maakte Burckhardt nog meerdere reizen, door de Sinaï maar ook naar Alexandrië, waar hij hoopte dat de zeelucht hem goed zou doen.

In het huis van de Britse Consul ontmoette hij er Ernest Missett, de lijfarts van Lady Hester Stanhope. In diens aanwezigheid uitte hij zich zeer kritisch over het excentrieke gedrag van de Britse edelvrouw, die zich in Saïda (Syrië/Libanon) als lokale heerser opwierp. Dit zorgde ervoor dat Lady Hester Stanhope bij de African Association een lastercampagne tegen Burckhardt begon. De leden van de Association gingen daar niet op in omdat Burckhardt in de jaren ervoor zijn integriteit had bewezen.

In februari 1816 deelde hij de African Association mee dat de Karavaan van Fessan nog steeds niet in Cairo was aangekomen, en ging hij daarom op nieuwe reizen door de Sinaï naar de Golf van Aqaba, maar ook naar het Katharinaklooster. Hij beklom de Mozesberg waar Mozes de Tien geboden van God zou hebben ontvangen. Op het kloosterterrein bevindt zich ook een moskee uit 1106 die het klooster tegen moslims moest beschermen. De moskee wordt echter niet gebruikt; de mihrab (gebedsnis die de gebedsrichting aangeeft) is namelijk niet naar Mekka gericht.

Dood in Cairo

Terug in Cairo in 1817 werd Burckhardt weer ziek. Op 15 oktober liet hij de beroemde Britse reiziger en diplomaat Henry Salt naar zijn huis komen om instructies over zijn erfenis te geven. Nog dezelfde nacht stierf hij en de volgende dag werd de geleerde, Hadj, en sjeik Ibrahim op de begraafplaats Bab el Nasr volgens de islamitische ritus begraven. En zijn graf is daar nog steeds.

Burckhardts reisbeschrijvingen werden in het Duits vertaald omdat ze belangrijke informatie over ‘Bijbelse Geografie’ bevatten. Voor cartografen was het werk ook uiterst interessant. De Nederlandse officier Charles William Meredith van der Velde (1818-1898) schreef herhaaldelijk dat Burckhardts reisberichten essentieel waren voor het in kaart brengen van Palestina.

Burckhardt werd in Europa vooral bekend door de herontdekking van Petra en Aboe Simbel. In 1991 kreeg hij postuum een onderscheiding toegekend door Koningin Nur Al-Hussein van Jordanië die door de Burckhardt- stichting in Bazel in ontvangst werd genomen en in de  permanente tentoonstelling in het ouderlijke huis van Burckhardt in Bazel, het Haus zum Kirschgarten, nog steeds te zien is. De opdracht van de African Association –  verkenning van handelswegen van Cairo naar Timboektoe – kon Burckhardt nooit uitvoeren (dertig jaar later ontdekten de Britten uit dat de handelsweg van Cairo naar Timboektoe compleet ongeschikt was); maar zijn beschrijvingen over Syrië, het Libanongebergte, Palestina, de Sinaï, Arabië en Nubië zijn zo waardevol dat ze nog vele mensen zullen bezighouden.

Onafhankelijkheidsmedaille postuum toegekend aan Burckhardt door het Koningshuis van Jordanië

Vooral tegenwoordig vragen velen zich af of Burckhardt daadwerkelijk moslim was geworden of dat dit een deel van zijn dekmantel was. Alleen in recente beschrijvingen wordt betwijfeld dat hij het islamitische geloof oprecht had omhelsd. Zo ook in de documentaire over Burckhardt van de Duitse Zender ZDF (Terra X). In brieven naar Bazel schreef hij echter dat hij na beëindiging van zijn missie naar Loden wilde terugkeren omdat ‘ze daar zeker een goede baan voor mij hebben’. In 1816 was dit in ieder geval geen thema. Het interesseerde in Londen maar ook in Bazel niemand welke God Burckhardt aanbad. Dat is de laatste twintig jaar pas een halszaak geworden.

Lees hier deel 1.

Sjeik Ibrahim Ibn Abdallah, een ‘deelnemende waarnemer’ in Syrië en Libanon (1)

‘Ik verliet Aleppo in de middag; na een half uur kwam ik aan in het miserabele dorpje Sheikh Anszary, waar ik afscheid nam van mijn waardevolle vrienden, de heren Barker en Van Masseyk, de Engelse en Nederlandse Consul in eredienst van hun landen. Ik passeerde twee grote waterreservoirs genaamd Djob Mehawad en Djob Emballat en bereikte na ongeveer twee uur de karavanserai Khan Touman bij het plaatsje met dezelfde naam, gelegen aan de Koeyk – Aleppo-rivier. De karavanserai is in slechte staat; de Pasha’s denken er niet meer aan om openbare gebouwen te repareren.’

Zo begint het bericht van Johann Ludwig Burckhardt over zijn reis van februari tot en met maart 1812 aan zijn superieuren in Londen, dat pas meer dan tien jaar later in gedrukte vorm zal verschijnen als het hoofdstuk Journal of a Tour from Aleppo to Damascus, through the Valley of the Orontes and Mount Libanus in het werk Travels in Syria and the Holy Land (1822).

Een ontdekker tegen wil en dank

Dat Burckhardts vrienden John Barker en Jan van Masseyk buiten de stad Aleppo afscheid nemen heeft een reden. Burckhardts missie is uiterst geheim en ook duur. De British Association for the Discovery of the Interior Parts of Africa (African Association), stond onder leiding van Sir Joseph Banks, de voorzitter van de Engelse Royal Society. (Banks maakte naam tijdens de natuurhistorische expeditie in 1766 naar Newfoundland en Labrador en hij nam deel aan de eerste grote reis van kapitein James Cook (1768–1771). De African Association betaalde deze onderneming en had veel geld in de jongeman geïnvesteerd.

In 1812 was Burckhardt al drie jaar in Aleppo om zich voor te bereiden op zijn eigenlijke taak: voor de Engelsen de route van Caïro naar Timboektoe onderzoeken en van daaruit naar de monding van de Niger. Al zijn voorgangers waren bij dezelfde missie om het leven gekomen: door ziekte of moord. Burckhardt had Banks ervan kunnen overtuigen dat het doel alleen bereikt kon worden door een perfecte dekmantel  aan te nemen, de taal en gebruiken onberispelijk te beheersen en zelfs het geloof – de islam – te internaliseren. Zo nam Burckhardt – na zich een jaar lang aan de Universiteit Cambridge te hebben voorbereid – al bij zijn aankomst in 1809 op Malta de naam Ibrahim Ibn Abdallah aan.

Tijdens zijn voorbereidingstijd in Syrië, Arabië en Egypte, werd hij een ontdekker tegen wil en dank. De ontdekkingen van Petra en Abu Simbel waren een welkome ‘bijvangst’. Nadat Napoleon met zijn expeditieleger tussen 1798 en 1801 Egypte bezette maakte hij ook een einde aan de Britse suprematie in de Middellandse Zee en zorgde hij kort voor een dominante rol van Frankrijk in de Levantijnse handel.

Napoleon had voor zijn Egyptische expeditie ook een deskundigengroep van bijna tweehonderd wetenschappers, ingenieurs, kunstenaars meegenomen. Hij legde het fundament voor een tijdperk waarin archeologie niet alleen een moderne wetenschap werd, maar ook een koloniale discipline, geleid door buitenlanders die hun aanwezigheid rechtvaardigden met ‘onderzoek naar de wortels van de westerse civilisatie’.

Burckhardt was niet alleen geïnteresseerd in ruïnes maar ook in oude Griekse inscripties op gebouwen. Zo ontdekte hij Bostra (Buṣra ash-Sham) in het zuidwesten van Syrië, de antieke stad Phaena waarvan de precieze ligging lange tijd onbekend was, maar die in de Romeinse Provincie Arabia Petraea lag.

Kaart uit 1851 van Syrië en Libanon door de illustrator Henry Warren (1794-1879)

Tegelijkertijd onderzochten de koloniale machten hoe ze ‘de ander’ konden controleren en beheersen en hoe de verschillende bevolkingsgroepen te identificeren waren. Dat was wat Burckhardt deed in opdracht van de African Association. De tijd van het ‘oriëntalisme’ brak aan: een term die later zou worden gebruikt ter aanduiding van de dominante westerse opvatting van de Oriënt, oftewel het Oosten in culturele zin, zoals die ontstaan is in de tweede helft van de negentiende eeuw (Edward Said); de tijd van de mondiale kolonisatie door de grote westerse mogendheden die in de jaren na Burckhardts reizen op gang zou komen. De Engelsen veroverden Egypte in 1882.

Europa in revolutionaire tijden als verbindend element

Hoewel Burckhardt het afscheid – voor altijd – van John Barker, Jan van Masseyk  heel nuchter en emotieloos beschrijft, moet hij met na drie jaar een hechte vriendschap met hen hebben ontwikkeld. Burckhardt was zelfs peetoom van de in 1811 geboren zoon van de Barkers. Eén ding is zeker: ze deelden een haat jegens Napoleon waarover Burckhardt vaak aan zijn ouders (‘Briefe an die Eltern’) in Bazel schreef.

Het Europa van toen was niet minder chaotisch en gevaarlijk dan het Midden-Oosten van vandaag. Het Holland van Van Masseyk was al 1795 door Franse troepen bezet en de eerste Bataafse republiek werd al in 1806 door  Napoleon opgeheven en veranderd in het Koninkrijk Holland, dat zou worden bestuurd door Napoleons broer Lodewijk-Napoleon. Het Koninkrijk Holland moest in 1810 op zijn beurt plaats maken voor een rechtstreekse annexatie door Frankrijk.

Burckhardts thuisstad Basel werd in 1797 in de ‘dochterrepubliek’ (Helvetische republiek) ingelijfd bij het revolutionaire Frankrijk. Zijn vader – een rijke koopman – moest als antirevolutionair vluchten en de jonge 15-jarige Johann Ludwig kon alleen nog maar studeren in het Pruisische Neuchâtel. Later werd hij naar de universiteiten Leipzig en Göttingen in de nog niet door Napoleon bezette gebieden gestuurd. Hij heeft zijn familie nooit meer gezien, maar bleef ermee corresponderen.

Over de in Izmir geboren Engelse diplomaat en botanicus John Barker is veel bekend; hij hielp de katoen- en zijdecultuur in Syrië verbeteren en introduceerde ook vaccinatie in het Midden-Oosten. Dat gebeurde tijdens een uitbraak van cholera in het noorden van Syrië. Burckhardt noemt – net als de Duitse reiziger Ulrich Jasper Seetzen (1767–1811) – de Hollandse consuls Nicolas en Jan van Masseyk. Over hen is in de archieven bijna niets te vinden. In het Nationaal Archief wordt de naam Van Masseyk in Aleppo tweemaal genoemd (een deel van de archieven uit Aleppo die later naar Beiroet zijn overgebracht zijn helaas bij een brand verwoest). Daarbij gaat het om een corruptiesschandaal waarover men kan nalezen dat ‘Van Masseyk werd vervangen door een Venetiaanse gezant‘ .(Generale Index op de Registers der Resolutien van de Heeren Staaten van Holland en Westvriesland, waar deze een ‘missive’ behandelen van de Directeuren van den Levantschen Handel).

Waarschijnlijk gaat het om Nicolas van Masseyk, de vader van consul Jan van Masseyk – de posities van consul werden vaak van vader op zoon doorgegeven.

Jan van Masseyk was door Napoleons broer Lodewijk Napoleon ontslagen, maar zat natuurlijk nog gewoon op zijn post in Aleppo. Hij zette de handel voort en kende Nederland waarschijnlijk nauwelijks.

Het embargo van het Franse Keizerrijk tegen Groot Brittannië – waartoe al onder het Franse Directoraat in 1796 was besloten – bracht de drie Europeanen in Aleppo samen. Dat John Barker een tijdje moest onderduiken bij de Druzen in het Libanese gebergte vanwege een Osmaans-Britse oorlog (1807-1809) zorgde ervoor dat Burckhardt later uiterst gedetailleerde analyses kon maken die bekend kwamen te staan als On the Political Division of Syria, and the recent Changes in the Government of Aleppo.

Dat klinkt al bijna als een titel uit het jaar 2020. Daardoor werd Burckhardt nog steeds genoemd in Britse militaire handboeken die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Britse inlichtingendienst waren opgesteld. Zijn rapporten bevatten details over de organisatie en stammengebruiken, oorlogsvoering, huwelijksrecht, het fokken van paarden en kamelen, religie en poëzie, de prijzen van levensmiddelen en handelswaren – en dat alles levendig ingekleurd door anekdotes.

Aleppo-Sarmeen-Idlib-Hama-Tripoli-Jbeil-Goutha-Damascus

Na zijn afscheid van Barker en Van Masseyck en zijn vertrek uit het ‘het miserabele dorpje Sheikh Anszary’ op 14 februari 1812 buiten de stad Aleppo, reisde Burckhardt als Ibrahim Ibn Abdallah naar Sarmeen en vandaar naar Idlib via Djissr Shogher (Dschisr asch-Schughur) over de weg naar Ladiqiya (Latakia) via Djebel Rieha (Djebel Zawiye) door het dal van de rivier Orontes naar Hama en vandaar naar Tripoli/Trablus. Daar verbleef hij tien dagen (‘very pleasantly’) om vervolgens via Jbail (Byblos) naar Damascus te reizen.

‘Ik passeerde Djebel Harissa’ richting de Bekaa-vallei, (waar hij al eerder was) via Djob Djennein, en Ghouta naar Damascus, waar hij op 22 maart 1812 aankwam. Onderweg schrijft hij over de stad Hosn (Al-Husn): Als Syrië ooit weer het theater van Europese oorlogsvoering wordt, zal dit kasteel een belangrijke positie zijn; in zijn buurt eindigt de Libanus en beginnen de bergen van Noord-Syrië; het is daarom noodzakelijk de communicatie van de oostelijke vlaktes naar de kust veilig te stellen’. Hij zou daarmee meer dan gelijk krijgen.

Het kasteel waarover hij spreekt is de middeleeuwse kruisvaardersburcht ‘Krak des Chevaliers’, vandaag de dag UNESCO-werelderfgoed, dat inderdaad door de Fransen in 1920 in beslag werd genomen, lang een van de grootste Syrische toeristenattracties was en in de recente oorlog in Syrië bekend werd door de Battle of Hosn (2014). Het doel van het Syrische leger was om de aanvoerroutes van de rebellen voor rekruten en wapens uit Libanon te onderbreken.

Het 'Krak des chevaliers, Foto Wikimedia/Xvlun

Burckhardt voorspelt de ‘Civil war in Syria’

Burckhardts reis voerde door het Libanongebergte, de heuvels tussen de oostkust van de Middellandse Zee en de bergketen met de beroemde ceders. Dit gebied, de Chouf, is eeuwenlang het thuisland geweest van de de Druzen, een bevolkingsgroep met een geheime esoterische leer. Sinds de tijd van de Verlichting hadden westerse reizigers veel belangstelling voor geheime religies. Op John Barkers aanbeveling was Burckhardt enkele dagen te gast bij emir Bashir Shihabs (Chehab) in zijn paleis in Beit ed-Din. Daar ontmoette hij ook het hoofd van de rivaliserende Druzen, sjeik Bahir Gunbalat (Joumblatt).

Burckhardt kon de explosiviteit van het conflict tussen Druzen en de Maronieten en andere Christenen niet in detail voorzien. Zijn diepgaande analyse van sociaal gevoelige situaties stelde hem echter wel in staat brandgevaarlijke politieke standpunten in zeer korte tijd correct te beoordelen. Zijn beschrijving van Druzische gebruiken en levenswijzen en zijn analyse van de rivaliteit tussen de twee belangrijkste autoriteiten van het Libanongebergte zijn ook vandaag de dag nog nuttig om de voortdurende spanningen tussen Druzen en Maronieten (resulterend in een reeks bloedbaden tussen 1825 en 1973) te begrijpen.

In 1860, iets meer dan 40 jaar na Burckhardts dood, begon een burgeroorlog in het Libanon-gebergte dat de New York Times ‘Civil War in Syria noemde omdat de uitwerking van deze oorlog in heel Syrië tot aan de stadsmuren van Damascus te merken was. Er volgde een internationale interventie onder leiding van Frankrijk. Op 5 september 1860 werden overeenkomsten bereikt met Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland, Pruisen en Oostenrijk.

Frankrijk zou voor de helft van de soldaten moeten zorgen. De Franse Generaal Beaufort d’Hautpoul leidde de ‘vredestroepen’ – je zou haast denken aan een ‘humanitaire interventie’ met Blauwhelmen –, maar de Fransen hadden uiteraard eigen belangen in Libanon die ver teruggingen. Al in de zestiende eeuw had de Franse koning François I een akkoord gesloten met de Osmaanse sultan, waardoor de christenen van Libanon onder Franse bescherming vielen. Het zou zomaar kunnen dat de Franse president Macron dit in gedachten hield, toen hij een dag na de explosies in de haven van Beiroet van 4 augustus meteen naar Libanon reisde.

Het Franse korps bestond uit 6000 soldaten. De mannen landden op 16 augustus 1860 in Beiroet en bleven tot juni 1861. Groot Brittannië protesteerde tegen deze lange aanwezigheid, maar dat had geen zin. Een van de zeer belangrijke langetermijngevolgen was dat de nieuwe ‘autonomie’ van Libanon ten opzichte van het Osmaanse Syrië de kern van de conflicten in het huidige Libanon werd. Burckhardt had deze voorspeld. In zijn Journal of a Tour from Aleppo to Damascus, through the Valley of the Orontes and Mount Libanus schrijft hij: Het behoeft nauwelijks betoog dat veel van de sekten die Europa in de vroege tijden van het christendom aan stukken hebben gescheurd, nog steeds bestaan in deze landen: Grieken, Katholieken, Maronieten, Syriërs, Chaldeeën en Jakobieten, die allemaal hun eigen parochies en kerken hebben. Omdat ze niets kunnen doen tegen de religie van hun hooghartige heersers, de Turken, keren ze de enige wapens die ze bezitten, schandalen en intriges, vol woede tegen elkaar, en elke sekte is gek genoeg om te geloven dat haar kerk zal bloeien op de ruïnes van die van hun ketterse broeders’. Dat klinkt eigenlijk als de situatie waarin Libanon vandaag de dag nog steeds verkeert. De Joumblatts en Chehabs zijn nog steeds rivaliserende families in Libanon.

The Political Division of Syria, and the recent Changes in the Government of Aleppo’

In de al genoemde beschrijving On the Political Division of Syria, and the recent Changes in the Government of Aleppo gaat Burckhardt in op de machtsverhoudingen in het Osmaanse Syrië. Een Syrië dat honderd jaar later door Frankrijk en Groot Brittannië met het geheime Sykes-Picot akkoord van 1916 werd opgedeeld, zich in 1812 nog van Anatolië naar Aqaba aan de Rode Zee uitstrekte, en geheel Syrië, Jordanië en Palestina omvatte.

Burckhardt beschrijft de invloedssferen van de verschillende beylerbeyliks of pashaliks, de primaire administratieve indelingen van het Ottomaanse rijk in Syrië:  ‘De Pashaliks zijn vijf in aantal. Tot de Pashalik van Aleppo behoort de regering van Aintab (vandaag Gaziantep), Badjazze, Alexandretta (İskenderun) en Antakia. Damascus regeert over Hebron, Jeruzalem, Nablus, Bostra, Homs en Hama. De Pashalik van Tripoli strekt zich uit langs de zeekust van Jbail tot Latakia; die van Saida (Sidon) of Akka, van Jbail tot bijna Jaffa, inclusief de bergen die door de Druzen worden bewoond. De Pasha van Gaza regeert in Jaffa en Gaza, en in de aangrenzende vlakten. De huidige Pasha van Damascus is tegelijkertijd Pasha van Tripoli en bezit daarom het grootste gedeelte van Syrië. De Pashalik van Gaza is momenteel bij die van Akka gevoegd.’

Dat was, in de woorden van Burckhardt, de nominale verdeling van Syrië. ‘Maar,’ zo voegde hij eraan toe, ‘de macht van de Porte (het Hof van de Sultan in Istanbul) is in dit land zozeer aan het afnemen, vooral sinds de tijd van Djezar Pasha van Akka, dat er een aantal kleine onafhankelijke leiders zijn opgestaan, die hun soeverein trotseren. Badjazze, Alexandretta en Antakia hebben elk een onafhankelijke Aga. Aintab, ten noorden van Aleppo, hebben Idlib en Shogre (Dschisr asch-Schughur), op weg van Aleppo naar Latakia, hun eigen leiders, en pas vorig jaar slaagde de Pasha van Damascus erin Berber te onderwerpen, een formidabele rebel, die zijn zetel had gevestigd in Tripoli, en het daar de afgelopen zes jaar had uitgehouden.’

De Pasha’s volgden dezelfde praktijk: ‘Het is waar dat noch de Pasha van Damascus, noch die van Akka het openlijk hebben aangedurfd de standaard van de rebellie op te richten; zij genieten de voordelen van de bescherming van de hoogste regering, maar zij zijn veel meer afhankelijk van hun eigen kracht dan van de grillen van de Sultan, of van hun intriges aan het Hof van de Sultan voor de voortzetting van hun macht.’

Het beleid van de Porte, aldus Burckhardt, ‘is om degenen die ze niet kan ruïneren te vleien en met eer te overladen, en te wachten op een gelukkig ongeluk waardoor ze haar macht kan herwinnen; maar vooral om een formele breuk te vermijden, die enkel maar haar eigen zwakte zou blootleggen,  en de Pasha’s en hun onderdanen zou vergiftigen met ideeën van rebellie. De Pasha’s van Damascus en van Akka blijven formeel plichtsgetrouwe onderdanen van de Sultan; en ze sturen zelfs aanzienlijke sommen geld naar Constantinopel om de jaarlijkse verlenging van hun ambten te verzekeren.

Zulke beschrijvingen uit het jaar 1812 zijn voor Syrië uniek en zeer uitvoerig. Burckhardt ondernam – meestal lopend, zelden te paard of op een ezel – ook excursies naar het Haroun-gebergte en de bergen naar het Oosten en Zuidoosten van het meer van Tiberias. Hij beschreef  een reis van Damascus door de bergen van ‘Arabia Petraea’ (oude Romeinse benaming) en de woestijn El Ty naar Caïro in de zomer van 1812; en de reis naar de berg Sinaï, in het voorjaar van 1816. Maar daar blijft het niet bij. Burckhardt  alias Ibrahim Ibn Abdallah was als ‘deelnemende waarnemer’ diep in het sociale, religieuze en culturele leven van het Midden-Oosten gedoken. Een leven waar hij nooit meer uit zou komen.

In deel twee over de reizen van Johann Ludwig Burckhardt alias Sheikh Ibrahim Ibn Abdallah wordt uitvoerig ingegaan op de ontdekkingen in Nubië, de Hidjaz (Saudi-Arabië) en Burckhardts pelgrimstocht naar Mekka en Medina, en zijn precieze beschrijvingen over bedoeïenen en Wahabieten (die nog vandaag grote invloed hebben op onder meer het Saudische koningshuis) en zijn verzameling Arabische geschriften en antiquiteiten.

‘Vier Seizoenen Damascus’ toont de beklemmende realiteit in Syrië – en de duivelse dilemma’s van hulpverleners

Eén gevolg van die beperkte toegang is dat concrete informatie over gebeurtenissen binnen Syrië ons maar mondjesmaat bereikt. Het boek Vier Seizoenen in Damascus: Verslag van een Land in Oorlog, dat medio november uitkwam, geeft een zeldzaam inkijkje in het werk van humanitair medewerkers in Syrië.

Schrijfster Fernande van Tets vertrok in het voorjaar van 2018 naar het land om voor een jaar als communicatiemedewerker voor de UNRWA – het VN-orgaan dat verantwoordelijk is voor de vele Palestijnse vluchtelingen in het Midden-Oosten – aan de slag te gaan. Na enkele jaren als journaliste in Beiroet verslag te hebben gedaan van de Syrische burgeroorlog, nam zij deze baan aan in de hoop te kunnen bijdragen aan verbetering van de levensomstandigheden van de Syrische bevolking.

In het boek tekent zij haar ervaringen in Syrië als VN-medewerker tussen 2018 en 2019 op en bespreekt zij de vrijwel onoplosbare dilemma’s waarmee de VN en haar medewerkers in het land geconfronteerd worden.

De kracht van het boek Vier Seizoenen in Damascus zit vooral in het feit dat Van Tets op zeer toegankelijke wijze inzage biedt in de situatie in Syrië gedurende de afgelopen jaren en in de pogingen van de internationale gemeenschap om hulp te bieden. Hoewel de auteur naar Damascus toog om vanuit haar functie hulp te bieden aan Palestijnse Syriërs, beschrijft zij vooral hoe het werk van de VN gefrustreerd wordt door het regime van Bashar al-Assad.

De VN kan alleen opereren in het land met goedkeuring van Assad. Om hulp te bieden aan bevolking in nood, moet  de organisatie het regime telkens weer om toestemming verzoeken. Deze verzoeken blijven echter veel te vaak onbeantwoord (volgens Van Tets in zeker de helft van de gevallen) en bovendien gebruikt de regering noodhulp zelfs als drukmiddel voor Syriërs in bezette gebieden.

Alleen na totale overgave aan het regime worden hulpgoederen en hulpverleners een gebied binnengelaten. Elke keer dat Van Tets Damascus verliet om andere steden te bezoeken, werden zij en haar collega’s scherp in de gaten gehouden en al dan niet vergezeld door een gezant van de overheid. Vrijuit praten met de bevolking was tijdens zulke bezoeken vrijwel onmogelijk, een kritisch verhaal van een burger over het regime aanhoren ronduit gevaarlijk voor de persoon in kwestie.

Vier Seizoenen in Damascus. Verslag van een land in oorlog

De Syrische politiestaat werd al lang voor de oorlog gecreëerd, onder het bewind van Hafez al-Assad (de vader van Bashar). Van Tets laat zien hoe diep de huidige samenleving doordrongen is van angst en benauwdheid over het feit dat je er altijd vanuit moet gaan dat je wordt afgeluisterd.

De passages waarin de auteur uitweidt over de constant aanwezige dreiging zijn ronduit Orwelliaans. Mensen die zonder duidelijke reden of waarschuwing verdwijnen en niet meer terugkeren, een plotselinge geur van ontlasting op straat die wijst op de nabijheid van een geheime politieke gevangenis, het feit dat Van Tets gedurende haar jaar in Damascus niets telefonisch prijs durft te geven aan familie en vrienden over de situatie, uit angst haar visum kwijt te raken.

Deze verhalen worden alleen nog maar bevestigd door een item dat recentelijk in het nieuws  was: Assads handlangers zouden zelfs in Nederland actieve Syrische Nederlanders intimideren. Nu Assad de oorlog feitelijk gewonnen heeft, is er bovendien van ‘oorlog’ in Syrië geen sprake meer, maar wordt er alleen nog gerefereerd aan ‘de crisis’. Dat deze zogenaamde crisis aan miljoenen Syriërs familieleden, vrienden, gezondheid, huizen en inkomsten kwijtraakten, wordt verzwegen, terwijl een kleine nieuwe elite – trouw aan het regime – zich verrijkt aan het conflict.

Vier Seizoenen in Damascus is geschreven voor een Nederlands publiek. De schrijfster maakt zich zorgen over stemmen die aansturen op het idee dat Nederlandse Syriërs ondertussen weer terug zouden kunnen naar hun thuisland. Deze uitspraken werden gedaan naar aanleiding van Bashar al-Assads eigen bewering dat het veilig is voor Syriërs in het buitenland om terug te keren. Door inzicht te geven in de huidige situatie, wil Van Tets duidelijk maken dat terugkeer onmogelijk is voor nagenoeg alle in Nederland woonachtige Syriërs en dat dat hoogstwaarschijnlijk zo blijft.

Een belangrijke boodschap, die Nederland moet horen.

Hiermee blijft echter een ander publiek onaangesproken. Welke boodschap moeten de Verenigde Naties (en de internationale humanitaire gemeenschap als geheel) uit dit boek destilleren? Het is algemeen bekend dat de VN grote steken heeft laten vallen in de casus Syrië, maar Vier Seizoenen in Damascus biedt ook inzicht in dagelijkse problemen en dilemma’s waar de VN mee te maken krijgt in het land. Kies je voor integriteit en riskeer je het land uitgezet te worden door het regime? Of pas je je aan de eisen van een mensenrechtenschender, om zo toch nog iets te kunnen doen voor mensen in nood? Dit dilemma kwelt humanitaire medewerkers in Syrië, een dilemma waar geen bevredigend antwoord op is te vinden. Wel mag het duidelijk zijn dat er grove fouten zijn gemaakt in de respons op de Syrische burgeroorlog.

Voor Van Tets wordt het werk in Syrië uiteindelijk teveel. De houdgreep waarin Bashar al-Assad de humanitaire gemeenschap houdt, leidt tot een situatie waarin een hulpverlener nauwelijks haar werk kan doen. De VN geeft volgens Van Tets geen enkel tegengas en is overgeleverd aan de grillen van het regime. De auteur heeft het over een uitzichtloze situatie als ik haar kort na de publicatie van haar boek spreek. Nadat zij het land in 2019 verliet , is de situatie alleen nog maar schrijnender geworden, zegt ze. Ze zou het graag anders zien, maar heeft helaas weinig hoop voor verandering in de nabije toekomst.

De Arabische Lente van de hele wereld

Deze maand is het tien jaar geleden dat een wanhoopsdaad van een Tunesische fruitverkoper, die zichzelf in brand stak, de zogeheten Arabische Lente inluidde. Een lente die volgens een veelgehoord cliché ‘op een winter uitdraaide’: het volk dat opstond tegen zijn despoten kreeg – op een enkele uitzondering na – niet de democratie die het in veel gevallen eiste.

Wat kreeg het wel? Nog ergere despoten, burgeroorlogen, alsmede stereotyperingen over een regio ‘die altijd al in oorlog is geweest en misschien wel altijd in oorlog zal blijven’. Gewichtige analyses van sombere deskundigen die voorspellen dat het eerst nog erger zal moeten worden voordat er sprake kan zijn van verbetering. Zo is het immers ook in Europa gegaan. Democratisering gaat van “au”!

Een alternatieve lezing is dat de opstanden wel degelijk iets opleverden: de kunsten in de Arabische wereld zijn gaan bloeien, de poorten van de geest hebben zich geopend, en ook is er onmiskenbaar sprake van positieve maatschappelijke veranderingen, zoals onder meer blijkt uit de hoge vlucht die het sociaal ondernemerschap in de Arabische wereld heeft genomen.

Een groot aantal publicaties en onderzoeken ondersteunt deze visie. Maar dan nog blijft het de vraag of al die sociaal ondernemers wel de behoefte hebben om netjes op te draven in de vele terugkijkverhalen die er dezer dagen met name in het Westen verschijnen. Wat zegt het begrip Arabische Lente hun nog? Willen ze wel als insecten in de barnsteen van die Lente ten toon worden gesteld, of kijken ze liever vooruit?

Neem de Marokkaan Tarik Nesh-Nash. In de overzichtsverhalen over de Arabische Lente wordt zijn land wel eens overgeslagen. Anders dan in Tunesië of Egypte, bleef de autocraat – koning Mohammed VI – er aan de macht. Toch ging ook in Marokko het volk de straat op. En met succes. Het eiste hervorming van de grondwet. En kreeg die.

Marokkaanse jongeren demonstreren in juni 2011. Foto Wikimedia commons

Mede dankzij de inspanningen van Nesh-Nash. Schouder aan schouder met zijn ouders en zijn jongere broer nam hij in maart 2011 deel aan demonstraties. Veel belangrijker nog was dat hij een online platform ontwierp waarop hij de hele bestaande grondwet publiceerde en iedere Marokkaanse internetgebruiker de kans bood om, artikel per artikel, commentaar te leveren, hele artikelen te herschrijven, en nieuwe toe te voegen.

Dit was nooit eerder in Marokko of elders in het Midden-Oosten vertoond. De site registreerde 200.000 unieke bezoekers en 10.000 opmerkingen. De internationale pers dook erop, en dat noodzaakte de door de koning benoemde grondwetscommissie om hem uit te nodigen een samenvatting van de online aanbevelingen voor te leggen. Uiteindelijk kon veertig procent van die aanbevelingen in de nieuwe grondwet worden teruggevonden, zo wees een onderzoek van de Universiteit van Marseille uit.

Aangemoedigd door dit ongekende succes ontwierp Nesh-Nash nog veel meer online platforms die bruggen sloegen tussen burgers, het maatschappelijk middenveld, politici en ambtenaren. Aan bod kwamen zaken als een transparante begroting, eerlijke verkiezingen, corruptiebestrijding, en een rechtstreekse dialoog tussen burgers en parlementariërs.

Tariks inspanningen beperkten zich niet tot Marokko, ze breidden zich uit tot Egypte en zelfs tot ver buiten de Arabische wereld, zoals Panama. Hij ontpopte zich tot een technologische onderlegde democratische vernieuwer die de hele wereld als zijn speelveld ziet.

Reden genoeg om hem te vragen of ook hij vindt dat de Arabische Lente in ieder geval op het gebied van sociaal ondernemerschap wat heeft opgeleverd – misschien zelfs grensverleggend veel, te oordelen naar zijn activiteiten.

Een prettig inkoppertje om te beginnen, zou je zeggen, maar het pakt anders uit.

‘Wacht even,’ zegt hij vriendelijk maar beslist. ‘Ik voel er niets voor om in het frame van de Arabische lente te worden geperst. Het hele idee dat er vanuit Nederland wordt geëvalueerd of die Arabische Lente wel of geen succes is geweest, vind ik onzinnig. De hele wereld is nu in de ban van corona.  Ik zie veel liever een verhaal over hoe, laten we zeggen, Marokko, en Nederland en Noorwegen en Spanje het op dat gebied samen doen. Dus ik wil wel mijn mening geven, maar ik heb liever niet dat je mij uitlicht in jouw artikel en onderzoek.’

Ik bezweer hem dat ik hem in geen enkel frame wil plaatsen; dat hij helemaal zijn eigen frame mag kiezen; en dat ik hem nadrukkelijk uitnodig toe te lichten waarom het in zijn ogen nergens op slaat om vanuit pak’m beet Nederland terug te blikken op de Arabische lente.

Hij is nog niet overtuigd. ‘Ik weet waar dit naartoe gaat, ‘ zegt hij. ‘Jij gaat schrijven over de burgeroorlog in Syrië, over Libië, over hoe treurig het allemaal is, en hoe er dan wel democratie is in Tunesië, maar hoe die…’

Ik onderbreek hem, een beetje fel, en houd hem voor dat dit nu net níet is wat ik wil.

‘Maar de term Arabische Lente….  die woordkeuze alleen al legt ons beperkingen op,’ werpt hij tegen.

Opnieuw zeg ik hem dat we dáár dan over kunnen praten. Waarop hij de term ‘white man’s burden’ laat vallen,  waarmee schrijver Rudyard Kipling ooit aangaf dat de westerse beschaving de plicht heeft zich over zogenaamd minder geciviliseerden te ontfermen (bijvoorbeeld door ze te koloniseren). Een bevoogdend principe, dat veel bewoners van het Midden-Oosten nog altijd proeven in de manier waarop westerse media over hen schrijven.

Nóg een keer druk ik hem op het hart dat ik op een ander soort gesprek uit ben – maar wijs ik hem er ook op dat zijn activiteiten begonnen toen de Arabische Lente uitbrak, dat hij er op die manier mee verbonden is, en dat dit het startpunt kan zijn van het interview. Maar niet het eindpunt!

‘Wat mij bezig houdt is niet hoe ik met mijn eigen ecosysteem verbonden ben,’ zegt hij, ‘maar met hoe wij met elkaar zijn verbonden. Wij zitten allebei in een lockdown, we hebben te maken met dezelfde beperkingen, en dus moeten we de prioriteiten van deze planeet misschien herdefiniëren. Dat lijkt me zinvoller dan een verhaal van: hé, kijk eens naar mij, en het nieuwe model dat ik voor het Midden-Oosten heb geschapen. Daar zit een onbalans in die mij stoort.’

Uiteindelijk weet ik hem ervan te overtuigen dat hij een verhaal heeft te vertellen. Mede omdat dit verhaal niet alleen van belang is voor zijn eigen regio. Maar wel een verhaal dat, hoe je het wendt of keert, begint bij de Arabische Lente. En dat overigens ook lijkt te wortelen in een familietraditie: Tariks grootvader verzette zich al tegen de Franse koloniale overheersing, zijn vader richtte een groot aantal mensenrechtenorganisaties op. Het activisme heeft hij dus niet van een vreemde.

Maar ook die term – ‘activisme’ – wekt weerstand.

‘Ik heb mijzelf nooit als activist omschreven,’ zegt hij. ‘Ik zie mijzelf eerder als een betrokken burger. Wat ik niet zo prettig vind aan het woord ‘activist’ is dat het een tegenstander veronderstelt. Ik zie liever geen tegenstander. Ik zie een ontwikkelingsvraagstuk dat we nog niet hebben kunnen oplossen. Hoe kunnen we een zo groot mogelijk aantal mensen welvaart en welzijn bezorgen? Dat is de kwestie. Er zijn op dat gebied trouwens mensen die veel belangrijker dingen doen dan ik. Denk aan de ontwikkelaars van vaccins. Maar goed, ieder draagt zijn steentje bij.’

En hij, opper ik, draagt een steentje bij aan de democratie. Toch? Nou, nee. Voor de zoveelste keer sla ik de plank is. Ik kan het gewoon niet goed doen bij die man!

‘Democratie is niets anders dan een ontwikkelingsinstrument,’ doceert Tarik. ‘En als het geen goed instrument meer blijkt te ziin, moeten we naar iets beters op zoek. Nu, in 2020, dringt de vraag zich op of we een beter model dan democratie kunnen vinden. Want het schiet overal tekort: in Nederland, de VS. We hebben iets anders nodig! Democratie om de democratie is niet waar het om gaat. Het gaat om algemeen welzijn.’

Ik herinner hem eraan dat hij in een Ted-Talk in 2011 Churchill aanhaalde: democratie deugt niet, maar andere systemen deugen nog minder.

‘Klopt. Maar nu is het tijd voor een ander discours. Het probleem is dat we iets wat niet langer voldoet, ‘democratie’ blijven noemen om er een goed gevoel bij te houden. Democratie vereenzelvigen we met verkiezingen en referenda, maar daarmee vallen geen potten meer te breken. We moeten iets zien te bedenken dat beter is toegesneden op de technologie van vandaag de dag en de manier waarop mensen die gebruiken, op real-time communicatie, en op de uitdagingen waarvoor onze hele planeet zich geplaatst ziet. Referenda lossen die niet op.’

Gaat het dan niet nog steeds over burgerparticipatie en de mogelijkheid voor mensen hun eigen lot te bepalen?

‘Dat is precies waar ik mee bezig ben, en waarom ik weet dat democratie niet volstaat. Laat ik het uitleggen. Als jij tandpijn hebt, ga je naar de tandarts. Zonder hem weet je je geen raad. En dat is dus wat er aan democratie ontbreekt. Ze schept consensus, maar zonder de kennis en expertise die er het fundament van zouden moeten vormen. De zwakte van de democratie is dat iedereen gelijk is, ieders stemt telt even zwaar, maar als je tandpijn hebt, is de mening van de tandarts van een andere orde dan die van je buurman. Bedenk dat alle verkiezingen en referenda van de wereld corona niet kunnen oplossen. Dat kunnen alleen geleerden en onderzoekers. We hebben democratie ingevoerd in samenlevingen die nog niet in staat zijn, of gekwalificeerd zijn, om de juiste keuzes te maken. Begrijp me goed, ik ben helemaal voor participatie, sterker, ik werk aan een architectuur om die participatie zo goed mogelijk tot haar recht te laten komen, maar tegelijkertijd weet ik dat die niet voldoende is. Inclusiviteit kan niet zonder kennis. Of misschien moet je zelfs zeggen: wijsheid.’

Ik begin over de website die hij ontwierp ten tijde van de Arabische Lente, toen de bevolking voor een nieuwe grondwet betoogde, en hij Marokkaanse internetgebruikers de gelegenheid gaf de bestaande grondwet te lezen en in detail te becommentariëren. Hij erkent dat dit een succes was, en een ‘toonbeeld van een nieuwe participatievorm’.

‘Maar bedenk dat het geen activistisch platform was. Zowel mensen die te hoop liepen tegen de Makhzen – de gevestigde orde – als de gevestigde orde zelf konden er hun zegje op doen. Het succes van het platform was de neutraliteit ervan. Verschillende maatschappelijke groeperingen konden er met elkaar in gesprek. Dat was het doel.’

Het hele concept van het traditionele referendum zat hem dwars. ‘Iemand duwt je een tekst onder de neus, en vraagt: ja of nee? Ja, maar waarom ja? Waarom nee? Dat moet je weten om tot een weloverwogen besluit te kunnen komen. Een land bestaat niet uit maar een paar meningen. Dat is in zekere zin het dilemma. Ik wilde dus een uitgekiender soort referendum. Een door alle partijen geaccepteerd platform waarop iedereen kennis kon nemen van de grondwet en erover kon discussiëren.’

Dat was het begin van een hele reeks vergelijkbare platforms waarmee Nesh-Nash, die in Seattle en Beijing voor Microsoft heeft gewerkt, tot op de dag van vandaag bezig is, in de overtuiging dat moderne technologie een grote rol kan spelen in het versnellen van maatschappelijke ontwikkeling.

De lijst van Tariks platforminitiatieven is lang: er was er een dat hielp bij het opsporen van verkiezingsfraude in Marokko. Meest concrete resultaat: ongeldigverklaring van verkiezingen in een bepaald district wegens fraude. Vervolgens kwam er een platform over overheidsbegroting: ‘Het idee daarachter was dat als je mensen belasting wil laten betalen, ze moeten weten waar het geld naartoe gaat,’ aldus Nesh-Nash. ‘Dus dan moet je laten zien hoe het geld onder ministeries en instellingen wordt verdeeld. En dat moet je op een zo toegankelijk mogelijke manier doen, zodat iedereen erover kan discussiëren. Want dat kan nu nog niemand. Daarvoor is de materie te ingewikkeld. Makkelijke toegang tot kennis en informatie, om vertrouwen in het systeem op te bouwen: dat is de hele filosofie.’

Het mag duidelijk zijn: de burgerschapsinitiatieven van Tarik Nesh-Nash ontsprongen in de Arabische Lente, maar zijn inmiddels ruim buiten haar oevers getreden. Hij vermijdt onbescheiden te klinken, maar toch: hij schat dat hij direct of indirect bij online platforms in een veertigtal landen betrokken is geweest. ‘Interessant is dat mijn ideeën destijds amper bekend waren, maar nu tot internationaal erkende bestuurlijke best practices behoren.’

Hij benadrukt dat de problemen waarover hij zich de afgelopen tien jaar heeft gebogen op geen enkele wijze specifiek waren voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Het gaat om uitdagingen waar democratieën wereldwijd mee worstelen. En dat was zo’n tien jaar geleden, in het midden van de Arabische Lente, eigenlijk niet anders. In 2011 was ‘democratie’ een toverwoord, en keek de westerse wereld nieuwsgierig toe of het Midden-Oosten in staat zou zijn het algemeen geaccepteerde model van democratie – ofwel: de westerse vertegenwoordigende democratie – te omhelzen. Zo niet, dan was het Midden-Oosten simpelweg niet tot democratie in staat, althans niet binnen afzienbare tijd, en bleef het Westen het enige democratische baken in de wereld.

In een Ted-Talk van eind 2011 wees Tarik Nesh-Nash er al op dat er iets mis was met dit beeld: de Occupy Wall Street-beweging in New York verklaarde zich niet vertegenwoordigd te voelen. In Spanje deden de activisten van “¡Democracia Real YA!” (‘Echte Democratie NU!’) van zich spreken. Ze vonden kennelijk dat Spanje niet werkelijk democratisch was.

Nesh-Nash merkte op dat al deze ontevredenen hetzelfde soort eisen had en zich op dezelfde manier manifesteerden, ongeacht land, regio, ras of religie. Steeds was er sprake van ‘urgentie’: men wilde ‘nu’ veranderingen, en niet pas na verkiezingen. Verder waren de eisers een ‘crowd’: ze kenden amper leiders. En ze wilden meer participatie, ofwel directere deelname in de besluitvorming. En dan is een relatie tussen deze eisen en moderne technologie gauw gelegd: die is immers ook gericht op onmiddellijke bevrediging (urgentie), egalitair van aard (‘crowd’) en interactief (‘participatie’).

Nesh-Nash ontkent niet dat er in Europa meer vrijheid is dan in Marokko. Maar ook al is er een achterstand, de wereldwijd gelijkluidende klachten over democratie die er de laatste jaren zijn, suggereren dat het Midden-Oosten niet hetzelfde democratiseringstraject zal volgen als het Westen. We zitten nu immers allemaal in dezelfde digitale werkelijkheid, een werkelijkheid die een nieuwe vorm van burgerschap vergt. Op mondiale schaal.

Nesh-Nash: ‘Als we er met zijn allen over eens kunnen worden dat algemeen welzijn uiteindelijk is wat er toe doet, kan er veel sneller vooruitgang worden geboekt. Discussies over wat nu precies democratisch is en wat niet zijn mooi als je genoeg te eten hebt en naar de dokter kunt. Verbetering van democratie moet leiden tot verbetering van welzijn. Daar moet een direct verband tussen zitten. Die puzzel moeten we oplossen. En de sleutel is kennis. Maar essentieel is ook dat mensen niet lang op verbetering willen wachten.’

Hij lacht als hij zegt: ‘Wij hebben geen zin om een Franse revolutie en wat er allemaal daarna voor ellende kwam te moeten doorstaan. Dat vooruitzicht spreekt me totaal niet aan. Ik ben op zoek naar een alternatieve, snellere route. Is dat zo gek?’

Ik vat samen dat de geaccepteerde, westerse, indirecte vorm van democratie is ontstaan vóór de digitale revolutie en dat die digitale revolutie nu waarschijnlijk directere vormen van democratie vereist. En dat dit voor alle samenlevingen in de wereld geldt, ongeacht in welk stadium van democratische ontwikkeling ze zich bevinden. Wat voor problemen we ook hebben, we stevenen allemaal af op hetzelfde soort oplossing.

Nesh-Nash knikt instemmend, en brengt de Franse filosoof Jean-Jaques Rousseau (1712-1778) in herinnering. De westerse democratie is gebaseerd op diens ‘sociale contract’, waarbij een regering belooft de wil van de geregeerden als uitgangspunt te nemen. Zo niet, dan verliest ze haar macht en legitimiteit.

‘Moet je horen,’ zegt hij met een guitige twinkeling in zijn ogen, ‘toen Jean-Jacques Rousseau leefde kostte het een dagenlange reis te paard om een boodschap van A naar B te brengen. En kijk ons nu eens vrijelijk op grote afstand converseren. En dan zouden we ons nog steeds met Rousseau’s model van democratie moeten behelpen?’

Jean-Jacques Rousseau

Niet alleen Jean-Jacques Rousseau is uit de tijd, maar ook het conflictmodel tussen burgers onderling en tussen burgers en staat waarop de verlichtingsideeën rond democratie leken te zijn gebaseerd. Tenminste, als je Nesh-Nash moet geloven. Hij haalt daartoe een andere filosoof aan, Thomas Hobbes, en diens beroemde Leviathan. De Leviathan, oorspronkelijk een afschrikwekkend Bijbels zeemonster, maar in Hobbes’ filosofie de soeverein, die voor ieders bestwil heerst over burgers. Vaak wordt hij afgebeeld als een enorme, vrees inboezemende, uit kleine mensjes opgebouwde reus.

‘Vergeet even dat angstaanjagende beeld,’ zegt Nesh-Nash. ‘Ik heb persoonlijk nog nooit een overheidsdienaar ontmoet die mij heeft gezegd dat hij mensen geen goede diensten wil leveren. Ik heb nooit een ambtenaar horen zeggen: Ik heb toch zo’n bloedhekel aan mensen, ik doe niets liever dan ze met hele slechte medische voorzieningen opzadelen. We hebben ambtenaren die tekort schieten enerzijds, en mensen die betere diensten eisen anderzijds, maar beide zijn van goede wil. Corruptie? Die heeft niets met individuen te maken, maar met een systeem. Humaniseer die corrupte ambtenaar, die gewoon het beste wil voor zijn gezin. Niemand wil corruptie om de corruptie zelf, omdat corruptie “goed” is. Dus moeten we streven naar systemische verandering die door mensen wordt ondersteund. ‘

De Leviathan van Thomas Hobbes

Zodat we de Leviathan kunnen afbreken, vul ik aan.

‘Precies,’ zegt Nesh-Nash verheugd. ‘Dankjewel.’

Ik vertel hem dat toen ik twintig jaar geleden in Marokko was, niemand die ik sprak geloofde dat de Makhzen – de Marokkaanse Leviathan – ooit iets van haar macht zou inleveren. Dat Marokko bestaat niet meer, maak ik uit zijn woorden op. Het gesprek heeft nu een prettige wending gekregen. Maar dan verpest ik het door te vragen of Marokko in een overgangsfase zit naar democratie.

Tarik Nesh-Nash rolt met zijn ogen. ‘Dat is nou precies het soort vragen die gasten als jullie graag stellen. Ik heb niet eens zin om daar antwoord op te geven. Hebben we tegenwoordig eerlijke verkiezingen? Ja, hoor. Hebben we tegenwoordig een commissie die corruptie bestrijdt? Zeker weten. Alle vakjes die jullie willen afvinken, kun je afvinken. Maar wat mij veel meer bezig houdt is de lage positie van Marokko op de ranglijst van de Human Development Index (121ste op 189, CS). Ik wil gewoon dat mensen een goed leven hebben, snap je?’

Ik haast me om het anders te formuleren. Marokko beweegt zich in de richting van een participatieve samenleving voor het welzijn van haar burgers.

‘Ja. Er zijn tal van initiatieven op dat gebied ontwikkeld. En daarnaast wordt ook voldaan aan allerlei traditionele democratische vereisten waaraan ik zeker wel waarde hecht, zoals eerlijke verkiezingen. Maar er is meer nodig dan dat. Als we kijken naar Tunesië, begrijp je misschien waarom de vraag me niet bevalt. Tunesië wordt, anders dan Marokko, beschouwd als een democratie. Toch zijn mensen er nog steeds arm, en zuchten ze onder een ernstige economische crisis.’

Tunesië, zeg ik, wordt beschouwd als dat ene succes dat de Arabische Lente heeft voortgebracht. Maar dat succes is erg betrekkelijk.

‘Precies. Geloof me, als Tunesië nu een bloeiende economie had, dan zou haar democratische voorbeeld elders in de regio wel navolging hebben gevonden. Niemand zegt: ik wil geen welzijn. Het Tunesische model is interessant, maar niet meer dan dat. Want tot nu toe is het niet succesvol. Ik ben heel vaak in Tunesië geweest en ik denk dat mensen in Marokko het beter hebben.’

Hij geeft toe dat hij in zijn werk ook tegenslagen heeft gekend. ‘Veel platforms zijn mislukt, zoals een platform over gendergelijkheid. De Marokkaanse regering heeft inmiddels een wet aangenomen die geweld en discriminatie jegens vrouwen verbiedt, maar destijds waren maar weinig burgers te vinden die zich openlijk voor gendergelijkheid wilden uitspreken. Dus zou een keuze voor democratie in Marokko geen keuze voor gendergelijkheid zijn geweest. In sommige gevallen is de regering dus niet het probleem, maar het volk. Of is de regering de spiegel van het volk: als het volk lelijk is, is de regering dat ook. Ik ben in ieder geval nog lang niet klaar met experimenteren. We moeten hoe dan ook beseffen dat de problemen verder gaan dan democratie en de Arabische Lente. Er zijn wereldomspannende existentiële problemen gemoeid met de manier waarop wij samenleven. Dat is waarover me moeten nadenken. Fijn voor jullie dat je het Midden-Oosten en Noord-Afrika een tijdje als democratisch laboratorium hebben kunnen observeren, maar nu is het tijd om samen te werken.’

Tarik Nesh-Nash is CEO van GovRight, een groep specialisten op het gebied van technologie, recht, en beleid, die werken aan verbetering van de relatie tussen overheden, organisaties en het algemene publiek. Voorbeeldproject is Legislationlab.org, een platform voor burgerparticipatie op het gebied van wetgeving. http://govright.org/

Koeweits ‘liberale’ identiteit, uniek in de Golf

Zal de nieuwe emir, sjeik Nawaf al-Ahmad al-Sabah, de onafhankelijke en neutrale positie van het land doorzetten of breekt hij met deze traditie en schuift het land misschien meer op naar grootmacht Saoedi-Arabië? Een voortzetting van de koers is waarschijnlijk omdat de Koeweitse identiteit en zijn buitenlands beleid met elkaar zijn verweven.

Hoe is die Koeweitse identiteit tot stand gekomen? De familie Al-Sabah, het machtigste instituut in Koeweit, regeert het land al vanaf het midden van de achttiende eeuw. Ze besteeg de troon niet door verovering en conflict, maar door bemiddeling en doordat oude prominenten nieuwe benoemden (coöptatie).

In de vroege stadia van zijn geschiedenis bestond er in Koeweit al een politieke relatie tussen volk en heerser (de emir). De bevolking stelde de leider aan en in ruil voor zijn regeringsinspanningen kreeg hij financiële steun. Er was dus sprake van een sociaal contract tussen heerser en volk, maar deze gold voornamelijk voor Al-Sabah en de handelsfamilies. Aangezien de koninklijke familie financieel zwaar leunde op de rijke kooplieden, kregen zij in ruil meer invloed en zeggenschap in het land.

Aan het begin van de twintigste eeuw was Koeweit een Brits protectoraat. De Britten wilden dat de emir steviger in het zadel kwam te zitten, ten koste van de invloedrijke handelsfamilies. Dat zou de positie van de Britten zelf verstevigen. De kooplieden lieten zich hun zeggenschap niet zomaar afpakken en kwamen in opstand, wat leidde tot de ‘Majlis crisis’ in 1938. Een beweging van kooplieden vormde destijds een wetgevend parlement (majlis) met gekozen leden, dat onder andere een grondwet moest opstellen. De emir ontbond deze majlis spoedig, maar vanwege de rijkdom van de kooplieden en de steun vanuit de bevolking voor deze democratische beweging, moest de familie Al-Sabah steeds meer rekening houden met oppositie binnen de Koeweitse samenleving.

Emir Ahmad Al-Jaber Al-Sabah zet met een draai aan een zilveren wiel de allereerste verscheping van Koeweitse olie in gang. Het is 30 juni 1946.

Om hun positie te waarborgen ging de regerende familie met andere groepen in Koeweit samenwerken, in ruil voor politieke zeggenschap, bijvoorbeeld met de sjiitische minderheid en bedoeïenen. Dit leidde tot een relatief heterogeen politiek landschap, wat beperkingen oplegde aan de Al-Sabah familie, aangezien zij nu met verschillende groepen rekening moest houden. Deze traditie van politieke participatie werd later geformaliseerd met de afkondiging van de grondwet in 1962 en de eerste parlementaire verkiezingen in 1963.  Hoewel de oprichting van een parlement ook was bedoeld om Koeweits imago op het internationale toneel te verbeteren, was de creatie van dit instituut ook een poging om de macht van de rijke handelsfamilies in Koeweit te breken.

De grondslag van het parlement is de constitutie, nog steeds de meest liberale in de Golfregio. De grondwet bepaalt dat Koeweit een gekozen wetgevende raad moet hebben, het parlement. De macht van het Koeweitse parlement is niet helemaal te vergelijken met die van de Nederlandse volksvertegenwoordiging. Zo kan het niet zelf veranderingen doorvoeren, maar alleen handelingen tegenhouden van het kabinet, dat door de emir is aangesteld. Daarnaast zijn politieke partijen niet toegestaan. Toch houden de meeste parlementsleden rekening met hun tribale achterban, aangezien zij meestal naar voren worden geschoven door hun eigen stam. Hoewel de meeste macht dus nog steeds in handen ligt van de emir, die het parlement tevens kan ontbinden, neemt Koeweit op het gebied van politieke rechten en burgerlijke vrijheden een unieke positie in binnen de Golfregio.

De voorgeschiedenis van openheid en politieke participatie leerde het Al-Sabah-regime dat in tijden van onenigheid met de oppositie, een zachte aanpak van onderhandelingen beter was dan de harde hand die elders in de regio gebruikelijk was. Met name sinds Koeweits onafhankelijkheid van de Britten in 1961 ontstond er een samenleving waarin verschillende groepen hun stem konden laten horen onder bescherming van de liberale grondwet.

Tijdens mijn verblijf in Koeweit als stagiair bij de Nederlandse ambassade viel mij op hoeveel verschillende groepen vertegenwoordigd waren in het parlement: soennieten en sjiieten, mannen en (in mindere mate) vrouwen, liberalen en islamisten. Die burgerparticipatie zie je niet alleen in het parlement maar ook in informele instituties, zoals de zogeheten diwaniya’s. Dat zijn bijeenkomsten van mannen uit verschillende lagen van de samenleving die visies op de politiek kunnen uitwisselen.

Als stagiair van de Nederlandse Ambassade in Koeweit vergezelde ik ambassadeur Frans Potuyt in een gesprek met Z.Exc. Nasser Abdullah Al-Hain, Assistent-Minister van Buitenlandse Zaken voor Internationale Organisaties. Bron foto: MOFA Kuwait.

De grondwet en het parlement hebben het politieke landschap in Koeweit gevormd, waardoor het regerende koningshuis moeilijk tot een absolute monarchie kan vervallen. Deze verhouding van de samenleving en het parlement tot de familie Al-Sabah is uniek in de Golfregio en werkt door op het buitenlands beleid van Koeweit. Dit is bijvoorbeeld te zien in de nasleep van de Arabische opstanden in 2011.

Na die opstanden manifesteerde Saoedi-Arabië zich als de vooraanstaande grootmacht die zich tegen elke vorm van opstand in de Golfregio verzette. De traditionele monarchieën in de Golf vonden de demonstraties bedreigend. Egypte liet immers zien dat de opstanden konden leiden tot een omverwerping van het regime. Saoedi-Arabië, en ook de Verenigde Arabische Emiraten (VAE), stelden daarom verschillende initiatieven voor waarbij de GCC, een samenwerkingsverband tussen de Golfstaten, een sterkere alliantie zou worden.

Eén van deze voorstellen heette het ‘Internal Security Pact’. Via deze overeenkomst konden de monarchieën hun eigen bevolking aanpakken als zij zaken in andere Golfstaten, bijvoorbeeld interne zaken van Bahrein of het buitenlands beleid van de VAE, bekritiseerden. Saoedi-Arabië hoopte zo opstanden in de regio de kop in te drukken, de eenheid te bewaren en daarmee het voortbestaan van de monarchieën veilig te stellen.

Elke Golfstaat tekende dit pact in 2012, behalve Koeweit. Ondanks druk van de emir en Saoedi-Arabië, wees het Koeweitse parlement de overeenkomst af. Het pact kreeg forse kritiek vanuit de eigen samenleving vanwege de draconische implicaties. De familie Al-Sabah accepteerde de keuze van het parlement. Als de emir het pact wel had aanvaard, ging dit in tegen de lange traditie van onderhandeling en compromis met de diverse Koeweitse bevolking. Deze intensievere samenwerking met onderdrukkende staten in de GCC zou de Koeweitse samenleving en zijn traditie van openheid aantasten.

Het ‘Internal Security Pact’ zou ook de sjiitische minderheid, ongeveer dertig procent van de Koeweitse bevolking, waarmee het regime van oudsher een nauwe samenwerking mee heeft, afschrikken. De heersers van GCC-lidstaten zoals Saoedi-Arabië en Bahrein zien de sjiieten als een grote bedreiging, en het tekenen van de overeenkomst met deze landen zou ook de sjiieten in Koeweit kunnen benadelen.

Binnen de grenzen van Koeweit is er ruimte voor verschillende maatschappelijke en politieke groepen: soennieten en sjiieten, liberalen en islamisten. Een aantal van die groepen is in diverse landen in de Golfregio niet erg geliefd. Om de binnenlandse stabiliteit te behouden moet Koeweit balanceren tussen de belangen van al deze groepen, die deel uitmaken van de Koeweitse identiteit, terwijl regionale machten deze groepen juist proberen te polariseren. Koeweit probeert daarom waar mogelijk neutraal te blijven in de regio en te bemiddelen in conflicten omdat rust in de regio ook gunstig is voor de binnenlandse situatie.

Onder emir Sabah al-Ahmad al-Sabah is Koeweit vaak op zoek geweest naar mogelijkheden tot toenadering tussen Iran en de Golfstaten. Hoewel Koeweit op kleine schaal deelnam aan de door Saoedi-Arabië geleidde interventie in Jemen, heeft het vertegenwoordigers van de Jemenitische regering en de Houthi-rebellen aan de onderhandelingstafel gekregen.

Emir Sabah al-Ahmad al-Sabah op bezoek in Iran, juni 2014. Rechts de Iraanse geestelijk leider ayatollah Ali Khamenei, links president Hassan Rouhani. Foto khamenei.ir

Daarnaast toonde Koeweit, anders dan Saoedi-Arabië, de VAE en Bahrein, zich niet verheugd over Trumps opzegging van de nucleaire deal met Iran. De kleine oliestaat beweerde dat een dergelijke deal met Teheran juist bijdroeg aan veiligheid en stabiliteit in de regio. Verder is Koeweit tegen de boycot van Qatar, die verschillende Golfstaten en enkele andere Arabische landen in 2017 oplegden. Al-Sabah deed zelfs pogingen om de crisis te beëindigen door middel van een diplomatieke oplossing, helaas zonder direct resultaat.

Dat Koeweit op het gebied van burgerlijke vrijheden en politieke rechten graag een van de meest vrije landen in de regio wil blijven, weerspiegelt zich dus in Koeweits houding op het regionale en internationale toneel. Het land zal daarom hoogstwaarschijnlijk ook onder de nieuwe emir Nawaf al-Ahmad al-Jaber al-Sabah zijn onafhankelijke positie van neutraliteit doorzetten en pleiten voor vreedzame oplossingen van conflicten tussen de GCC-lidstaten. Dit draagt bij aan stabiliteit in de Golfregio en daarmee ook binnen de Koeweitse landgrenzen.

Recente berichten

Recente reacties

    Archieven

    Categorieën

    Meta

    Deze website gebruikt cookies om uw ervaring te verbeteren. Door op de 'accepteer' knop of andere links in de site te klikken, geeft u aan hiermee akkoord te gaan.