‘Het is een dilemma’: Klimaatactivisten over hun zorgen en verwachtingen voor COP27 in Egypte

Tegelijkertijd plaatsen activisten vraagtekens bij Egypte als gastland, vanwege de hardhandige repressie en strikte inperking van vrijheid van meningsuiting onder president Abdel Fatah al-Sisi. De Amerikaanse NGO Freedom House, die jaarlijks de vrijheden van burgers wereldwijd meet, bestempelde het land in haar laatste rapport als “onvrij”, zowel wat betreft politieke rechten als burgerlijke vrijheden.

Het Grote Midden Oosten Platform interviewde drie jonge klimaatactivisten uit de MENA (Midden-Oosten en Noord-Afrika), die dit jaar de klimaattop zullen bijwonen, over hun verwachtingen en zorgen voor COP27. We spraken met Insaf Abdelmoula, junior klimaatonderhandelaar voor Tunesië; Neeshad Shafi, oprichter van een jeugdbeweging voor klimaatactivisme in Qatar; en Rawe Kefi, kilmaatactivist voor UNICEF in Tunesië.

Insaf Abdelmoula

Een Afrikaanse COP

De drie activisten zijn het erover eens dat de locatie van COP27 een uitgelezen kans is om hun interpretatie van het concept klimaatrechtvaardigheid onder de aandacht te brengen. “Ik denk dat dit het juiste moment is voor MENA-landen om samen te komen en hun verliezen en schade op tafel te leggen,” betoogt Neeshad. “Het is een belangrijke impuls voor regionale kilmaatactie.” Insaf onderschrijft dit: “Het is geweldig dat dit een Afrikaanse COP is,” zegt ze. “Dat betekent dat de nadruk meer zal liggen op thema’s als adaptatie en klimaatfinanciering.”

Met klimaatfinanciering doelt Insaf op de financiering die volgens de Verenigde Naties o.a. als doel heeft: “het verminderen van de kwetsbaarheid en het behouden en vergroten van de veerkracht van menselijke en ecologische systemen tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering.” Twaalf jaar geleden, tijdens de COP in Kopenhagen, beloofden rijke landen om vanaf 2020 jaarlijks 100 miljard dollar naar minder welvarende landen te sluizen om hen bij te staan in klimaatadaptatie. Deze belofte zijn de landen niet nagekomen. In 2020 werd slechts zo’n 83,3 miljard dollar aan klimaatfinanciering gemobiliseerd door welvarende landen.

Insaf zegt daarover: “Dat is laag. Het is nauwelijks genoeg voor één land om weerbaar te worden tegen klimaatverandering en dan moet je je bedenken dat dit een fonds is dat voor alle landen (in het Mondiale Zuiden red.) is bedoeld.” COP27 is voor de activisten een perfect moment om deze gebroken belofte onder de aandacht te brengen.

Historische verantwoordelijkheid

Ook Rawe benadrukt de historische verantwoordelijkheid die het Mondiale Noorden heeft tegenover het Mondiale Zuiden wat betreft klimaatrechtvaardigheid. “De CO2-uitstoot van Afrika vertegenwoordigt maar een klein percentage in vergelijking met de uitstoot van Europese landen, de Verenigde Staten en zelfs China (de uitstoot van Afrika bedraagt zo’n 3,8 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot red.). Dus, logischerwijs zou de focus hier moeten liggen op adaptatie,” redeneert Rawe. “Oké, we zijn allemaal verantwoordelijk, maar de verantwoordelijkheid is in feite gedifferentieerd. De ontwikkelde landen hebben een historische verantwoordelijkheid en die moeten ze ook nemen.”

Rawe stelt dat soevereiniteit centraal zou moeten staan in de aanpak van klimaatverandering in het Mondiale Zuiden. Klimaatfinanciering moet volgens haar niet een nieuwe manier zijn om bestaande neokoloniale machtsstructuren te bekrachtigen. De nadruk moet liggen op onafhankelijkheid. Ze stelt: “Wat ik nu zie is dat het narratief van klimaatverandering wordt ingezet om de afhankelijkheid (van het Mondiale Zuiden red.) te vergroten. Ik denk dat dit proces ook pogingen tot samenwerkingen binnen het Mondiale Zuiden verhindert, tussen Afrikaanse landen of op regionaal niveau. Het belet een land als Tunesië om richting Afrika te kijken voor investeringen. In plaats daarvan kijk het naar de Europese Unie.”

Neeshad Shafi

Verboden klimaatmars

Ondanks hun opgetogenheid over het feit dat COP27 in de MENA plaatsvindt, zijn de drie activisten kritisch over Egypte als gastland van COP27. Ze zijn bezorgd over de hardhandige repressie van oppositie onder het regime van president Abdel Fatah al-Sisi. “Ik weet niet zeker of Egypte de ideale plek is om te strijden voor klimaatrechtvaardigheid,” vraagt Rawe zich af. Ook Insaf maakt zich zorgen: “Ik heb zeker mijn bedenkingen dat het in Egypte is, gezien de politieke situatie,” stelt ze. “Ze hebben vorig jaar al aangekondigd dat er dit jaar geen klimaatmars zal zijn. Ik bedoel, dat is belachelijk, het is een traditie.”

Ook Rawe beklaagt zich over het verbieden van de jaarlijkse demonstratie: “Bij elke COP is er een demonstratie, een mooie demonstratie met activisten van over de hele wereld. Ik heb deelgenomen aan de demonstratie in Glasgow. Het was prachtig, veel kleuren en muziek,” vertelt ze. “Dit jaar is dit evenement verboden. Het voorwendsel is: Sharm el-Sheikh is hiervoor te klein. Dit kan de COP zijn gebruikelijke charme ontnemen.”

Propaganda

Het verbieden van de jaarlijkse demonstratie vloeit voort uit de autoritaire regeerstijl van president al-Sisi. Diens regime is berucht om zijn hardhandige onderdrukking van politieke oppositie, strikte inperking van vrijheid van meningsuiting en mensenrechtenschendingen. Onlangs rangschikte Reporters Without Borders het land op plaats 168 van de 180 gerangschikte landen, op basis van persvrijheid. Dat is net boven Noord-Korea, maar lager dan landen als Qatar, Rusland, Saudi-Arabië en Wit-Rusland. In Egypte hangt activisten, journalisten en politici die de politieke lijn van al-Sisi tegenspreken vervolging boven het hoofd, ook wat klimaatkwesties betreft. Egypte telt minstens 60.000 politieke gevangen.

Insaf verwacht dat al-Sisi COP27 zal inzetten als propaganda. “Al-Sisi zal COP gebruiken om zijn imago te verfraaien en zichzelf progressief te laten lijken,” zegt ze. De locatie Sharm el-Sheikh, een toeristisch kustplaatsje, draagt daar in haar optiek aan bij: “De locatie van COP is ook strategisch, in een toeristisch gebied. Het is propaganda om een ​​internationale conferentie organiseren in een toeristische omgeving. Dan zien mensen niet wat er werkelijk gaande is in Egypte, ze zien dat alles toeristisch en perfect is.”

Rawe concludeert over de keuze voor Egypte als gastland voor COP: “Het is politiek, het gaat vooral over macht. Soms heb je het gevoel dat het over alles gaat, behalve over klimaatrechtvaardigheid of mensenlevens.”

Rawe Kefi

Dilemma

Toch hebben de activisten besloten COP27 wel bij te wonen en de klimaattop niet te boycotten. Ze vinden dat de baten van COP uiteindelijk opwegen tegen de kosten. “Het is een dilemma,” stelt Rawe. “Ik ben me ervan bewust dat COP geen grote dingen gaat veranderen, omdat het vooral om macht draait. Maar toch moeten we er zijn. Want er is geen alternatief.” Neeshad schaart zich achter deze redenering: “Ik ben altijd hoopvol voor COP, maar wat we tot nu toe op COP hebben bereikt is heel beperkt.”

De activisten benadrukken dat COP voor hen een kans is om hun stem te laten horen. Insaf vertelt: “Voor mij is het van belang om te begrijpen wat er besproken wordt, om het te kunnen beoordelen. Deze conferenties creëren een kans om te lobbyen met politici, ministers en regeringsvertegenwoordigers.” Rawe vult aan: “Ik voel veel verantwoordelijkheid. Als je stil blijft, gaan de beslissingen aan je voorbij. (…) Ik weet dat het min of meer nutteloos is, maar toch moet je erbij zijn.”

Groeiend klimaatactivisme

Bovendien zijn de klimaatactivisten unaniem optimistisch over de groeiende klimaatbeweging in de MENA, die volgens hen hoofdzakelijk aangevoerd wordt door jongeren. Insaf betoogt: “Ik ben heel blij dat de klimaatbeweging groeit. Als je een paar jaar geleden vergelijkt met nu, zie je een enorm verschil. Het klimaatactivisme nu is dieper geworteld, serieuzer.” Ook Neeshad is hoopvol: “Arabische jongeren zijn beter opgeleid dan ooit,” zegt hij. “Er zijn nauwelijks mensen die niet in klimaatverandering geloven. Arabische jongeren moeten vooroplopen bij het eisen van klimaatactie. (…) Vier jaar geleden beschouwde men klimaatverandering niet als iets waar je je zorgen om moest maken. Nu is het anders. Nu zeggen mensen: ‘Yallah! Laten we aan de slag gaan om klimaatverandering tegen te gaan!’”

Sociaal ondernemen in de Arabische wereld, leer het van de ervaringsdeskundigen. Aflevering 3 (slot): Maximilian Abouleish-Boes

Allen werden voor gek verklaard omdat ze onmogelijke dromen zouden najagen en niet naar snelle oplossingen of succes zochten. Nu hun werk vruchten blijkt af te werpen, loont het de moeite van hen te horen wat er komt kijken bij idealistische ondernemen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Hun aanpak is verschillend maar over enkele zaken zijn ze het eens: de regio is lang niet zo droog en onvruchtbaar – en dus geschikter voor landbouw – als veelal gedacht. Daarnaast biedt de hoogopgeleide bevolking veel kansen. Ten slotte hechten de drie veel belang aan de relatie met lokale gemeenschappen. Het betrekken van plaatselijke boeren, ondernemers en consumenten is de beste garantie om een werkelijk duurzame impact te hebben.

In drie portretjes stellen we ze aan je voor: Joslin Kehdy, oprichter en directeur van het Libanese Recycle Lebanon,  beet het spits af. Daarna was het de beurt aan Bashar Humeid, oprichter van Meezan.cc en medeoprichter van Yanboot.com. We sluiten het drieluik nu af met Maximilian Abouleish-Boes.

Maximilian werd geboren in Duitsland. Als student kwam hij in 2010 bij toeval terecht bij SEKEM, een onderneming die zich toelegt op duurzame ontwikkeling en in Egypte werd opgericht. Hij mocht onderzoek doen voor zijn Masters’ opleiding. Hij viel als een blok voor SEKEM, was zelfs een tijd getrouwd met de kleindochter van oprichter Ibrahim Abouleish, en is niet meer weg gegaan.

SEKEM werd in 1977 opgericht door Dr. Ibrahim Abouleish. De Egyptenaar had tussen zijn twintigste en veertigste in Europa gewoond. Tijdens een bezoek aan zijn vaderland zag hij hoe de traditionele landbouwmethodes in Egypte waren verdwenen. Duizenden jaren was de landbouwcultuur gebaseerd geweest op seizoensoverstromingen van de Nijl. Sinds de aanleg van de Aswandam, in het zuiden van Egypte, waren er geen overstromingen meer, en daarom ook geen vruchtbare slib-afzettingen. Boeren gingen massaal over op chemicaliën en landbouwgif.

De Aswan-dam, gezien vanuit de ruimte. Foto Public Domain/Wikimedia

Bij het zien van de uitputting van het land door de nieuwe landbouwmethodes kreeg Ibrahim Abouleish een idee om het weer duurzaam te ontwikkelen. Op een stuk woestijnland 60 km ten noorden van Cairo ging hij aan het werk om het woestijnland nieuw leven in te blazen met behulp van biodynamische landbouwmethoden.

Maximilian maakt inmiddels deel uit van het SEKEM-managementteam. Tijdens het bezoek aan Wageningen spreekt hij gepassioneerd over het bedrijf. De visie van de SEKEM-grondlegger op landbouw is volgens hem cruciaal geweest voor het succes. “Ibrahim voorzag dat de uitvoering van zijn idee wel 200 jaar zou duren en dat schrok hem helemaal niet af. Sterker nog, die visie was een inspiratie voor vele anderen, zowel Egyptenaren als bezoekende Europeanen.”

“Met hun eerste lening investeerde hij in een tractor en in een piano, dat zegt toch alles.”

Kenmerkend voor die visie is dat Abouleish consequent koos voor een holistische ontwikkeling van het bedrijf, waarin het economische, maatschappelijke, culturele en ecologische leven allemaal een plek hebben. Maximilian: “Met hun eerste lening investeerde hij in een tractor en in een piano, dat zegt toch alles.”

De SEKEM-gemeenschap is in de loop der tijd organisch uitgebouwd. Na 45 jaar wonen en werken er meer dan 2000 mensen. Er wordt winst gemaakt en waarde gecreëerd vanuit vijf bedrijven: ze produceren voedsel, textiel, medicijnen, in variatie om weerbaar te zijn, en er wordt geëxporteerd naar het buitenland. In de gemeenschap krijgen 2500 kinderen onderwijs. SEKEM startte bovendien in 2012 de Heliopolis Universiteit, de eerste universiteit in de regio met holistische duurzame ontwikkeling als hoofddoel. Daarnaast is SEKEM in de westelijke woestijn in Egypte aan een tweede gemeenschap begonnen, een replica van het moederlandbouwbedrijf en de moedergemeenschap.

Zicht op SEKEM

Maximilian had het als Duitser soms moeilijk met de onbekende cultuur van Egypte. “Het kan heel frustrerend zijn als mensen in een ander land niet hetzelfde belangrijk vinden als jij. Ik moest echt leren om dat los te laten. Maar nu geniet ik ervan hoe het er in Egypte aan toegaat, in het moment leven, het belang van relaties. En ik zie dat ik dingen heb bij te dragen vanuit mijn cultuur.”

Maximilian is inmiddels de Sustainable Development Lead voor het SEKEM-initiatief, dat het economische, maatschappelijke, culturele en ecologische leven integreert om urgente maatschappelijke problemen aan te pakken. De huidige prioriteiten zijn ontwikkeling van ecosystemen, mitigatie van klimaatverandering en biodiversiteit.

Een lange termijnvisie blijft voor hem fundamenteel. “Na het overlijden van Ibrahim in 2017 kwamen we bij elkaar en besloten dat we nog steeds voor de lange termijn moeten plannen: Waar willen we dat Egypte is over 40 jaar? En wat betekent dat voor onze rol? Zo hebben we een strategie ontwikkeld voor de komende tien jaar.” Onlangs is een grote stap gezet door te bepalen dat SEKEM geen familiebedrijf meer is maar eigendom van een trustfonds.

In de context van een wereldwijd streven naar verduurzaming van voedselproductie, en een roep om rechtvaardiger economische modellen, zou Maximilian graag zien dat producenten en consumenten samen in gesprek gaan. “Ze zouden elkaar in de ogen moeten kijken, onderzoeken welke behoefte er is en de waarde van iets bepalen. Die traditionele marktplaats bestaat niet meer, maar wij proberen bij SEKEM iets te ontwikkelen dat daarop aansluit en een microkosmos van de maatschappij vormt waarin alle verschillende elementen samenkomen. Als de systemen wereldwijd instorten zoals nu al in Libanon gebeurt, dan zouden de tweeduizend boeren en producenten die in onze microkosmos samenwerken overeind blijven.’

Op 31 augustus en 1 september spraken Joslin, Bashar en Maximilian tijdens een masterclass en een publieksevent op de universiteit in Wageningen. De opname van het publieksevent is terug te zien op ons YouTube kanaal.

De bijeenkomsten waren georganiseerd door het Grote Midden Oosten Platform in samenwerking met Vriendenkring SEKEM en StartHub Wageningen, en met steun van de Iona Stichting.

De bijeenkomsten sloten aan op het Green MENA Network project van het Grote Midden Oosten Platform, waarin duurzame initiatieven in het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA) in kaart worden gebracht. Het project heeft als doel mensen en organisaties in Nederland te motiveren om in het Midden-Oosten samenwerkingsverbanden aan te gaan die gebaseerd zijn op duurzaamheid en zorg voor milieu en samenleving. Meer informatie op deze webpagina of via info@hetgrotemiddenoostenplatform.nl.

Sociaal ondernemen in de Arabische wereld, leer het van de ervaringsdeskundigen. Aflevering 2: Bashar Humeid

Allen werden voor gek verklaard omdat ze onmogelijke dromen zouden najagen en niet naar snelle oplossingen of succes zochten. Nu hun werk vruchten blijkt af te werpen, loont het de moeite van hen te horen wat er komt kijken bij idealistische ondernemen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Hun aanpak is verschillend maar over enkele zaken zijn ze het eens: de regio is lang niet zo droog en onvruchtbaar – en dus geschikter voor landbouw – als veelal gedacht. Daarnaast biedt de hoogopgeleide bevolking veel kansen. Ten slotte hechten de drie veel belang aan de relatie met lokale gemeenschappen. Het betrekken van plaatselijke boeren, ondernemers en consumenten is de beste garantie om een werkelijk duurzame impact te hebben.

In drie portretjes stellen we ze aan je voor: Joslin Kehdy, oprichter en directeur van het Libanese Recycle Lebanon, beet een paar dagen geleden het spits af. Nu is het de beurt aan Bashar Humeid, oprichter van Meezan.cc en medeoprichter van Yanboot.com.

Meezan is een non-profit onderneming die low-tech methoden ontwikkelt op het gebied van bouw, landbouw en energie-en waterbesparing voor Jordanië en het Midden-Oosten. Yanboot is het toonaangevende merk in Jordanië als het gaat om biologische landbouw en voedselproductie.

Bashar heeft een Duitse moeder, maar is geboren en getogen in Jordanië. Hij werkt nu aan zijn PhD over de relatie tussen hernieuwbare energie en politieke controle aan de Technische Universiteit van Darmstadt in Duitsland. Hij was met zijn Tesla vanuit Duitsland naar Wageningen gekomen om zijn ervaringen over ondernemerschap te delen met Nederlandse belangstellenden.

“Mijn opa was schoenmaker in Nablus, Palestina”, vertelt hij. “Mijn vader studeerde [nadat de familie in 1967 naar Jordanië gevlucht was voor de Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever, red] voedingswetenschappen en werd voedselinspecteur. Maar in zijn hart was hij ondernemer. Zoals veel Palestijnen in Jordanië begon hij allerlei bedrijven. De laatste was een succes, een kaasfabriek. Hij experimenteerde eindeloos met schapenmelk en ontwikkelde de schapenkaas Farida, geproduceerd door een honderdtal kleine schapenboeren.”

De manier waarop zijn vader een bedrijf opbouwde is steeds meer een voorbeeld geworden voor Bashar. “Hij had geen kapitaal, alleen spaargeld, en leende wat van een paar vrienden. Hij slaagde erin zijn bedrijf  organisch te laten groeien. Hij noemt zich geen sociaal ondernemer, maar de manier waarop hij werkt is wel degelijk sociaal en duurzaam.”

De schapenkaas Farida, van Bashar Humeids vader.

Bashar kwam tot het besef dat het traditionele bedrijf van zijn vader heel veel impact had, simpelweg omdat het was ingebed in de lokale gemeenschap. Zonder ondersteuning van de VN, of als NGO, was het bedrijf sociaal en duurzaam. Het was voor hem een openbaring: “Die labels voegen op zich helemaal niets toe. De markt is van zichzelf sociaal, zonder al die overheidsinterventies.”

Bashar en zijn vader begonnen een bedrijf in biologische groente en fruit toen Jordaniërs nog nauwelijks geïnteresseerd waren in biologisch voedsel. Als hem gevraagd wordt hoe hij dan toch een dergelijk bedrijf kon ontwikkelen, zet hij uiteen dat in Jordanië veel kanker voorkomt, en er een groeiend besef is van een onder meer voedselgerelateerd probleem. We hebben publiek betrokken bij ons landbouwbedrijf, mensen uitgenodigd er te komen kijken en te eten. Zo hebben we stap voor stap een community opgebouwd. Het duurde zes jaar voordat we break-even waren, en dat kwam voor een deel omdat we vertrouwen moesten winnen.”

Inmiddels beschouwt hij het Midden-Oosten en Noord-Afrika als een gebied met enorm potentieel. dankzij het klimaat en een bevolking waarbij het ondernemerschap en de handelsgeest ingebakken zit. Bashar ontdekte dat de ‘markt’ als concept wortels heeft in de Arabische wereld, met dank aan de vele Arabische handelaren en ondernemers die de wereld over trokken, naar China, India en andere verre landen. “Dankzij deze Arabische handelaren hebben we nu gewassen als sinaasappels, mango’s, katoen. De kennis en techniek daarover kwamen in vroeger eeuwen van Oost naar West, en van Zuid naar Noord, anders dan nu,” aldus Bashar. Hij vindt het belangrijk dat we ons daarvan in het Westen bewust zijn.

Het feit dat boeren het in deze tijd zo moeilijk hebben wijt hij voor een deel aan internationale banken en overheden die iedereen aanmoedigden leningen af te sluiten. Hij heeft moeite met top-down oplossingen vanuit overheden of academici (waartoe hij zichzelf ook rekent). “Ik heb uit ervaring geleerd dat kennis van onderaf komt. Het is een verkeerde aanname dat wij academici meer weten over milieu en ontwikkeling dan boeren en lokale gemeenschappen. Of meer dan gewone kleine ondernemers.”

Daarom pleit hij ervoor dat startende ondernemers uit het buitenland ter plekke onderzoeken welke problemen de lokale bevolking heeft. “Probeer zoveel mogelijk te vergeten wat je op school en de universiteit hebt geleerd,” zegt hij stellig. “Ontwikkel geen businessmodel dat geen rekening houdt met de prioriteiten van lokale gemeenschappen. Vaar ook niet blind op de agenda’s van internationale donoren en NGO’s: Ook al hebben die de beste bedoelingen, ze corrumperen de bevolking met valse oplossingen. Echte oplossingen komen uit de markt en de gemeenschappen zelf.” Hij wijst in dit verband naar het schapenkaasbedrijf van zijn vader.

Bashar is heel kritisch over de oplossingen die op mondiale schaal worden aangedragen voor grote milieuvraagstukken. Hij is ervan overtuigd dat decentralisatie van beleidsontwikkeling een oplossing is voor veel problemen, of het nou gaat om de energietransitie of om een socialere markt. “Zoals de natuur decentraal is. Onze natuur heeft geen centraal controlesysteem nodig, en dat moeten we nu ook niet gaan creëren. De natuur creëert haar eigen weerbare en duurzame oplossingen voor problemen.”

Hij heeft dan ook grote bezwaren tegen bepaalde initiatieven die klimaatverandering moeten vertragen: “Nucleaire energie wordt nu ineens opgevoerd als duurzame oplossing, en moet centraal geregeld. Emissierechten die een markt zonder waarde vormen, ook weer centraal geregeld. Deze ‘oplossingen’ komen niet voort uit gemeenschappen. Het is belangrijk om je altijd af te vragen waar de oplossingen bedacht zijn en wiens probleem ze oplossen.”

De hele masterclass van Bashar Humeid is te zien op zijn youtube kanaal. Daarin legt hij ook uit hoe hij aankijkt tegen ontwikkelingen in de mondiale duurzaamheidsbeweging.

Sociaal ondernemen in de Arabische wereld, leer het van de ervaringsdeskundigen. Aflevering 1: Joslin Kehdy

Allen werden voor gek verklaard omdat ze onmogelijke dromen zouden najagen en niet naar snelle oplossingen of succes zochten. Nu hun werk vruchten blijkt af te werpen, loont het de moeite van hen te horen wat er komt kijken bij idealistische ondernemen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Hun aanpak is verschillend maar over enkele zaken zijn ze het eens: de regio is lang niet zo droog en onvruchtbaar – en dus geschikter voor landbouw – als veelal gedacht. Daarnaast biedt de hoogopgeleide bevolking veel kansen. Ten slotte hechten de drie veel belang aan de relatie met lokale gemeenschappen. Het betrekken van plaatselijke boeren, ondernemers en consumenten is de beste garantie om een werkelijk duurzame impact te hebben.

In drie portretjes stellen we ze aan je voor: Joslin Kehdy, oprichter en directeur van het Libanese Recycle Lebanon, bijt het spits af.

Joslin Faith Kehdy is de oprichter en directeur van Recycle Lebanon. Ze woont zonder netaansluiting in het dorpje Baskinta in de bergen van Libanon. Daarvóór zat ze jarenlang in de hoofdstad Beirut, op Hawaï en in Londen. Ze werkte hard, en genoot van het goede leven.

In 2015 gebeurde er iets dat haar op een heel ander spoor zette. In Libanon ontbrandde een vuilniscrisis die de hele bevolking in rep in roer bracht. Duidelijk werd hoezeer Libanon een falende staat is, en hoe noodlottig alle publieke sectoren van corruptie zijn doortrokken.

Joslin legt het uit aan haar Nederlandse publiek: “De overheidssectoren zijn allemaal onderling verbonden. En dus houdt het vuilnisprobleem verband met problemen op het gebied waterbeheer, met de manier waarop landbouw is georganiseerd, met behoeftes van de bevolking, en ga zo maar door.”

Oplossingen voor de problemen in het land moeten volgens haar daarom zo veelomvattend mogelijk zijn, en niet vanuit kokers of op onderdeeltjes worden uitgedacht. En: “Als we onze maatschappij willen veranderen, moeten we onszelf veranderen, ons weer met ons hart verbinden met de aarde en met de mensen om ons heen.”

Joslin begon zich af te vragen wat er nodig was om de gebroken systemen te vervangen. “Hoe brengen we waarden als ‘liefde’ en ‘zorg’ terug in een maatschappij die mensen geleerd heeft om elkaar te beschadigen en leeg te trekken?” Het was deze vraag die Joslin in 2015 motiveerde om Recycle Lebanon op te richten, met als ondertitel ‘re-psycle our lineair mindset towards circular action’.

“De Mediterrane regio heeft een rijke cultuur van ambachten en natuurlijke producten, daar kan je op voortbouwen.”

Hoewel men haar voor gek verklaarde was Joslin vastberaden om op holistische wijze (“want alles hangt met elkaar samen”) het systeem te veranderen. Ze ging daarbij stap voor stap te werk. Haar eerste initiatief was Dive into Action’, een project rond stranden schoonmaken als manier om in gesprek te gaan met jongeren over plastic en verpakkingen van alles wat er te koop is. Ze begon ook te netwerken over deze thema’s, internationaal.

Daarna startte ze de EcoSouk, zogenaamd de eerste zero-waste shop in het Midden-Oosten, “wat natuurlijk onzin is, want in onze regio werden vroeger nooit verpakkingen gebruikt, dus was alles zero-waste. Het ging mij erom duidelijk te maken dat de plasticindustrie mensen heeft laten vergeten hoe het altijd was.”

Met ‘Terrapods’ in haar dorp Baskinta volgde ook nog een gecombineerde plek voor een arts residency, ecodesign en agroecology, “een speeltuin voor nieuwsgierigheid.”

De basis van alle initiatieven werd Regenerate Hub: een platform voor circulaire economie om natuurlijke oplossingen te versterken. Het woord ‘Hub’ staat zowel voor het Engelse ‘knooppunt’, als voor de Arabische betekenis van het woord Hubb, ‘Liefde’. “Want zonder liefde gaan we dit niet overleven”, aldus Joslin.

Screenshot van Regenerate Hub

Het digitale platform maakt zichtbaar welke initiatieven en bedrijven er zijn op het gebied van verweven thema’s als lucht, water, vervuiling, energie, recycling, grond. Aan de hand van ingenieuze filters kunnen er nog veel meer verbanden worden gelegd tussen thema’s en bedrijven. De data zijn beschikbaar voor iedereen die alternatieve systemen ontwikkelt of dat wil doen – voor activisten, ondernemers, industrie, NGOs en politici.

Aanvankelijk werkte Joslin welbewust zonder financiële ondersteuning om haar ideeën onafhankelijk te ontwikkelen. Toen de proefprojecten waren uitgevoerd was ze zover om geld aan te nemen van de Japanse ambassade en van de UNDP, het ontwikkelingsfonds van de Verenigde Naties. Zo bouwt ze op een organische manier haar initiatieven uit.

In de komende tijd hoopt ze dat Terrapods echt van de grond koopt, en dat het platform Regenerate Hub wordt uitgebreid naar buurlanden en naar Noord-Afrika. Ze ziet veel mogelijkheden voor startende sociale ondernemers, ook uit het buitenland. “De Mediterrane regio heeft een rijke cultuur van ambachten en natuurlijke producten, daar kan je op voortbouwen.” Ze doelt onder meer op de millennia oude landbouwculturen, die behalve granen ook hennep, vlas, en eindeloos veel groenten en fruit voortbrachten. “Maar”, zo roept ze aankomende ondernemers in Wageningen op, “vraag je altijd af wat de impact is van wat je doet op een gemeenschap, daar moet het om gaan in je bedrijf, daarna pas over hoeveel winst je maakt.”

De bijeenkomsten werden georganiseerd door het Grote Midden Oosten Platform in samenwerking met Vriendenkring SEKEM en StartHub Wageningen, en met steun van de Iona Stichting.
De bijeenkomsten sluiten aan op het Green MENA Network project van het Grote Midden Oosten Platform, waarin duurzame initiatieven in het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA) in kaart worden gebracht. Het project heeft als doel mensen en organisaties in Nederland te motiveren om in het Midden-Oosten samenwerkingsverbanden aan te gaan die gebaseerd zijn op duurzaamheid en zorg voor milieu en samenleving. Meer informatie op deze webpagina of via info@hetgrotemiddenoostenplatform.nl.

 

Recensie: Grenzen tussen genres losgelaten, verbinding via waterwegen en lichamen

Sabrina Mahfouz heeft een boek afgeleverd zoals ik het nog niet vaak gelezen heb. Een mix van uiterst openhartige memoires met informatie en documentatie over de rol van water in de koloniale geschiedenis tussen het Britse Rijk en het Midden-Oosten en het belang van water in het Midden-Oosten nu. Als een professionele theatermaker – want dat is ze – springt ze van de ene scene naar de andere, van persoonlijk naar politiek, van historisch naar maatschappelijk en rijgt al die elementen associatief en lenig aan elkaar. Als lezer wordt je meegevoerd in alle verhaallijnen en spring je mee van het ene niveau naar het andere.

De titel, ‘These Bodies of Water’, verwijst tegelijk naar het microniveau van het lichaam, dat voor zeventig procent uit water bestaat, het macroniveau van zeeën en rivieren die zo’n belangrijke rol spelen in de geschiedenis en het tussenliggende niveau van het belang van schoon drinkwater om te overleven. Mahfouz vertelt hoe ze door onderzoek erachter kwam hoe belangrijk water is (geweest) in de confrontaties tussen het Britse Rijk en het Midden-Oosten. Er wordt vaak gezegd dat alles draait om olie, maar water speelt zeker zo’n belangrijke rol. De macht over het Suezkanaal en de Rode Zee om het transport van olie en andere grondstoffen veilig te stellen, de toegang tot havens in Jemen, Koeweit en Bahrein en de pogingen om zout water zoet te maken in de Golf, het zijn allemaal belangrijke geopolitieke onderwerpen waar het Britse Rijk bij betrokken is of was.

Het Midden-Oosten, terecht beschreven als een koloniale term, en het Britse Rijk komen samen in de auteur Sabrina en in heel veel van haar vrienden, the diasporic dreamers, aan wie ze het boek heeft opgedragen. Hun ouders zijn opgegroeid in een van de kolonies van dit wereldrijk en zijn naar Londen getrokken, ook een beetje hun hoofdstad. Sabrina is tegelijk een echte Londenaar en een wereldbewoner, ze bracht haar jeugd grotendeels door in Cairo waar haar vader vandaan kwam en voelt verwantschap met Guyana, het oorspronkelijke land van haar moeder. Voortdurend moet ze zich in Londen verantwoorden voor haar lichte huid, haar Arabische achternaam en de plaatsen waar ze heeft gewoond. Rode draad in dit boek is het interview dat de ik-persoon heeft met een ‘Vetting Officer’, een ambtenaar van het Ministerie van Defensie die haar moet keuren en beoordelen of zij promotie kan maken en daardoor toegang mag krijgen tot geheime informatie. Deels is dit interview autobiografisch en deels een narratief kader waarmee we door het boek worden geleid.

Sabrina Mahfouz ©Borsht/Wikipedia

De compositie verdient sowieso extra aandacht want aan de hand van prachtige titels die allemaal verwijzen naar water, reizen we langs verschillende landen in het Midden-Oosten. We gaan aan boord in Haven 1 (Egypte) om dan langs Getijden (Jemen), Bronnen (Bahrein), Zijrivieren (Koeweit), Drooglegging (Irak), Verdamping (Palestina), Poreus (VAE) en Samenloop (Jordanië) weer aan te meren in Haven II (Engeland). Als een kapitein laveert de schrijfster ons als passagiers langs alle waterwegen, havens en wetlands die belangrijk zijn (geweest) in de koloniale verhoudingen en het leven in het Midden-Oosten nu. Ondertussen leren we hoe de Egyptische obelisk Cleopatra’s Needle langs de oever van de Theems terecht kwam, welke belangen Engeland nog steeds heeft in het Suez Kanaal, welke macht de piraten hadden in Jemen, waarom er een Britse marinebasis is in Bahrein, hoe de grondwet van de Koeweit gunstig uitpakte voor de vrouwen daar, welke gevolgen de drooglegging van de moerassen had in Irak, waarom er open riolen zijn in Gaza, welke ontziltingsprojecten er zijn in Dubai en waarom er zoveel vrouwelijke loodgieters zijn in Jordanië. En alsof dat nog niet genoeg is, leren we ook de ik-verteller steeds beter kennen. Openhartig deelt ze haar heftige levenservaringen en laat ze zien wat er kan gebeuren als een jonge Londenaar zonder beschermende familie en bijbehorend kapitaal toch een universitaire opleiding wil doen en toegang wil krijgen tot een carrière bij de overheid. Hoe ver zij in deze carrière komt, is de spanningsboog in dit boek want een en ander hangt af van het interview met de Vetting Officer.

Sabrina Mahfouz koos uiteindelijk voor de kunst (theater, performance, literatuur) als de omgeving waar ongelijke verhoudingen, onrecht en macht kunnen worden onderzocht, ter discussie gesteld en geheeld. Ze koos ook voor het body work, de inzet van het eigen lichaam om te reageren op instituties van macht en geweld. Dit leidde in 2019 tot de theatervoorstelling A History of Water in the Middle East, gespeeld in het Royal Court Theatre in Londen. Voor degenen die die voorstelling gemist hebben, is er nu dit boek. Een collage van teksten waarbij de grenzen tussen genres zijn losgelaten en de verbindingen lopen via waterwegen en lichamen, bodies of water.

De Shrinking Civic Space in de MENA-regio: Abdulrahman (Irak), Aram (Jemen), Saif (Tunesië) en Fariba (Iran) vertellen over hun ervaringen met shrinking civic space in hun land

In de civic space, de openbare of publieke ruimte, kunnen zowel individuen als groepen bijdragen aan beleidsvorming die van invloed is op hun leven. Dit doen ze door informatie te vergaren, dialoog aan te gaan, lucht te geven aan onenigheid of een meningsverschil, en door samen te komen om een gezamenlijk standpunt uit te dragen. In een situatie waarin deze ruimte aan het krimpen is en er dus sprake is van een shrinking civic space, worden bovenstaande zaken niet meer, of minder, getolereerd. Zo wordt het niet alleen individuele burgers, maar ook burgerorganisaties en met name ngo’s moeilijker gemaakt om zich in te zetten voor de maatschappij. Met name activisme wordt niet gewaardeerd, of het nu gaat om politiek, milieu of mensenrechten.

Voor dit artikel interviewde ik een aantal jonge mensen uit de MENA-regio, van wie het werk wordt bemoeilijkt door de shrinking civic space in hun land: Abdulrahman (26) uit Irak, Aram (24) uit Jemen, Saif (24) uit Tunesië en Fariba (aangepaste naam op verzoek) (26) uit Iran. De situaties waarin de geïnterviewde personen zich bevinden zijn totaal verschillend, maar allemaal hebben ze te maken met een shrinking civic space – of zoals sommigen het zelf beschreven: een already shrunken civic space. Tijdens de online interviews stelde ik iedereen dezelfde zes vragen, die betrekking hadden op hun achtergrond en werk, hoop en dromen, grootste uitdagingen/moeilijkheden, gevaarlijke situaties/ervaringen, prestaties/successen en eventuele oplossingen.

Abulrahman (26), Irak

Abdulrahman Nasir is 26 jaar oud en woont in Erbil, de hoofdstad van de federale staat Iraaks-Koerdistan. Hij studeerde in 2018 af aan Cihan University (Erbil, Irak) in English Translation Studies. Tijdens de afgelopen jaren heeft hij zich voornamelijk beziggehouden met het voorkomen van gewelddadig extremisme, de Sustainable Development Goals en de Youth, Peace and Security (YPS) 2250 resolutie van de Verenigde Naties. Momenteel is Abdulrahman werkzaam als Human Rights and Freedoms Program Manager en Youth, Peace and Security Advisor bij de Peace and Freedom Organization (PFO).

Hoop/dromen: “Onze droom in Irak is om als jonge mensen veel meer deel te kunnen nemen aan besluitvorming. Sinds de revolutie in Irak in oktober 2019 zijn er dingen aan het veranderen. Het gaat heel langzaam en stapje voor stapje, maar de volwassenen en ambtenaren die alles controleren in ons land beginnen een beetje respect te hebben voor jonge mensen. Sommige ambtenaren gaan nu in gesprek met jongeren en luisteren naar wat ze te zeggen hebben omdat ze zagen dat Iraakse jongeren anders gingen protesteren. We willen magische oplossingen maar zo werkt het niet. We moeten vertrouwen houden en doorgaan tot het einde, ooit zullen we de situatie hier veranderen.”

Grootste uitdagingen/moeilijkheden: “De veiligheidssituatie in Irak is het grootste probleem. Mensen buiten Irak denken dat alle Iraakse burgers zijn zoals IS en dat ons land niet beschaafd is, we moeten iedereen bewijzen dat we geen slechte mensen zijn. Ook de media beschrijven ons met zulke stereotypen. Maar we kunnen net zoals jullie leven en net zoals jullie zijn, bovendien is in vrede leven een fundamenteel mensenrecht. Op een dag zal de wereld zien wat Irak is en waartoe het Iraakse volk allemaal in staat is, we hebben zoveel geweldige en slimme Irakezen. Helaas vertrekken veel van die mensen naar het buitenland omdat ze zich hier niet veilig voelen. Maar we hebben hoop, en we moeten ons altijd blijven inzetten voor een betere realiteit en toekomst voor Irak.”

Gevaarlijke situaties/ervaringen: “Eén keer, toen ik in Bagdad was voor een activiteit van PFO, werd ik daar bedreigd, de dag erna ben ik meteen terug naar Erbil gegaan. Als je hier in vrede wil werken en leven, dan moet je de overheid te vriend houden. Je moet echt de overheid in gedachten houden bij alles wat je doet. Ik heb bijvoorbeeld nog nooit iets dat gerelateerd is aan mijn werk op mijn Facebookpagina of op mijn Instagram geplaatst en slechts een aantal mensen in mijn omgeving weten wat voor werk ik überhaupt doe, je kunt niemand vertrouwen. Wanneer ik spreek op internationale evenementen of in interviews, voel ik me alleen maar veilig omdat alles in het Engels gaat en de meeste Irakezen het daarom toch niet begrijpen. De civic space in Irak is vaak niet veilig, je kunt in veel gevallen niet vrijuit spreken. Veel Irakezen willen gehoord maar ook beschermd worden. Zelf ben ik een aantal weken geleden voor het eerst vader geworden en nu ik een zoon heb, maak ik me ook een stuk meer zorgen.”

Prestaties/successen: “Ik ben ontzettend trots dat ik eraan heb meegewerkt om ervoor te zorgen dat de Iraakse overheid in december 2020 de nationale coalitie voor Youth, Peace and Security heeft opgericht. Dit was echt een mijlpaal voor mij. Verder ben ik trots op het feit dat ik veel bekenden die een slecht beeld hadden van het maatschappelijk middenveld en van ngo’s, heb overtuigd dat hun ideeën waren gebaseerd op stereotypen. Zij hebben nu een positieve indruk van maatschappelijke organisaties.”

Oplossingen: “Belangrijk is dat de internationale gemeenschap, ngo’s en donoren niet op slechts één persoon in Irak vertrouwen wanneer het aankomt op geld. In Irak is veel corruptie en daardoor gaat er veel geld verloren dat bedoeld was voor goede dingen. Het is belangrijk en beter om maatschappelijke organisaties en lokale ngo’s te vertrouwen. Het is wel belangrijk om erop te letten  of deze organisaties geen gepolitiseerde agenda hebben of een agenda die in strijd is met bepaalde mensenrechten want er zitten ook organisaties tussen die bijvoorbeeld een bepaalde politieke partij in Irak volgen. Daarnaast hebben we de internationale gemeenschap nodig om druk uit te oefenen op onze regering: die moet de rechten van het Iraakse volk, en vooral het grote aantal jonge mensen in ons land, respecteren; 69% van de Irakezen is jonger dan 30 en het is onze droom om de huidige situatie in Irak te veranderen. Ik geloof dat op een dag jonge mensen het verschil zullen maken.”

Aram (24), Jemen

Aram Mahmood is 24 jaar oud en woont in Aden, Jemen. Ze studeerde in 2020 af aan de University of Aden in Architectural Engineering. Ze is momenteel werkzaam als Programmes and Projects Manager bij de organisatie Three tracks, die zich bezighoudt met ontwikkeling, identiteit en vredesopbouw. Tijdens de afgelopen zeven jaar –dus sinds het begin van de burgeroorlog in Jemen – heeft Aram zich voornamelijk beziggehouden met het betrekken van jongeren bij ontwikkeling en identiteit, en met conflictgevoeligheid en het versterken van vreedzaam samenleven.

Hoop/dromen: “Ik heb veel hoop en ambities en er zijn veel dingen die ik wil veranderen. Ik woon in een land waar een conflict gaande is en wil een betere toekomst voor mij en mijn familie, voor de mensen in dit land. Verder wil ik Jemenitische mensen kennis bijbrengen over universele mensenrechten, zodat ze om deze rechten zullen durven vragen. Daarnaast zou ik willen dat meisjes en vrouwen een beter leven krijgen en dat ze een belangrijkere rol kunnen spelen in de samenleving door bij alle sectoren betrokken te worden, ook in de politiek bijvoorbeeld. Jemen doet zich misschien voor als een democratisch land maar dat is het niet, en je leven kan vernield worden als je je over bepaalde dingen uitspreekt. Verder hoop ik dat in de toekomst, jonge mensen en vrouwen meer betrokken worden bij besluitvormingsprocessen in ons land. Ik wil een inclusievere regering, waarin de samenleving van Jemen vertegenwoordigd wordt zoals deze is.”

Grootste uitdagingen/moeilijkheden: “De grootste uitdaging is het aanhoudende conflict in Jemen, en daarmee samenhangend de verdeeldheid en verschillende regeringen in ons land. Momenteel hebben we in het noorden van Jemen één regering en in het zuiden van Jemen twee regeringen. En alle drie zijn ze niet geïnteresseerd in het veranderen van de huidige situatie in Jemen. De regering in het noorden is erg conservatief en staat lokale organisaties niet toe projecten uit te voeren die te maken hebben met ontwikkeling of peacebuilding. Alleen puur humanitaire projecten en noodhulp zijn toegestaan. Daarnaast is het in het zuiden van Jemen vaak niet duidelijk welke van de twee regeringen er precies regeert en welke van de twee het voor het zeggen heeft over bepaalde zaken. Het is daardoor bijvoorbeeld niet duidelijk aan wie we precies toestemming moeten vragen voor bepaalde projecten, alles gaat erg moeizaam. De situatie in Jemen is onstabiel en dat heeft veel invloed op de uitvoering van projecten, vooral wanneer deze gericht zijn op ontwikkeling of peacebuilding.”

Gevaarlijke situaties/ervaringen: “Helaas heb ik veel ervaring op dat gebied. Tijdens het aanhoudende conflict in Jemen zijn al veel willekeurige gebouwen gebombardeerd, waaronder een keer ons huis. Gelukkig waren we toen al vertrokken. De andere ervaringen hebben betrekking op mijn werk en op de uitvoering van bepaalde projecten. Twee keer heb ik meegemaakt dat ik in een bepaalde regio aankwam voor een project en dat een groep mensen met wapens op ons afkwam en ons bedreigde en ons vertelde weg te gaan. Verder zijn er veel conservatieve religieuze groepen die ons lastigvallen wanneer we projecten uitvoeren met betrekking tot de empowerment van vrouwen en vrouwenrechten. We worden dan uit bepaalde gebieden verbannen omdat we volgens deze groepen de heersende tradities en religie zouden veranderen.”

Prestaties/successen: “Er zijn veel prestaties en successen waar ik trots op ben, maar ik zal wat vertellen over de twee die het belangrijkste zijn voor mij. Als eerste een project dat bedoeld was om vreedzaam samenleven in Jemen te bevorderen. Tijdens het uitvoeren van dit project hebben we een enorm succes geboekt door jonge social media influencers uit het noorden en het zuiden van Jemen samen te brengen. We hebben hen trainingen gegeven over peacebuilding en over het promoten van vreedzaam samenleven. Dit project had een grote impact op deze jongeren en resulteerde in de vorming van een jongerenplatform dat gericht is op het promoten van co-existentie, de acceptatie van verschillen, en het bouwen van gemeenschappen die deze principes ondersteunen. De tweede prestatie waar ik erg trots op ben is mijn deelname aan de Jemenitische delegatie voor The Youth Forum in the Arab Region 2019 in Tunesië, waar ik heb bijgedragen aan het voorbereiden en opstellen van de Arab Youth Charter.”

Oplossingen: “Om te beginnen, zou de internationale gemeenschap ons kunnen helpen door meer druk uit te oefenen op de verschillende regeringen in Jemen om één verenigde regering te vormen. Verder denk ik dat we alvast vooruit moeten kijken naar het stadium dat na afloop van het conflict gaat komen. We moeten ons dan richten op de generatie die de oorlog heeft meegemaakt en proberen deze mensen te betrekken bij de wederopbouw van hun land, bijvoorbeeld door hen te betrekken bij verschillende projecten. Ook moeten er tegen die tijd banen gecreëerd worden voor ex-strijders, jongeren en vrouwen, zodat ook zij een financiële basis kunnen hebben. Jemen heeft ontzettend veel natuurlijke hulpbronnen en de regering zou de inkomsten daarvan moeten gebruiken om onze mensen te helpen.”

Saif (24), Tunesië

Saif Edinne Sliti is 25 jaar oud en woont in Tunis, de hoofdstad van Tunesië. In zijn CV omschrijft hij zichzelf als Technician in civil engineering / Senior technician in public works. Daarnaast is hij al vanaf de oprichting betrokken bij het G12 initiatief, is hij één van de oprichters van de Downstream Sugar Campaign en is hij de CEO van IDO. Deze organisaties houden zich voornamelijk bezig met ontwikkelingsprojecten, de Sustainable Development Goals en milieukwesties.

Hoop/dromen: “Mijn belangrijkste zorg op dit moment is het werken aan de Sustainable Development Goals. Ik richt mijn hoop op deze en de volgende generatie en wil iedereen informeren over zijn/haar rechten. Mijn focus ligt op vergroting van het bewustzijn van de mensen en op het verdedigen van hun rechten. Door de veranderde politieke situatie sinds de nieuwe president worden mensenrechten, democratie, sociale en politieke rechten en vrijheid, onder andere van demonstreren, bedreigd. Het is erg belangrijk om deze rechten te blijven propageren.”

Grootste uitdagingen/moeilijkheden: “De grootste uitdaging is de veranderde politieke situatie. We hadden een democratie, we hadden het recht om onze stem te verheffen en om over alles te praten, het land werd geregeerd door meerdere mensen. Maar het huidige regime controleert alles. De president kan op elk moment wetten uitvaardigen en al het werk wat we hebben gedaan stilleggen en tenietdoen. Dit alles begon op 25 juli 2021 toen de huidige president een coup pleegde en het leger er niets tegen deed, sindsdien zijn er veel dingen veranderd. Zowel binnen Tunesië als ook wat betreft de relatie van Tunesië met andere Arabische landen en met Europese landen, dit zal ons land op verschillende manieren beïnvloeden. De huidige president is erg controlerend en wil niet dat iemand tegen hem ingaat of iets zegt over rechten of de vrijheid in Tunesië. Maar onze hoop is er nog steeds, we werken samen met andere organisaties en vechten voor politieke rechten en persoonlijke vrijheden. Mijn generatie moet de prijs betalen voor wat er nu gebeurt. We doen dit voor de volgende generatie, om uiteindelijk in een maatschappij te kunnen leven waarin iedereen zijn en haar rechten en vrijheden heeft en iedereen gelijk is. Wij, de mensen, zijn niet het bezit van het land of van de staat, het volk heeft de macht.”

Gevaarlijke situaties/ervaringen: “Geen commentaar.”

Prestaties/successen: “Er zijn veel redenen dat ik trots ben. Ik begon ooit met het werken aan een project rond een enorme vuilnisbelt hier in de regio, we waren met slechts drie personen. Inmiddels zijn we met een grote groep, geven we veel workshops en zijn we een organisatie geworden. Verder ben ik erg trots dat ik Tunesiër ben en mij hier inzet voor de rechten van alle Tunesiërs. Als je onderdrukt wordt maar opstaat tegen je onderdrukker, dan is dat iets om trots op zijn.”

Oplossingen: “Met het oog op de Sustainable Development Goals waarvoor ik me inzet, zijn gedeelde inspanningen nodig, op zowel regionaal als internationaal niveau. Het is erg belangrijk om ervaringen te delen en om naar elkaar te luisteren. Luister naar Tunesische mensen, activisten en organisaties, deel ervaringen met regionale en mondiale organisaties en leer van elkaar. Wat betreft oplossingen voor de huidige situatie in Tunesië heb ik geen commentaar.”

Fariba (26), Iran

Fariba (aangepaste naam op verzoek) is 26 jaar oud en woont in Teheran, Iran. Ze heeft een universitair diploma in Business Administration. Daarnaast is ze de oprichtster van een organisatie die door jonge vrouwen wordt geleid. Deze organisatie geeft workshops aan jongeren tussen 15 en 25 jaar oud over diverse onderwerpen: zowel over begrippen als cultureel geweld,  structureel geweld, positieve vrede en negatieve vrede, als over hoe jongeren beter kunnen communiceren met hun omgeving over wat ze zelf eigenlijk willen. Daarnaast doet Fariba onderzoek naar de huidige realiteit en obstakels van MENA-peacebuilders, met betrekking tot financiële duurzaamheid, mobiliteit en bescherming.

Hoop/dromen: “Ik wil dat iedereen in de wereld mobiel is en overal naartoe kan gaan en alles zelf kan zien en ontdekken. Vertrouw niet op stereotypen maar ontdek zelf dingen, dat is zo belangrijk. Zo kun je de wereld zien door de lens van verschillende mensen en ben je in staat banden aan te gaan met mensen die soms heel anders zijn dan jij. Je wordt nieuwsgieriger en gastvrijer en staat open voor verschillende culturen en levensstijlen. Verder hoop ik dat de nieuwe generatie geleerd wordt dat het oké is om hulp te vragen en dat je niet alles alleen hoeft te doen. Ik denk dat de nieuwe generatie behoefte heeft aan acceptatie en tolerantie en aan het idee dat het goed is om anders te zijn. Het is belangrijk om toe te leven naar een wereld waarin mensen vrij zijn om te kiezen wat echt belangrijk is voor henzelf en om daar vreedzaam naartoe te werken.”

Grootste uitdagingen/moeilijkheden: “Gebrek aan steun, gebrek aan mensen die dezelfde visie delen, gebrek aan donoren, gebrek aan begrip voor onze context. Vaak kun je alleen financiering ontvangen wanneer je een internationale bankrekening hebt en wanneer je als organisatie geregistreerd staat, wat in ons geval onmogelijk is. Eén keer hadden we bijna financiering gekregen, maar toen werd er van ons verwacht dat we video’s van ons werk op YouTube of Instagram zouden plaatsen of anders een blog met foto’s zouden bijhouden, zoiets is onmogelijk vanwege de huidige veiligheidssituatie maar dat lijkt men niet te begrijpen.”

Gevaarlijke situaties/ervaringen: “Geen commentaar.”

Prestaties/successen: “Er zijn veel mooie momenten en prestaties geweest. Ik kan het samenvatten door te zeggen dat ondanks alle risico’s, wij ons werk blijven doen juist vanwege die grote prestaties en mooie momenten die we erdoor beleven, en omdat ze zo levensveranderend en geweldig zijn. Wanneer jonge meiden na een workshop naar me toe komen en zeggen dat ze zo dankbaar zijn omdat ze nu beter weten hoe ze hun ouders kunnen duidelijk maken dat ze dingen willen veranderen, bijvoorbeeld  hun studierichting, of dat ze willen verhuizen naar een andere stad, dan voel ik me heel trots. Ook hebben we een keer een workshop georganiseerd voor kinderen onder de tien jaar en het was verbazingwekkend om te zien dat zulke jonge mensen het concept vrijheid echt leken te begrijpen, en ook leken in te zien dat het soms nodig is een prijs te betalen om voor vrijheid te vechten. Dit was heel mooi om te zien en maakte mij erg trots.”

Oplossingen: “Vertrouwen is ontzettend belangrijk. Vertrouw ons alsjeblieft als we zeggen dat de veiligheidssituatie op dit moment erg slecht is. Denk niet dat we overdrijven en denk alsjeblieft niet dat je weet wat onze context is. Vertrouw de Iraanse jeugd als deskundigen van hun eigen realiteit, ook wanneer het gaat om beslissingen over thema’s voor financiering. Daarnaast is het belangrijk om het de jeugd niet te moeilijk te maken met enorme bergen papierperk, de situatie is al moeilijk genoeg. Tenslotte, kijk niet alleen maar naar aantallen. Kijk niet naar het aantal volgers op mijn social media maar vertrouw erop dat ik mensen bereik. Elk individu heeft een ander verhaal en we zijn meer dan slechts getallen.

Om veiligheidsredenen zijn niet alle geïnterviewden bij hun echte naam genoemd en daarnaast zijn er bepaalde gebeurtenissen of opmerkingen weggelaten. Om nog duidelijker te maken dat de shrinking civic space in veel landen in de MENA-regio een serieuze en ernstige zaak is, wil ik echter een aantal dingen die mij verteld zijn, hier toch benoemen – zonder daarbij namen of landen te vermelden.

Eén persoon vertelde mij dat zijn familie en hijzelf al tien jaar lang in gevaar leven. In 2012 ontving hij bedreigingen van een bepaalde islamitische groepering. In 2014 werd hij opnieuw bedreigd en werd zijn broer drie maanden gevangengezet. In 2015 ontving zijn vriendin bedreigingen van de nationale partij van het land. In 2016 moest hij iemand omkopen die informatie over zijn ondergrondse activiteiten wilde doorgeven aan de autoriteiten. In 2018 zijn hij en zijn vriendin verhuisd naar een ander gebied, maar nog steeds moet al hun werk onder de radar blijven. Toch blijft deze jonge man hoop houden, want “de vrede die we hier proberen op te bouwen, die hebben we nodig.” Verder sprak ik een persoon die mij vertelde dat hij vrij recent tijdens een demonstratie is opgepakt. Hij zat vier dagen vast en werd geslagen door de politie. Na zijn vrijlating kreeg hij het label “oppositie” en vanaf dat moment tot op heden zijn zijn rechten en vrijheden ingeperkt.

Als laatste sprak ik nog een persoon waarvan verschillende vrienden werden opgepakt. Zij en hun laptops werden meegenomen, het onderzoek naar hen duurde zes weken. De jonge vrouw die ik sprak zei dat dit de eerste keer was dat ze besefte dat ook zij gevaar loopt, en dat ze vanaf dat moment niet meer dezelfde persoon was als daarvoor.

Het achterliggende idee bij het delen van de bovenstaande informatie en het schrijven van de portretten, was om het begrip shrinking civic space en de moeilijkheden die dit met zich meebrengt minder abstract te maken. De vele krantenkoppen en artikelen gaan over echte mensen, en dit artikel biedt kennismaking met enkelen van hen. Het doel van dit artikel was niet alleen maar om het Nederlandse publiek over de problematische shrinking civic space in de MENA-regio te informeren, maar ook om te laten zien dat ondanks alle moeilijkheden die er zijn en de gevaarlijke situaties waarin mensen verkeren, er wel degelijk mensen zijn die opkomen voor hun eigen en andermans rechten. Deze mensen proberen wat er nog over is van de civic space in hun land in stand te houden, en het is aan ons om deze mensen daarin te steunen en hier aandacht voor te vragen, in plaats van te doen alsof onze neus bloedt.

‘Als je je wortels kent, kan je tot bloei komen’: gesprek met Rosh Abdelfatah van het Arab Film Festival

‘Het Rotterdam Arab Film Festival werd geboren in een opmerkelijk jaar. Een jaar waarin de relaties tussen oost en west veranderden door de aanslagen op 11 september. Deze tragische en onomkeerbare gebeurtenis gaf het nog prille culturele festival een extra lading. Er ontstond een dominant politiek frame van voor- en tegenstanders. Dit had enorme gevolgen voor de rol en de verwachtingen over het festival.’

‘Toen we bijvoorbeeld als openingsfilm enkele jaren laten een Egyptische komedie vertoonden, vroeg het publiek zich af waarom er niet meer politieke films waren. Alsof de wereld eendimensionaal is. Het festival is een artistiek platform dat ruimte biedt voor open gesprekken over kunst, mensenrechten, emancipatie, politieke vrijheid, humor, verhalen over vriendschap, liefde en ontmoeting.’

‘Het festival is tweeëntwintig jaar geleden opgericht door de Tunesische journalist, politicus Khaled Chouket, de Iraakse fotograaf Intishat Tamimi en de Palestijnse dichter Mohammed Abu Leil. Vanaf de start ben ik bij het festival betrokken geweest. Eerst als technicus, later als programmamaker en sinds 2011 ben ik de artistieke leider.’

Rosh Abdelfatah

HOOGTEPUNTEN ARAB FILM FESTIVAL 2022

‘Dit jaar reflecteren we tijdens ons festival op de actualiteit en we lopen niet weg van de huidige problematiek in de Arabisch wereld. We brengen deze onder de aandacht en willen achtergronden verdiepen. We selecteren inhoudelijk relevante films, in nauwe samenwerking met makers en partners in de MENA-regio. Ons filmaanbod is breed en specifiek, doorbreekt stereotypen en geeft een overzicht van de belangrijkste films die afgelopen jaar zijn verschenen.’

DE VREEMDELING EN KOMEDIE

‘Onze vijf hoofdthema’s dit jaar zijn: De vreemdeling, water- en voedselveiligheid, jongeren, ‘ladiesnight’ en komedie. De openingsfilm ‘The Stranger’ is de debuutfilm van de Syrische Ameer Fakher Eldin die zelf op de Golanhoogte woont. De beeldtaal van Eldin is universeel, maakt dat je een andere tijd beleeft en kan zich overal afspelen. De manier van filmen, het tempo, de stiltes en de reflectie zetten je als kijker aan het denken over wat het betekent om ergens ‘vreemd’ te zijn. Tegelijk wordt voelbaar dat juist door de ontmoeting het ‘andere’ onderdeel wordt van je eigen verhaal.’

Still uit The Stranger

‘Opvallend is daarnaast de komedie Ashman uit Koeweit, een land waar de filmindustrie nog in de kinderschoenen staat met deze kaskraker over de Arabische Superman. Daaruit spreekt voor mij veerkracht: dat ondanks alle ontwikkelingen zoals klimaatverandering, politieke onderdrukking nieuwe films worden gemaakt die een groot publiek bereiken. Films met een hoge artistieke kwaliteit, waarbij elk shot een schilderij is dat met veel zorg en aandacht is gemaakt. De Marokkaanse film ‘Collapsed Walls’ is hier ook een goed voorbeeld van.

Arabische Superman

VOOROORDELEN

‘Het gespannen klimaat dat de geboorte van het festival kenmerkte zette zich het afgelopen decennium voort met de komst van de Arabische lente en met de gebeurtenissen die erop volgden. Tijdens het festival werden steden in Syrië gebombardeerd maar ook tijdens de aanslag in Parijs in 2015 moesten onze gasten en filmers overhaast terug naar hun families in Parijs. De gevolgen van deze politieke dynamiek vertaalden zich niet alleen in de verwachtingen over de programmering maar ook op persoonlijk vlak, wat de ander van je denkt en vindt. Ik moest altijd dezelfde vragen beantwoorden: Hoe ben je hier gekomen als vluchteling? Vragen waarop niemand zin heeft antwoord te geven. De ruimte is al ingevuld door vooroordelen die een oprecht gesprek soms in de weg staan. De politieke ontwikkelingen hadden grote gevolgen op internationaal vlak maar ook nationaal en lokaal. Het eerder zo betrokken Ministerie van Buitenlandse Zaken raakte op afstand en het festival werd uit het Rotterdamse cultuurplan gehaald. Dit leidde bij mij tot momenten van twijfel of het festival onder deze omstandigheden wel kon overleven.’

ONVERWACHTE ONTMOETING

‘We zijn de afgelopen jaren kleinschalig doorgegaan en ik ben persoonlijk veel in het festival blijven investeren. Ik geloof enorm in de rol en de invloed die het festival heeft. Er zijn gedurende het jaar weinig momenten waarop de cultuur uit het Midden-Oosten onder de aandacht komt. Ook zijn er bijna geen Arabische films te vinden in de Nederlandse bioscopen. Er is geen plek waar jonge filmmakers in een sfeer van vrije uitwisseling en discussie kunnen samenkomen om elkaar te onverwacht te ontmoeten. Dat gebeurt nu juist wel tijdens onze festivals, zo ontstaan vaak nieuwe ideeën voor urgente films en samenwerkingen.’

ARABISCHE NETFLIX EN OSCAR NOMINATIE

‘Het Rotterdam Arab Film Festival heeft de afgelopen tweeëntwintig jaar de nodige bijdragen geleverd aan thema’s die dankzij onze filmprogrammering op de agenda kwamen. Een voorbeeld uit 2012 is een film over de Egyptische Joden ‘Jews in Egypt’. Maar ook recenter, tijdens de Coronapandemie, moesten we creatief zijn. Mijn inzicht was: mensen lezen kranten en willen als ze geraakt worden verdiepende films kijken. Dit leidde tot het opzetten van ons online filmplatform CMENA.nl Hier komen literatuur, journalistiek en de Arabische cinema samen. In 2020 maakten we ook een terugblikprogramma na tien jaar Arabische lente met filosofische thema’s over de zwarte kant van de sociale media, over hoe films bewust worden gebruikt om het publiek te manipuleren. Maar ook over de rol die de filmmakers tijdens de Arabische revolutie speelden.’

KWEEKVIJVER VAN TALENT

‘Sommige filmmakers begonnen hun carrière bij het Rotterdam Arab Film Festival en kregen zelfs een Oscar-nominatie. Zo smokkelde de Syrische filmmaker Talal Dirki via een chip zijn film het land uit om deze tijdens ons festival voor het eerst te vertonen. Zijn film ‘Return to Homs’ was een paar jaar later de openingsfilm van het IDFA. Zijn tweede film ‘Fathers & Sons’ werd genomineerd voor een Oscar. Talal liep over de rode loper en zijn film was in 2019 de enige niet Amerikaanse film die was genomineerd voor de beste documentaire van deze 91e editie van de Oscar-uitreiking.

In de wereldwijde beeldenstrijd hebben meerdere makers hun korte film tijdens ons festival vertoond en zijn nu toonaangevende makers van films die wereldwijd een groot publiek bereiken. Ik geloof erin dat we een kweekvijver zijn van talentvolle jonge makers die we een podium bieden en dat werkt. Dit maakt me blij en hoopvol.’

CULTURELE WORTELS

‘Mijn hoop voor de toekomst is dat het draagvlak voor ons unieke festival groter wordt, voor het publiek en de jonge filmmakers en voor ons achter de schermen. Ik zie dat ook voor de jonge generatie die haar wortels heeft in de Arabische wereld, het festival iets kan betekenen. Een plek waar zij op hun eigen manier vorm aan kunnen geven. Tijdens screenings ervaar ik dat tweede en derde generaties Nederlanders met een Arabische achtergrond vaak nauwelijks iets weten van hun achtergrond of eigen cultuur. Hierin kan het festival iets betekenen, duiding geven en inzichten opleveren. Oftewel zoals podcastmaker Peggy Bouva het treffend formuleert: ‘Als je je wortels niet kent, kun je niet tot bloei komen.’

Reis door Rotterdam Arab Film Festival 22e editie 2022. De geselecteerde vijf hoogtepunten resulteren in een festivalprogramma met kaskrakers, artistieke, politieke, urgente sociale en culturele films. Het festival start woensdagavond 15 juni en duurt tot en met zondag 19 juni:

 

  1. DE VREEMDELING

    Vluchten, oorlog en leven onder bezetting zijn pijnlijk actueel.

    THE STRANGER – openingsfilm en debuut van de Syrische Ameer Fakher Eldin
    EUROPA –  een Italiaanse film van Haider Rashid
    THE CAPTAINS OF ZAATARI – een Egyptische film van Ali El Arabi

  2. WATER- & VOEDSELVEILIGHEID

Water is de bron van alle leven. De directe samenhang met voedselveiligheid wordt opnieuw door de oorlog in Oekraïne in het Midden-Oosten urgent voelbaar.
Kenners gaan in gesprek over actuele films van Al Jazeera Documentary.
WIDOWS OF THE SEA – film van regisseur Mostafa Bouazzaoui uit Qatar, Senegal
BREAD AND BUTTER –  film van regisseur Marwah Jbara-Tibi uit Palestina, Qatar

JONGEREN

De afgelopen jaren zaten jongeren klem tijdens de pandemie. We zien een explosie van creativiteit als het gaat om films waarin jongeren centraal staan:
HARD SHELL, SOFT SHELL – Een Franse film van Emma Benestan
CASABLANCA BEATS – Een Marokkaanse film van Nabil Ayoush
A TALE OF LOVE AND DESIRE – Een Franse film van Leyla Bouzid
GHODWA –  Een Tunesische film van Dhafer L’Abidine

Scène uit Hard Shell, Soft Shell van Emma Benestan

 

  1. LADIESNIGHT (18 juni)

Tijdens het Arab Film Festival is ladiesnight een terugkerend fenomeen. Dit jaar met DAUGHTERS OF ABDULRAHMAN–  van de Jordaanse filmmaker Zaid Abu Hamdan. Een feestelijke avond met livemuziek, handgemaakte parfum, henna en Arabische delicatessen.

 

  1. KOMEDIE Met het hele gezin naar de nieuwste Arabische supermanfilm:

ASHMAN – de humoristische film van Abbas Al-Yousefi uit Koeweit
DE ANDERE (Wahed Tany) van komedie-star Ahmed Helmy, kaskraker van dit jaar.
HAMEL EL-LAQAB – een film van Hisham Fathy uit Egypte
BARA AL MANHAJ – Een film van Amr Salama uit Egypte

Plus:
Vrijdag 17 juni, 13u-18u, diverse films en tentoonstelling ‘Nakba betekent veel voor mij’ in Verhalenhuis Belvédère, Rechthuislaan 1, Rotterdam-Katendrecht.

Kijk voor de precieze data, trailers, films en het programma op:  www.arabfilmfestival.nl

Israëlische Apartheid en de media: stilzwijgen in Nederland, talloze publicaties in Israël

Vorig jaar verscheen een lijvig rapport van Human Rights Watch (HRW), waarin wordt gesteld dat Israël een apartheidsstaat is en ook zo genoemd moet worden. Daarvoor kwam B’tselem al met een publicatie van dezelfde strekking. Opvallend is de minimale aandacht voor deze twee onderzoeken, gedaan door internationale mensenrechtenorganisaties, in de Nederlandse media. Ook het onlangs verschenen verslag van Amnesty International kon niet rekenen op veel belangstelling van serieuze journalisten. Het werd vooral een online speelbal op sociale media van internettrollen, die alle kritiek op de staat Israël afdoen als antisemitisme.

Deze drie rapporten, elk binnen een jaar van elkaar gepubliceerd en zeer kritisch als het gaat om de behandeling van de Palestijnse bevolking en mensenrechtenschendingen, roepen veel vragen op. Het valt op dat de opvattingen over de relatie tussen apartheid en Israël aan verandering onderhevig zijn, vooral de laatste paar jaar.  Dat geldt niet alleen voor de wetenschap, maar ook voor NGO’s, kranten en blogs. Alleen de Noordwest-Europese media lijken achter te blijven met publicaties of hoofdredactionele opiniestukken.

HA’ARTEZ EN APARTHEID
Voor dit artikel heb ik onderzocht hoe er in de Israëlische media over apartheid wordt geschreven. Ik deed het eerder voor een research paper. De focus heb ik gelegd op het Israëlische dagblad Ha’aretz. Ha’aretz staat bekend als een onafhankelijke kwaliteitskrant, liberaal maar niet radicaal links of rechts georiënteerd. De krant schrijft over internationale en binnenlandse gebeurtenissen en is zich ervan bewust een rol te spelen in de vorming van de publieke opinie. De zoekterm ‘apartheid’ in Ha’aretz van januari 2017 tot januari 2022 in Factiva, levert 915 gepubliceerde artikelen op. De manier waarop de term ‘apartheid’ wordt gebruikt, kan veel zeggen over het ingenomen standpunt.

Frequentie is het gemakkelijkste deel om inzicht in te krijgen. Hierbij wordt gekeken naar hoeveel artikelen in de loop der jaren zijn verschenen en hoe vaak het woord apartheid in elk artikel voorkomt. Prominentie heeft te maken met waar in de tekst het woord voorkomt: wordt het alleen in de koppen gebruikt, is het hele artikel gewijd aan het onderwerp of slechts een citaat? De toon van het artikel is het best te omschrijven als van een afstand of dichtbij. Neemt de journalist afstand, dan worden er vaak aanhalingstekens gebruikt. Dit kan ook een indicatie zijn dat het niet serieus wordt genomen.

Wat opvalt, is dat huidige toon in de artikelen van Ha’aretz een breuk lijkt te vormen met de afgelopen jaren. Waar voorheen de steun aan de staat Israël onvoorwaardelijk was, lijkt de krant zich nu meer aan te passen aan de langzaam verschuivende publieke opinie. Het zal overigens nog wel even duren voordat de term apartheid werkelijk wordt geaccepteerd.

GELOOFWAARDIGHEID ARTIKELEN HA’ARETZ
De kwestie rondom apartheid is nog steeds gepolitiseerd. Er wordt liever gesproken over “tijdelijke bezetting”, alhoewel het na ruim vijftig  jaar onduidelijk is wat er precies wordt bedoeld met “tijdelijk”.  Oren Yiftachel stelde in mei 2021 dat apartheid vele vormen kent en niet per se een kopie hoeft te zijn van Zuid-Afrika. De belangrijkste vraag lijkt te zijn hoe nu verder in een conflict dat muurvast zit.

In een tweestatenoplossing gelooft zelfs de grootste positivo niet meer. Wie echter wel langzaam maar zeker terrein en aanhang lijkt te winnen is A Land for All, een gezamenlijke Israëlisch-Palestijnse organisatie die onder meer streeft naar democratie, vrijheid van beweging voor alle mensen en een gedeeld Jerusalem. Een van de initiatiefnemers voor dit project is journalist Meron Rapoport.

Al in 2007 werd in het wetenschappelijke tijdschrift International Security een artikel gepubliceerd over de betrouwbaarheid van de opiniestukken en analyses die verschijnen in onder andere Ha’aretz over apartheid, mensenrechten en het Arabisch-Israëlische conflict. De conclusie is dat er zelden tot nooit getwijfeld wordt aan de inhoud van de artikelen omdat ze feitelijk accuraat zijn. Het is een van de redenen dat Human Rights Watch gebruik heeft kunnen maken van deze publicaties om hun claim dat Israël een apartheidsstaat is kracht bij te zetten zonder aan geloofwaardigheid in te boeten.

Straatbeeld van Hebron, rechts de souq, al jaren gesloten ter bescherming van een handvol kolonisten. ©Foto Travel to Palestine/Wikimedia Commons

 AFWIJZING DOOR IDENTIFICATIE
De afwijzing van de term ‘apartheid’ door Israëli’s heeft te maken met de claim dat de staat Israël niets anders doet dan zich verdedigen tegen terroristen. De meerderheid van de bevolking heeft geen moeite met illegale nederzettingen en is bereid om met miljoenen tweederangsburgers samen te leven. Ze staan als natie voor een keuze die de Zuid-Afrikanen eerder maakten: vóór democratie en afstand nemen van apartheid en alles wat daarbij hoort, of doorgaan zonder verandering op de ingeslagen weg, zonder dat dit veranderingen teweegbrengt.

Dat het gebruik van het woord ‘apartheid’ problematisch is voor Israëli’s en het publieke debat moge duidelijk zijn. Aan de ene kant zijn er veel wetenschappers en journalisten in Israël die direct gebruik van de term vermijden. Het zou bijdragen aan het creëren van een negatief imago – niet alleen van de staat Israël, maar ook van de Joodse identiteit. De andere kant is hoe Ha’aretz ermee omgaat. Veel recent verschenen artikelen gebruiken de term  in de kopregels en in de stukken zelf zonder aanhalingstekens. Dit is een indicatie dat er sprake is van een langzame verandering.

OPINIE EN TERMINOLOGIE
Yehudit Karp schreef in oktober 2021 een opiniestuk over de vraag waarom het woord ‘apartheid’ wordt gemeden. Ze stelt dat de gemiddelde lezer met afschuw vervuld raakt en stopt met lezen als hij het idee krijgt dat het woord verwijst naar Israël. Apartheid, dat is iets wat gebeurde tussen 1948 en 1990 in Zuid-Afrika en waar je tegen ging demonstreren. Apartheid gekoppeld aan Israël, dat is een leugen die antisemitisme uitdrukt en die alleen wordt gebruikt door radicaallinkse Israël-bashers met een diepgewortelde haat voor  eigen land en volk.

Wat blijkt uit onderzoek en het gebruik van het woord ‘apartheid’, is dat lang voordat de Europese en Amerikaanse media schreven over de problemen die worden veroorzaakt door bezetting en illegale nederzettingen, Ha’aretz al aandacht besteedde aan de humanitaire crisis die er gaande is. Nu, anno 2022, zijn er meer en meer joodse en Israëlische critici die de term recentelijk in hun publicaties gebruiken, zowel journalisten als wetenschappers als bloggers.

EEN NIEUWE TOON
De laatste paar weken verschijnen er steeds kritischere stukken in Ha’aretz – niet alleen over apartheid, ook over corruptie binnen de Israëlischeregering. Over schaamte na 32 jaar deel te hebben uitgemaakt van de Israeli Defence Forces en de zinloosheid van het doden van 65 kinderen bij de meest recente vergeldingsaanval op Gaza, een gebeurtenis die het nieuws niet eens meer haalde. Over hoe Israël de radicale islam gebruikt als rechtvaardiging voor bezetting. Over de immorele quasi-neutraliteit van Israël die de regering ervan weerhoudt om Rusland te veroordelen op hetzelfde moment dat de Holocaust wordt herdacht, terwijl er volgens Haaretz een nieuwe genocide gaande is op Europees grondgebied. Over de invloed van het geld van Russische oligarchen op de Joodse samenleving en de veilige haven die ze vinden in Israël.

Israëlische tanks, pantserwagens en bulldozers bij de grens van Gaza. ©Foto IDF/Wikimedia Commons

Over hoe de basisrechten van Palestijnen worden geschonden, hun huizen worden vernietigd en hun bewegingsvrijheid wordt ingeperkt. Het woord ‘apartheid’ mag dan wel niet worden gebruikt, de gevolgen zijn hetzelfde. Maar ook, hoe roddel en achterklap kunnen leiden tot verspreiding van nepnieuws met uitbarstingen van geweld tot gevolg. De Tempelberg ligt al gevoelig genoeg zonder dat verhalen de ronde doen dat de Israëlische regering er een plaats voor alleen joden van wil maken.

En over hoe Israël een apartheidsstaat is en zo genoemd zou moeten worden, na lezing van het HRW-rapport en de inspanningen van mensenrechtenorganisatie B’Tselem die als eerste het “A-woord” gebruikte om de levensomstandigheden van de Palestijnen te omschrijven. Over hoe meer en meer het besef komt, ook in Tel Aviv, dat het een kwestie van tijd is voor de wereld het ook zo gaat zien met alle gevolgen van dien.

WOORDEN DOEN ERTOE
Woorden hebben een grote impact en kranten wegen ze zorgvuldig af voordat ze een artikel publiceren. Het heeft niet eens altijd met de informatievoorziening zelf te maken. Het woordgebruik kan bepalend zijn voor het discours of standpunten binnen de publieke opinie. Uiteindelijk is een artikel goed als mensen erover praten bij de koffieautomaat op kantoor of op sociale media. Vaak visualiseren kranten hun verhalen met foto’s om een grotere impact te hebben; een afbeelding, luidt het gezegde immers, is ‘krachtiger dan duizend woorden’.

Nieuws heeft door  de enorme vlucht die het internet en technologische ontwikkelingen hebben genomen een transnationaal karakter gekregen. Met de Engelse versie van Ha’aretz die sinds 1997 bestaat, sluit het Israëlische dagblad zich daarbij aan. Sociale media zijn vooral een vehikel dat diaspora’s en geschiedenissen met een muisklik met elkaar verbindt. Het is onmogelijk om in de media een eensluidende benadering van de term ‘apartheid’ te vinden. Wel kan worden gesteld dat Ha’aretz, zeker de afgelopen vijf jaar, het onderwerp niet uit de weg is gegaan en het als fenomeen in veel artikelen heeft benoemd.

Volgens John Dugard is de belangrijkste reden voor het niet (willen) benoemen van Israëlische apartheid door Europese media de angst om van antisemitisme te worden beschuldigd. Dezelfde reden wordt in Ha’aretz ook gegeven. Een rondje Twitter leert al gauw dat deze angst niet ongegrond is. Mensen met de Israëlische vlag in hun profiel die het land op een blinde kaart niet aan kunnen wijzen, staan vooraan om anderen te beschuldigen van Jodenhaat bij de geringste kritiek. En zolang mensen niet het verschil weten tussen antisemitisme en antizionisme, is er nog een lange weg te gaan voor kritiek op de staat Israël kan worden gegeven.

De internationale politiek en Afghanistan: steunbetuigingen met een patriottische ondertoon

De Afghaanse kwestie

Begin augustus 2021 veroverden de Taliban gebieden die ze al twintig jaar niet meer hadden bezet. Op 6 augustus viel de eerste provinciehoofdstad Zaranj en binnen drie dagen volgden nog acht andere provinciehoofdsteden. Op 15 augustus trokken de militie de hoofdstad Kabul binnen, en ondervond daarbij nauwelijks tegenstand. Binnen elf dagen hadden de Taliban heel Afghanistan in handen.

Ruim zeven maanden na deze verovering organiseerden de Verenigde Naties in samenwerking met de regeringen van Groot-Brittannië, Qatar en Duitsland een internationale bijeenkomst om de aandacht te vestigen op – en geld op te halen – voor de humanitaire crisis in Afghanistan.  António Guterres, secretaris-generaal van de Verenigde Naties, opende de bijeenkomst, die via een livestream was te volgen. Gutteres riep de internationale gemeenschap op tot vrijgevigheid en benadrukte de alarmerende situatie in Afghanistan:  ‘Sommige Afghanen hun kinderen en lichaamsdelen verkopen om maar niet te hoeven omkomen van de honger.’ Hij moedigde de aanwezige landen aan tot  ‘onvoorwaardelijke en flexibele financiering’. Volgens hem  is er 4,4 miljard dollar nodig om het land te helpen.

Daarnaast drong hij er bij de VS en de Wereldbank op aan om de Afghaanse fondsen, die sinds de terugkeer van de Taliban waren geblokkeerd, vrij te geven. Het bevriezen van activa is een politiek machtsmiddel dat kan worden ingezet om druk op de regering van een staat uit te oefenen. Dit kan echter drastische gevolgen hebben voor de economie van een land en in het geval van Afghanistan draagt het bevriezen van de activa bij aan een enorme stijging van de toch al wijdverbreide armoede in het land. Een afgevaardigde van UNICEF zei daarom dat ‘we de toekomst van Afghaanse kinderen niet mogen laten gijzelen door de politiek.’

Daarop volgden er openingsstatements van Groot-Brittannië, Qatar en Duitsland, waarin Groot-Brittannië benadrukt dat er geen easy fixes zijn voor de Afghaanse problematiek. Martin Griffiths, VN-ondersecretaris-generaal voor humanitaire zaken en coördinator voor noodhulp, benadrukte dit door te stellen dat ‘we een hoop geduld, dialoog en begrip nodig hebben om de noden van Afghanistan aan te pakken en te lenigen.’

Maar wat zijn de noden van de Afghaanse burgers?

Allereerst: voedsel. De voedselzekerheid is gedaald in een nooit elders in zo’n korte periode vertoond tempo. De statistieken die tijdens de conferentie op tafel kwamen zijn schrijnend: de helft van de Afghaanse bevolking leidt onder acute honger, voor 9 miljoen mensen geldt een noodtoestand – volgens de VN het hoogste aantal wereldwijd. Meer dan de helft (56%) van de bevolking – ofwel 24,4 miljoen mensen – heeft humanitaire hulp nodig, onder wie ruim 12 miljoen kinderen. ‘We moeten niet vergeten dat er echte mensen schuil gaan achter dit enorme aantal noodlijdenden,’ aldus een Belgische afgevaardigde.

Ondervoeding is vooral onder kinderen een serieus probleem in Afghanistan. Ziekenhuizen hebben niet genoeg capaciteit om zorg te dragen voor alle patiënten en de druk op medische diensten is haast ondraaglijk. De VN schat dat meer dan de helft van alle kinderen onder de vijf jaar in 2022 te maken zal krijgen met acute ondervoeding. Het is belangrijk dat boeren en herders die kampen met droogte en de ineenstorting van hun levensonderhoud steun krijgen om zo de lokale voedselvoorziening in Afghanistan op te schalen. De crisis in Oekraïne zal zorgen voor meer druk op de wereldwijde voedselsystemen, waardoor de voedselonzekerheid in Afghanistan de komende tijd alleen nog maar meer zal toenemen.

Een vrouw en kind krijgen een fles voedingssupplement door een gebroken raam van een kliniek in Afghanistan - http://www.directrelief.org/

Na de openingsstatements volgde er een paneldiscussie waarin de huidige humanitaire situatie in Afghanistan werd besproken, met name voor vrouwen en kinderen. Sterk de aandacht trok Fatima Gailani, een Afghaans politieke leidster, vrouwenrechtenactiviste en voormalig voorzitter van de Afghaanse Rode Halve Maan.  Zij benadrukte als een van de weinigen het belang van Afghaanse hulp op lokaal niveau. De steun betuigende landen zijn volgens Gailani het waardevolst wanneer zij op lokaal niveau een dialoog aangaan met Afghanen over hun behoeften, zodat de donaties zo goed mogelijk terecht komen. Om de burgermaatschappij nieuw leven in te blazen dienen lokale actoren, zoals non-gouvernementele organisaties, van binnenuit te worden gesteund. Non-gouvernementele organisaties moeten samenwerken met de lokale bevolking om vrouwen een stem te geven. Volgens haar zal een “quick fix” van buitenaf niet baten omdat de Afghaanse bevolking uiteindelijk zelf het werk moet verzetten.

De ban op onderwijs voor vrouwen

In het volgende deel van de bijeenkomst was de schending van de rechten van vrouwen in Afghanistan door de Taliban het hoofdthema.

De vraag waarmee iedereen zich bezig hield sinds de Taliban afgelopen zomer de controle over het land overnamen is of ze daadwerkelijk waren veranderd. Toen het regime van 1996 tot 2001 aan de macht was, verboden de Taliban vrouwen om naar school te gaan en te werken. Hoewel de Taliban na hun machtsovername in de zomer van 2021 de internationale gemeenschap hadden beloofd de rechten van de vrouwen te beschermen, besloten ze afgelopen maand een verbod op het secundair onderwijs van meisjes in te voeren. Op 23 maart, de eerste dag van het schooljaar in Afghanistan, arriveerden vrouwelijke studenten gedesillusioneerd bij hun scholen. De klaslokalen waren leeg en voor de gesloten poorten stonden gewapende Taliban-bewakers.

Deze loze belofte van de Taliban zorgde voor veel frustratie bij de landen op de conferentie. De minister van Buitenlandse Zaken van  IJsland wees de aanwezigen erop dat de uitsluiting van vrouwen van onderwijs niet alleen zeer zorgwekkend is, maar ook schadelijk voor de toekomst van Afghanistan. Australië deelde deze zorg door te stellen dat ‘vrouwen en meisjes niet alleen het vermogen hebben om bij te dragen aan de maatschappij waarin zij leven, maar ook het recht hebben om mee te werken aan de toekomst van Afghanistan.’

Het uitsluiten van vrouwen van onderwijs betekent ook het uitsluiten van vrouwen van de Afghaanse economie. Dit kan drastische gevolgen hebben voor de financiële situatie van Afghanistan op lange termijn. ‘Geen enkel land kan zich ontwikkelen wanneer het de rechten van de helft van de bevolking ontzegt,’ aldus Guterres.

De Afghaanse vrouwen hoeven ook niet te rekenen op Sheikh Mawlawi Noorulla, de Afghaanse minister van Onderwijs die in september 2021 werd aangesteld. Hij zet namelijk vraagtekens bij het belang van onderwijs in het algemeen en sprak eerder de internationale gemeenschap toe met de woorden: “Geen doctoraat of masterdiploma is tegenwoordig waardevol. U ziet dat de moellahs en Taliban die aan de macht zijn en geen doctoraat, master of zelfs een middelbare schooldiploma hebben, maar ze zijn de grootste van allemaal.

Het is opmerkelijk dat in de Koran en de Hadith, de heilige geschriften waarop de Taliban hun wetgeving baseren, juist veel waarde wordt gehecht aan het verkrijgen en verspreiden van kennis. In de Hadith wordt de profeet aldus geciteerd: “Verkrijg kennis en geef het aan de mensen.” En: “Het zoeken naar kennis is verplicht voor elke moslim.” Kortom: in de islam zijn vrouwen net als mannen verplicht om kennis na te streven. De ban van de Taliban op het onderwijs van meisjes wijst dus  op een verkeerde toepassing van islamitische principes.

In 2019 lanceerde Het Ontwikkelingsprogramma van de VN een door de Europese Unie gefinancierd project waardoor vijftig Afghaanse studentes kunnen studeren aan universiteiten in de nabij gelegen landen Kazachstan en Oezbekistan. Al in 2019 kregen Afghaanse vrouwen te maken met onevenredige belemmeringen voor onderwijs en werk in vergelijking met mannen. Met de ban op onderwijs voor vrouwen die de Taliban vorige maand invoerden is een sterke doorvoering van het project noodzakelijker dan ooit.

Mukhtar Tileuberdi, minister van Buitenlandse Zaken van Kazachstan, kondigde tijdens de internationale bijeenkomst aan dat Kazachstan de opvang van Afghaanse vrouwelijke studenten zal voortzetten. Het initiatief zal naar verwachting helpen nieuwe kansen te creëren voor de vrouwen en hun gemeenschappen in Afghanistan.

 De toekomst van Afghanistan

De donorconferentie werd overschaduwd door het spijtige besluit van de Taliban om het secundair onderwijs voor meisjes te verbieden. Martin Griffiths zei bij aanvang van de conferentie al dat er veel dialoog nodig is om de behoeften van Afghanistan aan te pakken en te vervullen, maar is er wel genoeg dialoog tussen de internationale gemeenschap en de Afghaanse meisjes en vrouwen zelf?

Het is opmerkelijk dat tijdens deze conferentie, waarin de rechten van vrouwen zo centraal stonden, slechts twee vrouwelijke Afghaanse sprekers te horen waren. Had deze conferentie niet meer tijd moeten steken in het in kaart brengen van de behoeften van Afghaanse vrouwen en meisjes? Het is natuurlijk mooi om te zien dat zo veel landen hun steun betuigden voor Afghanistan, maar veel van deze verklaringen werden gekleurd door een patriottische ondertoon waarin continu werd benadrukt wat het betuigende land in het verleden al wel niet gedaan had voor Afghanistan.

Het is opmerkelijk dat tijdens deze conferentie, waarin de rechten van vrouwen zo centraal stonden, slechts twee vrouwelijke Afghaanse sprekers te horen waren.

Hoewel ik op den duur het gevoel kreeg dat ik naar een grote aaneenschakeling van campagnevideo’s aan het kijken was, hebben de landen tezamen wel toegezegd om een grote som geld aan Afghanistan te doneren. Uiteindelijk heeft de internationale conferentie gezorgd voor een toezegging 2,44 miljard dollar van 41 donoren voor humanitaire hulp in Afghanistan en de buurlanden.

Dit is net iets meer dan de helft van het bedrag van 4,4 miljard waar Guterres aan het begin van de bijeenkomst om vroeg. Het is zeker niet genoeg om het leven van iedere Afghaan persoon te verbeteren, maar het is een begin.  De boodschap die de conferentie hopelijk naar Afghanistan heeft uitgestuurd is dat de wereld de Afghaanse bevolking niet is vergeten. ‘’We moeten desillusie vervangen door hoop,’’ aldus een afgevaardigde van Engeland.

De Taliban zullen onvermijdelijk lijden onder hun misplaatste beleid om de academische ontwikkeling van meisjes te onderdrukken, met name in hun zoektocht naar internationale erkenning en legitimiteit.  Het is belangrijk dat de internationale gemeenschap naast donaties en humanitaire hulp ook druk blijft uitoefenen op het beleid van de Taliban. Het legitimeren van de beweging moet voorwaardelijk zijn en onderhevig aan positieve veranderingen in het gedrag van de Taliban in Afghanistan.

Een schrijnende ontmoeting tussen de Holocaust en de Nakba in Yad Vashem

Drie jaar geleden maakte ik een reis door Palestina en Israël. Yad Vashem trok me in het bijzonder door een foto die ik had gezien van het balkon van het museum. Toen ik aan het einde van de museumroute daar uitkeek over de glooiende heuvels van West-Jeruzalem, werd ik overweldigd door de conflicterende gevoelens die dat landschap in me opriep. Deze balkonscene riep bij mij de vraag op hoe de geschiedenis van het Joodse volk en die van de Palestijnen samenkomen in Yad Vashem, hoe (weder)opbouw zich verhoudt tot verwoesting, en hoe herdenking hand in hand lijkt te gaan met vergetelheid.

In dit artikel bespreek ik hoe de Holocaust en de Nakba samenkomen in de fysieke en symbolische gedaante van Yad Vashem. Deze vraag gaat in bredere zin over de totstandbrenging van een dialoog tussen de Holocaust en de Nakba en tussen de Israeli’s en Palestijnen. Zowel de Holocaust als de Nakba spelen belangrijke en concurrerende rollen in de nationale narratieven van het huidige Israël en Palestina, rondom motieven van slachtofferschap en verlies. Hoe zou een gedeelde grammatica van trauma in Israël-Palestina deze concurrerende narratieven van slachtofferschap kunnen verenigen, en het samenleven tussen Israëli’s en Palestijnen kunnen bevorderen?

Het embleem van Yad Vashem

Yad Vashem
Yad Vashem (‘gedenkteken [lett.: hand] en naam’) is opgericht in 1953 (de eerste plannen dateerden van de jaren veertig). Net als soortgelijke complexen in Berlijn, Washington en Auschwitz, is Yad Vashem een internationale herdenkingsplaats voor de Holocaust. Het complex ligt in West-Jeruzalem op de Herzlberg. Naast het graf van Theodor Herzl, grondlegger van het zionisme, liggen ook meerdere Israëlische nationale leiders begraven op het complex, zoals Golda Meir en Yitzhak Rabin. Yad Vashem is echter meer dan alleen een museum en herdenkings- en rustplaats: het heeft een eigen uitgeverij, een academisch tijdschrift en een onderwijsmodule die onderzoek naar en onderwijs over de Holocaust stimuleert. Het invloedrijke Yad Vashem wordt dan ook vaak omschreven als een hoofdrolspeler in het mondiale veld van Holocaustherdenking.

Bij de ingang van Yad Vashem. Op de muur staat een Bijbelpassage uit Ezechiël (37:14) © Amos Goldberg

Yad Vashem heeft ook een duidelijke politieke functie. Elk jaar worden internationale leiders ceremonieel ontvangen op het complex door Israëlische premiers om de diplomatieke banden met Israël te bekrachtigen, en bij aanvang van de militaire dienstplicht worden jonge Israëlische soldaten rondgeleid op het complex. Er wordt aan Yad Vashem dus een betekenis van nationale Israëlische identiteit toegekend.
Hoe ziet het verhaal van Yad Vashem eruit als we ook de Nakba erin betrekken?

Holocaust – zionisme – Nakba
De geografische ligging van Yad Vashem, en van talloze andere plaatsen in Israël weerspiegelt immers niet alleen een geschiedenis van de opbouw van de nieuwe staat, maar tegelijkertijd een geschiedenis van verwoesting die gepaard is gegaan met die opbouw – de Palestijnse Nakba. Het zionistische project is in dit tweezijdige verhaal van Holocaust en Nakba de belangrijke spil, rondom welk verwoesting en wederopbouw zich in meer dan één richting afspelen. Hoe medieert Yad Vashem deze twee geschiedenissen, als de ongemakkelijke gastheer van zowel de Holocaust en de Nakba?

Toen in de jaren veertig de Jodenvervolging in Europa uitmondde in de Holocaust, en de zionistische inname van Palestina vorm kreeg, werden de eerste plannen voor Yad Vashem opgetekend. Mordechai Shenhavi, een belangrijk figuur binnen de Kibboetsbeweging in Palestina, stelde in 1942 voor om een herdenkingsplaats te maken in Palestina. Nadat Shenhavi’s voorstel een paar jaar later was goedgekeurd, werd het gebied van het huidige Yad Vashem – Khirbet al Hamama – in 1948 geannexeerd door zionistische troepen. De specifieke locatie was zorgvuldig uitgekozen door Shenhavi: het agrarische landschap van West-Jeruzalem zou een symbolische verbinding vormen tussen de Holocaustslachtoffers enerzijds, en de gesneuvelde zionisten in Palestina anderzijds. De heuvels van West-Jeruzalem zouden de herinnering aan de Holocaust dus verbinden aan een nationale Israëlische identiteit.

In deze plannen zien we hoe er nog voor de annexatie van Palestina in 1948 een verband werd gelegd tussen de verwoesting van het Joodse volk in Europa enerzijds en de wederopbouw van het Joodse volk in Palestina anderzijds – een verband tussen de Holocaust en de stichting van Israël. In Israël valt de nationale Holocaustherdenkingsdag tevens samen met de herdenkingsdag voor de Joodse soldaten die in de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 gesneuveld zijn. De Knesset zegt op haar website dat ‘deze samenloop symbolisch uiting geeft aan de historische transformatie van catastrofe naar wedergeboorte’. Hierin valt goed te zien hoe het trauma van de Holocaust een belangrijke functie vervult voor een Israëlisch narratief van wederopbouw. Yad Vashem verbindt deze twee narratieven.

Maar dit citaat gaat voorbij aan het Palestijnse verhaal. ‘De historische transformatie van catastrofe naar wedergeboorte’ had namelijk ook een catastrofe voor de Palestijnen tot gevolg – de Nakba. Hiermee is het verband tussen de Holocaust en de wederopbouw van Israël per definitie ook een verband tussen de Holocaust en de Nakba. Yad Vashem herdenkt als complex en instelling de zes miljoen Joden die in Europa zijn vermoord, maar de fysieke locatie van het complex geeft tegelijkertijd uiting aan – en bestaat bij de gratie van – een andere rampzalige episode in Palestina: de Nakba. Verwoesting, wederopbouw, verwoesting: de ontmoeting tussen de Holocaust en de Nakba op Yad Vashem is dus een schrijnende.

Israëlische soldaten bij de ingang van het museum © Amos Goldberg

Een Joodse Israëli en een Palestijn die langs Yad Vashem lopen hebben dus waarschijnlijk sterk conflicterende percepties van het complex, als het gaat om de ruimtelijke en historische betekenissen die het gebouw uitdraagt. Voor de Joodse Israëli symboliseert Yad Vashem wederopbouw na verwoesting, voor de Palestijn de verwoesting die gepaard ging met de wederopbouw van de ander. En als gevolg van die verwoesting blijft de Nakba onzichtbaar. Zo medieert Yad Vashem dus twee verschillende trauma’s op twee uiterste manieren: representatie en uitwissing. Hoewel het museum één verhaal vertelt, zijn de Holocaust en de Nakba met elkaar verstrengeld in de fysieke gedaante van het complex, van het landschap, en van het land. Voor mij kwam dit allemaal samen op het balkon.

De balkonscene
Ik neem je mee naar binnen in Yad Vashem. Het centrale museum op het complex bestaat uit één langgerekte en donkere hal, die met haar driehoekige vorm een ijzige en benauwende indruk maakt. Hoewel de hal zelf niet meer dan honderd meter lang is, loop je er als bezoeker zo uren in rond, in zigzaggende beweging langs honderden onmenselijke verhalen, die met kille afstandelijkheid van documenten en voorwerpen zijn uitgestald. Het is een verontrustende en akelige plek om te zijn. De intensiteit van de tentoonstelling wordt op dramatische wijze opgebouwd naarmate je verder loopt, en tegen het einde van de tentoonstelling word je geraakt door Holocaustoverlevenden die je in hun videogetuigenissen te woord staan. Je kunt je het onvoorstelbare even voorstellen.

En dan sta je plots op het balkon. De tentoonstelling is voorbij, en van de donkere en nauwe ruimte word je naar een weids licht vervoerd. De hoeken van de hal krullen zich letterlijk naar buiten, en het gevoel van ruimte en openheid overspoelt je. Het daglicht verblindt je even voordat de heuvels van West-Jeruzalem zich aan je openbaren. Voor mij was dit een moment van opluchting. Ik was blij dat de tentoonstelling achter de rug was. Ik merkte dat de tentoonstelling mijn emotionele indruk van het vergezicht over de heuvels kleurde. ‘Het is maar goed ook dat ze dit nu hebben’, dacht ik even. Het balkon is zo gebouwd dat het in de lucht lijkt te zweven, op de rand van de afgrond. ‘Het is maar goed ook’, dacht ik weer. Maar ik stond ook al snel kritisch tegenover die gedachte.

Het uitzicht vanaf het balkon aan het einde van de museumroute © Amos Goldberg

Er scholen verschillende problemen in. Ten eerste een vereenzelviging tussen het Joodse volk en de staat Israël; een vereenzelviging die niet klopt. Zo’n twintig procent van Israëls bevolking is niet Joods, en hoewel Israël zich presenteert als spreekbuis voor alle Joden wereldwijd, voelt een groot deel van de Joodse gemeenschap zich absoluut niet vertegenwoordigd door Israël. Maar belangrijker is dat ik met die gedachte – het is maar goed ook – impliciet een Israëlisch narratief onderschreef van verwoesting en wederopbouw. Ik ging voorbij aan de catastrofale gevolgen van die wederopbouw voor de Palestijnen. Met de Holocaust in de rug ging ik voorbij aan de Nakba die zich voor mijn eigen ogen uitstrekte.

Daar op het balkon bedacht ik me dat ik, zo na de tentoonstelling, eigenlijk niet anders had kunnen doen dan sympathiseren met het narratief van het museum; het Israëlisch narratief van verwoesting en wederopbouw. De kracht van Yad Vashem is dat het een voorstelling maakt van het verleden waaraan een betekenis wordt gegeven voor het heden. Verwoesting en wederopbouw. Maar de ene herinnering overschaduwt de ander. Yad Vashem vertelt een eenduidig verhaal, maar laat het pijnlijke verhaal dat ook bij museumcomplex hoort, de Nakba, buiten beschouwing. Dit laat zien dat het museum niet neutraal is, maar juist één politiek narratief onderschrijft, en het ander smoort.

Wat is dan precies de relatie tussen de Holocaust en de Nakba? Het zou te simpel zijn om te stellen dat de Holocaust tot de Nakba heeft geleid; zo’n vergelijking gaat voorbij aan een lange en complexe geschiedenis van antisemitisme in Europa en de opkomst van het zionisme. Wat we in het geval van Yad Vashem wel kunnen zeggen is dat de Holocaust is ingezet om gestalte te geven aan een nationaal Israëlisch vertoog. Vanuit een Israëlisch perspectief zijn de Holocaust en Israël onlosmakelijk met elkaar verbonden rondom narratieven van verwoesting en wederopbouw, en deze narratieven worden belichaamd in de fysieke en symbolische gedaante van Yad Vashem. De Nakba was, en is, echter de voorwaarde geweest voor de wederopbouw van het Joodse volk in Palestina. De Holocaust en de Nakba zijn in Israël onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Een gedeelde grammatica van trauma
Het in één adem noemen van de Holocaust en de Nakba is een heet hangijzer, en voor velen stuit iedere vergelijking hen tegen de borst. Zo maakt de Israëlische Nakba-wet het mogelijk om overheidssteun stop te zetten aan Israëlische instanties die de Nakba herdenken. Hoewel de twee trauma’s ontzettend complex, eigenaardig en pijnlijk zijn, is het belangrijk om ze gezamenlijk te bespreken, omdat het bewustzijn en de identiteit van Israëli’s en Palestijnen voor een groot deel berust op narratieven rondom de Holocaust en de Nakba.

Met het voorbeeld van Yad Vashem zien we hoe twee geschiedenissen samen belichaamd worden in het complex, hoe het narratief van verwoesting en wederopbouw zijn fysieke en symbolische tegenhanger kent in de Nakba, en hoe de ene geschiedenis de ander overschaduwt en verstoort. Yad Vashem is een belichaming van de herinnering aan de Holocaust én aan de Nakba, via representatie van de Holocaust, en uitwissing van de Nakba.

De Holocaust en de Nakba concurreren met elkaar en verstevigen wederzijds buitensluitende slachtofferidentiteiten. Met name de Holocaust heeft een aura van ‘onvergelijkbaarheid’. Elke onmenselijke episode heeft zijn eigen unieke aard, maar tegelijkertijd laat alles zich vergelijken. Zo’n vergelijking legt niet alleen een verhullende geschiedenis bloot, maar wijst ook op gedeelde kenmerken, zoals verlies en leed.

In plaats van de Holocaust en de Nakba als twee afzonderlijke geschiedenissen te bespreken, pleit het voorbeeld van Yad Vashem voor het gezamenlijk bespreken van ‘Holocaust en Nakba’, waarin die combinatie historisch, geografisch en cultureel zinnig is. Een dialoog tussen de Holocaust en de Nakba op basis van die gedeelde kenmerken, op basis van een gedeelde grammatica van dat leed, verlies, en trauma, zou de concurrerende slachtofferidentiteiten in hoopvolle richting kunnen doen kantelen en zou een politieke horizon van Israëli’s en Palestijnen open kunnen breken die voorbijgaat aan exclusieve slachtofferidentiteiten, en juist gemeenschappelijkheden in samenleven benadrukt.

Hoe een influencer uit de negentiende eeuw de grondslag legde voor de Arabische Lente van 2011

Een paar maanden voor de brute moord op Jamal Khashoggi  in Istanbul door agenten van de Saoedische machthebbers, pleitte de Saoedische journalist voor de noodzaak van Arabische democratie. Hij deed dat in een speech voor het Center for Middle Eastern Studies in Denver. In navolging van de prominente – in het Westen vrijwel onbekende – Arabische intellectueel Abdul Rahman Al-Kawakibi benadrukte Khashoggi de noodzaak van democratische hervormingen in het Midden-Oosten. Alleen die kunnen zorgen voor verantwoordelijk en doeltreffend bestuur en door middel van machtsdeling het eindeloze moorden in conflictgebieden een halt toeroepen. Khashoggi wees op de grote invloed die Abdul Rahman Al-Kawakibi al meer dan een eeuw heeft op Arabische intellectuelen, onder wie hijzelf. Tevens waarschuwde hij voor het vermogen van tirannen om democratische bewegingen en gedachten gewelddadig tot zwijgen te brengen.

1902 vergiftigd

Er is een historische symmetrie tussen het journalistieke activisme van Al-Kawakibi en dat van Jamal Khashoggi, die door zijn dood in oktober 2018 internationale bekendheid kreeg voor zijn oproepen tot Arabische democratie en tegen de dictatoriale onderdrukking van zulke stemmen: ook Al-Kawakibi werd om zijn verzet tegen tirannie door agenten van een despotisch regime vermoord. Toen hij in 1902 samen met zijn vriend Mohammed Rashid Ridha in het “Café Istanbul” in Cairo een kopje koffie dronk, viel hij dood neer; vergiftigd, na jarenlange vervolging door agenten van het Osmaanse Rijk onder Sultan Abdulhamid II.

Vervolgd door het Osmaanse Rijk onder Sultan Abdulhamid II: Nagespeeld in een TV-documentaire van Al Jazeera wordt Abdul Rahman Al-Kawakibi door Turkse soldaten gearresteerd.

De autoriteiten in Cairo haastten zich om alle memoires, notities en boeken uit zijn woning te laten verdwijnen. Hetzelfde gebeurde in Al-Kawakibi ´s geboortestad Aleppo. Gelukkig kon er door vrienden en familie nog het een en ander worden gered.

Centrale figuur in het An-Nahda-netwerk van Arabische hervormers

Al-Kawakibi schreef pamfletten en talrijke artikelen in kranten en tijdschriften in Syrië en Egypte. Het was misschien de voortdurende censuur van zijn werk en de regelmatige sluitingen van zijn uitgeverijen door de Osmaanse autoriteiten die Al-Kawakibi overtuigden van de noodzaak tot vrijheid van zowel samenleving als pers, en hem zijn eerste echte inzichten schonken in de mechanismes van tirannie. Meerdere keren werd hij gearresteerd en eenmaal ter dood veroordeeld.

Een en ander leidde ertoe dat hij een centrale figuur werd in het Al-Nahda-netwerk van Arabische hervormers die via de snelgroeiende Arabische pers actie voerden voor echte hervormingen. De twee werken waar hij het meest bekend om is, zijn Umm al-Qura (Moeder der Steden), waarmee Mekka bedoeld is, en het boek dat nu vertaald is, Tabai’ al-Istibdad wa Masari’ al-Isti’bad (The Nature of Tyranny and the Devastating Results of Oppression).

Laatstgenoemd werk bestaat uit artikelen die hij in de Egyptische pers publiceerde. Het werd in 1901 anoniem agepubliceerd onder het pseudoniem Al-Rahhala Kaf (Reiziger K.).

Al-Kawakibi reisde kort voor zijn dood in 1902 door het Arabische schiereiland, Oost- en Noord-Afrika en India, voordat hij terugkeerde naar Caïro. Westerse academici hebben altijd veel meer aandacht besteed aan zijn mentor, Muḥammad Abduh, en zijn vriend, Mohammed Rashid Ridha (oprichter en uitgever van het beroemde Egyptische blad Al Manar). De relatieve verwaarlozing van Al-Kawakibi in de literatuur over studies in het Midden-Oosten betekent echter niet dat hij minder belangrijk was dan deze bekendere figuren van Al-Nahda of anderen, zoals Jamal al-Din al-Afghani en Rifa’a al-Tahtawi.

De vertaling van Tabai’ al-Istibdad wa Masari’ al-Isti’bad door de arts Amer Chaikhouni uit Qatar zal zijn status zeker verhogen. The Nature of Tyranny and the Devastating Results of Oppression is van een briljant voorwoord voorzien door Leon T. Goldsmith die een overzicht geeft van Al-Kawakibi’s intellectuele bijdragen. Hij wijst op de parallellen tussen de eerste Al-Nahda van het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw en de Arabische Lente van 2011.

Invloed op de hedendaagse Arabische jongeren

De teksten van Al-Kawakibi werden in 2011 gescandeerd op het Tahrir-Plein in Cairo en in de straten van Aleppo in Syrië. Arabische jongeren lieten zich inspireren door zijn geschriften vanwege zijn baanbrekende analyse van de totalitaire effecten van dictatuur. Hij was in staat om de mogelijke reactie van despoten op verschillende verzetsmethoden te voorspellen en hoewel hij in de negentiende eeuw leefde, leek hij nauwkeurig het lijden te beschrijven van onderdrukte Arabische jongeren ten tijde van de Arabische Lente en daarna. Die jongeren herkenden zich dus in zijn boeken, en ze vonden er aanwijzingen in voor de echte oorzaak van hun ellende, alsmede advies over wat ze eraan moesten doen. Helaas zijn de dictatoriale krachten die hem waarschijnlijk in 1902 hebben gedood, er ook in geslaagd om de Arabische Lente-beweging in 2011 te breken.

Iyad el-Baghdadi, schrijver, ondernemer en mensenrechtenactivist die tijdens de Arabische Lente internationale bekendheid verwierf , laat de naam Al-Kawakibi weer opleven in de door hem opgerichte Kawaakibi Foundation die zich inzet voor een “wereld vrij van tirannie, terrorisme en buitenlandse interventie; een wereld waarin de samenleving de staat overtroeft, extremisme en onvrijheden geen aantrekkingskracht hebben en individuele rechten heilig zijn”.

De als stateloze, in Koeweit geboren Palestijn el-Baghdadi woont tegenwoordig in Noorwegen, waar hij politiek asiel kreeg. Net als Al-Kawakibi, Khashoggi en vele anderen is hij regelmatig met de dood bedreigd. In mei 2019 kreeg Baghdadi van de Noorse veiligheidsdiensten te horen dat er een geloofwaardige bedreiging van zijn leven was vanwege zijn uitgesproken kritiek op de Saoedische regering. De CIA had dit aan Noorwegen doorgegeven, dat Baghdadi voor zijn veiligheid in bescherming nam. “Ons werk bezorgt tirannen en terroristen hoofdpijn en slapeloze nachten,” schreef Baghdadi op de website van de foundation.

Metaforische verbinding tussen pandemie en tirannie

De Tunesische beweging Ennahda – verboden onder de heerschappij van Zine el-Abidine Ben Ali – was een van de weinige deelnemers aan de Arabische Lente die na 2011 in de macht kon delen, al staan democratische verworvenheden in Tunesië nu ook op de tocht door het ontslag van de regering en het naar huis sturen van het parlement door president Kaïs Saïd. Dit gebeurde naar aanleiding van een reeks protesten tegen Ennahda, economische problemen en een aanzienlijke toename van COVID-19-gevallen in Tunesië, wat leidde tot de ineenstorting van het Tunesische gezondheidssysteem.

Leon T. Goldsmith gaat uitvoerig in op Al-Kawakibi ’s vergelijking van dictatoriale system met ziekte: “Bijna alsof hij de catastrofale pandemie en de bijbehorende politieke en economische onrust die de wereld sinds 2020 zou verteren voorspelde, beschreef hij in zijn puntige proza een verband tussen tirannie en ziekte dat heden ten dage helaas maar al te reëel is.” COVID-19 is inderdaad een verschrikkelijke afrekening geweest, die de gezondheid en immuniteit van het politieke en sociale kapitaal van elke natiestaat op de proef heeft gesteld en nog steeds doet; niet alleen in Arabische landen maar over de hele wereld.

High-Tech-Verbindingen van 1902 en 2011

Nog een parallel tussen het einde van de negentiende eeuw en de revoluties van 2011 is de communicatie. Destijds zorgden de opkomst van kranten, de spoorwegnetwerken en telegrafische systemen voor een snelle uitwisseling van informatie en ideeën tussen het imperiale Istanbul, Egypte, Arabië en Irak. Aldus werd het vermogen van activisten zoals Al-Kawakibi om revolutionaire om ideeën te verspreiden op dezelfde manier vergroot als dat in 2011, tijdens het Arabisch ontwaken, voor revolutionaire organisaties gebeurde dankzij internet en social media. “Ontwaken”, ja, want de Arabische revolte kwam niet uit de lucht vallen. Al in 2009 gaf het tijdschrift The Economist een speciaal themanummer uit met de titel Waking from its sleep – A special report on the Arab world waarin werd gesproken over een “fever under the surface”, een koorts onder de oppervlakte die ieder moment in revolutie kon ontbranden.

Tirannie kan niet met geweld worden gestopt

In zijn boek The Nature of Tyranny and the Devastating Results of Oppression definieert Al-Kawakibi tirannie en de verwoestende gevolgen van onderdrukking en bespreekt hij de oorzaken en gevolgen ervan. “Tirannie is de oorsprong van elke perversiteit”, zegt Al-Kawakibi. “Tirannie bederft de geest door beperkingen, vernedert religie door manipulaties, en vernietigt kennis door intimidatie.”

Titelpagina van de eerste vertaling van Al-Kawakibi’s werk in het Engels.

Hij hing belangrijke en voor zijn tijd zeer vooruitstrevende politieke ideeën na, waaronder pan-Arabische en islamitische solidariteit, een representatieve regering, de scheiding van uitvoerende, wetgevende en juridische autoriteiten, de afschaffing van dictaturen, het streven naar sociale rechtvaardigheid en een vorm van “islamitisch socialisme”.

Veel latere Arabische reformisten werden door zijn ideeën beïnvloed, dat geldt ook voor de jongeren van de recente bewegingen in de Arabische Lente. Hij vestigde de aandacht op de effecten van onderdrukking op verschillende aspecten van het dagelijks leven en de moraal van de onderdanen. Hij preciseerde zijn analyse van de effecten van tirannie in hoofdstukken over religie, kennis, economie, glorie, ethiek, onderwijs en nationale vooruitgang.

Het laatste hoofdstuk van het boek bevat belangrijke opmerkingen over hoe je van tirannie af kunt komen. Hij komt met drie hoofdpunten.

Ten eerste: Een natie waarin alle, of de meeste mensen de ellende van tirannie niet voelen, verdient geen vrijheid.

Ten tweede: tirannie kan niet met geweld worden gestopt. Deze moet met vreedzame middelen, geleidelijk worden bestreden.

En ten derde: alvorens weerstand te bieden aan tirannie, moet een vervangend politiek plan worden opgesteld.

Net als Mohammed Rashid Ridha beschuldigde Al-Kawakibi westerse mogendheden ervan twee gezichten te hebben. Intern waren het progressieve beschavingen, extern onderdrukkende koloniale machten.

De grootste zorg voor moderne lezers is ongetwijfeld de houding van Al-Kawakibi tegenover vrouwen. Aan de ene kant betreurde hij de beperkingen die aan vrouwen worden opgelegd en het verspilde potentieel, aan de andere kant koesterde hij diep vrouwonvriendelijke opvattingen. Hij leek bijvoorbeeld te suggereren dat vrouwen mannen een economische tirannie opleggen en hen manipuleren. In die tijd – de negentiende eeuw –  waren dergelijke opvattingen waarschijnlijk heel gewoon.

Niet-westerse, intellectuele instrumenten tegen stagnerende democratiseringsprocessen

“Ik was verrast te ontdekken dat, ondanks het belang van dit boek, het niet in het Engels was vertaald”, schrijft vertaler Amer Chaikhouni in zijn voorwoord. “Toen ik met Europese en Amerikaanse vrienden enkele kwesties over de Arabische Lente besprak, kreeg ik de indruk dat de meesten van hen nog nooit van Al-Kawakibi hadden gehoord”.

Sommige academici met belangstelling voor sociaal-politiek onderzoek naar de Arabische wereld, tevens fervente lezers, kenden hem, maar hadden zijn belangrijkste boek niet gelezen omdat het niet in het Engels verkrijgbaar was. Naast de biografie Abd al-Rahman al-Kawakibi: Islamic Reform and Arab Revival (2015) van Itzchak Weismann is het originele werk er nu ook in het Engels.

“Door het werk van Al-Kawakibi toegankelijk te maken voor een wereldwijd publiek kunnen nieuwe, niet-westerse, intellectuele instrumenten ter bestrijding van stagnerende democratiseringsprocessen in ontwikkelingslanden en democratische regressie in zogenaamde ontwikkelde landen aan het licht komen”, schrijft Goldsmith in zijn voorwoord.

Destijds dacht men dat de ineenstorting van de Berlijnse Muur, drie decennia geleden, de onverbiddelijke opmars van de liberale democratie inluidde. De hoop bestond dat dictaturen op de mestvaalt van de geschiedenis zouden belanden. Toch is de afgelopen jaren het aantal wrede dictators, families en oligarchieën met ongebreidelde macht toegenomen.

“Hoe meer tirannie anachronistisch wordt in de moderne context, hoe meer ze lijkt te gedijen,” aldus Goldsmith. “De afgelopen jaren hebben neofascistische, ultranationalistische en populistische bewegingen het constitutionalisme en pluralisme in de westerse hoofdsteden aan weerszijden van de Atlantische Oceaan bedreigd, terwijl machtige niet-democratische regimes wereldwijd leiderschap lijken te krijgen. Niet alleen is de vierde golf van democratisering uitgebleven, maar deze keert mogelijk terug als een tsunami van tirannie.”

De parallellen tussen het tot zwijgen brengen van Al-Kawakibi in 1902 en Khashoggi in 2018 benadrukken tegelijkertijd de macht en de onzekerheid van tirannen door de tijd heen. Een zorgvuldige (her)lezing van Al-Kawakibi in het Engels kan helpen om een deel van de puzzel op te lossen over hoe tirannie kan worden omvergeworpen en permanent kan worden beëindigd.

Abdul Rahman Al-Kawakibi; The Nature of Tyranny and the Devastating Results of Oppression; vertaald door Amer Chaikhouni met een inleiding door Leon T. Goldsmith; Hurst Publishers, 2021; ISBN 9781787385481

Tegen het Wetsvoorstel strafuitsluitingsgrond humanitaire hulpverleners en journalisten

Om die redenen is er vanuit het Grote Midden Oosten Platform bezwaar ingediend tegen het voorstel. In een brief hebben we de volgende argumenten genoemd en toegelicht:

1. Er bestaat geen vaste omschrijving van terrorisme. Per definitie is er dus geen sprake van neutraliteit. Daarnaast wordt de lijst van terroristische organisaties regelmatig aangepast aan de ‘omstandigheden’.

  1. 2. In conflict- en post-conflictgebieden zijn de sociaal-politiek ontwikkelingen doorgaans fluïde. Standpunten ten aanzien van partijen fluctueren (zowel lokaal als internationaal). Om te kunnen functioneren moeten ngo’s, lokale partnerorganisaties of experts van buiten zich soms conformeren aan de bestaande machtsverhoudingen.
  2. 3. Zodra er inreisbeperkingen bestaan voor bepaalde landen – denk aan het Israëlische inreisverbod naar Gaza – komt er geen menselijk beeld meer naar buiten. Zo dreigen hele bevolkingsgroepen te worden ontmenselijkt.
  3. 4. De wet creëert rechtsonzekerheid voor tal van Nederlandse organisaties en individuele adviseurs en experts die actief zijn in de sector van mensenrechten (in het bijzonder vrouwenrechten), welzijn, vredesopbouw en ontwikkelingswerk.
  4. 5. De wet stimuleert de verdere inkrimping van de al zeer beperkte ruimte voor het maatschappelijk middenveld in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, en belemmert onafhankelijke expertise hierover.
  5. 6. Een toestemmingsprocedure bij deze wet is bij voorbaat onwerkbaar. In de praktijk blijkt vaak dat overheidsinstanties ten aanzien van het precieze werk van experts, onderzoekers en ngo’s weinig voorstellingsvermogen hebben. Dit komt omdat de aard van het werk intrinsiek zó anders is dan dat van een overheid. GMOP-experts werken ook over de Nederlandse grenzen heen. Is hij/zij strafbaar als hij/zij voor een organisatie werkt in een ander EU-land dat dit soort wetgeving niet heeft? Zo ja, dan is de wet strijdig met de basisprincipes van de EU, namelijk een vrij verkeer van diensten.
  6. 7. De wet werkt Nederlandse toezeggingen en internationale afspraken op tal van themagebieden tegen, bijvoorbeeld rond vrouwen, vrede en veiligheid, en rond mensenhandel en wapens. Hoe meer  specialistische organisaties worden gehinderd in hun werk, hoe groter de kans dat Nederland zijn internationale doelen niet haalt.
  7. 8. Strafbaarstelling van vredes-, ontwikkelings- , en mensenrechtenwerk (in het bijzonder vrouwenrechten) stimuleert beleidsincoherentie van Nederlandse overheid. In verschillende Nederlandse beleidsnota’s vormt ‘inclusieve vrede en veiligheid’ een kernprioriteit. Organisaties, experts, onderzoekers worden in Nederland  gestimuleerd en vaak zelfs gefinancierd om Nederlandse beleidsprioriteiten vorm te geven en uit te voeren.

Wij onderschrijven het belang van de strijd tegen terrorisme. Op basis van bovenstaande argumenten hebben we duidelijk willen maken dat dit wetsvoorstel om tal van redenen niet de juiste manier is om die strijd te voeren.

Mocht de wet toch worden aangenomen, dan roepen we op tot uitbreiding van de huidige strafuitsluitingsclausule voor humanitair medewerkers en journalisten,

met aanvullende classificaties, te weten:  Mensenrechtenwerk (in het bijzonder vrouwenrechten), welzijn- en ontwikkelingsorganisaties, vredesopbouwwerk en bemiddeling, individuele consultants, experts en academische onderzoekers, die actief kunnen zijn in deze sectoren.

De volledige brief is hier te vinden.

De nieuwe Saoedische levensader blijkt een doodlopende weg

Het klinkt allemaal fantastisch: Het huishouden wordt gedaan door robots, vliegende taxi’s komen in de plaats van auto’s, supermarkten zijn overbodig geworden dankzij leveringen per drone en hernieuwbare energie – voornamelijk van zonne- en windmolenparken zorgt voor de elektriciteitsvoorziening.

Daarnaast is er nog ondergronds trein- en tramverkeer gestuurd door kunstmatige intelligentie om de natuurwonderen, de biodiversiteit en het culturele erfgoed net naast de huisdeur te beschermen. Verder is er sprake van ’s werelds hoogste restaurantdichtheid met Michelin-sterren, geen sprake meer van het Saoedische alcoholverbod, en heeft iedereen gratis internet; een brug verbindt de noordwestelijke Saoedische provincie Tabuk met het Egyptische schiereiland Sinaï. Wat nog verder? Een onafhankelijke economische zone met een eigen rechtssysteem, dat liberaler is dan elders in Saoedi-Arabië, waarbij elke rechter rechtstreeks ondergeschikt is aan de koning.

Een straatreclame met de Saoedische kroonprins-Mohammed bin Salman bij een winkelcentrum in Jeddah, Saoedi-Arabië

NEOM heet dit project: een toekomstige hightech- en eco-metropool waarvoor de plannen op 24 oktober 2017 werden onthuld. Een en ander is bedoeld als mijlpaal in de ontwikkeling van het land nadat de oliebronnen zijn opgedroogd. Het project kost naar verwachting ongeveer 500 miljard euro en is een poging van Saoedi-Arabië om zijn inkomsten te diversifiëren in de nasleep van de wereldwijde ineenstorting van de olieprijzen in 2014.

Het hele project maakt deel uit van de “Visie 2030”. Daar is nu nog wat bij gekomen. De Saoedische kroonprins Mohammed bin Salman heeft afgelopen januari een nieuw prestigeproject gepresenteerd: “The Line”. Met “The Line” heeft Bin Salman een stad voor ogen die weinig te maken heeft met het beeld van steden zoals men die kent. Zij bestaat uit één ‘lijn’ en zal ooit een miljoen mensen moeten huisvesten.

Een paar weken geleden kwam daar nog een groots project bij: “Oxagon” een achthoekige industriële stad drijvend op de Rode Zee. De marketingclip stelt dat “Oxagon” de knapste koppen samen zal brengen om ’s werelds grootste uitdagingen op te lossen en zou bogen op “ongeëvenaarde leefbaarheid”.

“Oxagon”: Een achthoekige industriële stad drijvend op de Rode Zee is het nieuwste idee van Mohammed bin Salman.

Waarom de “knapste koppen” in een achthoekige stad zouden moeten wonen, waarvan de helft op het water drijft om de grootste uitdagingen van de aarde op te lossen, wordt in de video niet duidelijk. Stedenbouwkundigen zouden de kroonprins een eenvoudiger plan voor een koolstofvrije stad hebben voorgesteld, maar de de facto leider van Saoedi-Arabië antwoordde naar verluidt: “Ik wil mijn piramides bouwen”.

‘Felicitaties aan het adviesbureau dat ongetwijfeld een enorm bedrag opstreek met de levering van dit hemelse idee: uit NEOM blijkt echter niet hoeveel de stad gaat kosten, of hoe het complex zal blijven drijven,’ twitterde Gregg Carlstrom, Midden-Oosten-correspondent van The Economist.

De “nieuwe toekomst”

In de regel is het tijdverspilling om aandacht te besteden aan de hoogmoedswaanzin van de Saoedi’s en hun projecten die zelden gerealiseerd worden, maar wanneer media als “Forbes”, “Wall Street Journal”, de “Frankfurter Allgemeine Zeitung” en “Economist” zich met zo’n project bezig gaan houden, of wanneer het “Sada Journal” van de Carnegie Endowment For International Peace met analyses komt aanzetten, loont het wél de moeite het onder loep te nemen – al was het maar voor de correcte context.

Samengevat: met hulp van de adviesgiganten Boston Consulting Group (BCG), McKinsey en Oliver Wyman ontwikkelde troonopvolger Mohammed bin Salman een plan voor de “reageerbuisstad” en eco-metropool NEOM van 500 miljard euro, waarin toekomstige technologieën de hoeksteen van de ontwikkeling moeten vormen. De naam NEOM is een combinatie van het oude Griekse woord “neo” (nieuw) en een “M”, wat staat voor “mustaqbal”, wat toekomst betekent in het Arabisch – dus “nieuwe toekomst”.

“The Line” maakt deel uit van de toekomstige geplande stad NEOM, waarmee het gebied tussen de Rode Zee en de grens met Jordanië en Egypte ontwikkeld wordt: een megastad, die zich uitstrekt over een oppervlakte van 26.500 vierkante meter (33 keer zo groot als New York City). Op het eerste gezicht lijkt “The Line” het tegenovergestelde van een stad: een kaarsrechte lijn die zich uitstrekt vanaf de Rode Zee over een afstand van 170 kilometer landinwaarts. Iedereen die hier ooit gaat wonen, zou in slechts vijf minuten bijna overal moeten zijn, of het nu op het werk, tijdens recreatie of in diens vrije tijd is, bij de dokter of op andere plaatsen waar mensen elke dag  komen. En niet met de auto, maar te voet of met het openbaar vervoer.

NEOM moet Saoedi-Arabië met Jordanië en Egypte verbinden.

Niet alleen passagiers zijn binnen enkele minuten op de plek van bestemming, ook goederen. Daarvoor is een aparte ondergrondse route gepland. De volledige infrastructuur, zoals afvalverwijdering, energie en leveringslogistiek zit ondergronds. De sub-centra zijn als parels aan een ketting geregen dankzij een hogesnelheidstreinverbinding. Gewenste reistijd van oost naar west is 20 minuten. Dat komt overeen met een gemiddelde snelheid van 510 km per uur, en daarmee is deze trein de snelste ter wereld. Ter vergelijking: De Gotthard-basistunnel van de Neue Eisenbahn Alpen Tranversale (NEAT) in Zwitserland is met 57 kilometer de langste spoortunnel ter wereld; dit project heeft 22,6 Miljarden gekost.

NEOM is afhankelijk van de goedkeuring door Israël

Saoedi-Arabië heeft goede betrekkingen met Israël nodig om NEOM te voltooien. De normalisatieovereenkomsten tussen de Verenigde Arabische Emiraten, Bahrein, Sudan en Israël dienen daarom het belang van Saoedi-Arabië. In juni 2017 heeft Egypte de eilanden Sanafir en Tiran overgedragen aan Saoedi-Arabië, gelegen voor de kust van Saoedi-Arabië en het Sinaï-schiereiland. Egypte gaf deze eilanden aan Saoedi-Arabië in de veronderstelling dat de economie van Egypte zou profiteren van NEOM. Saoedi-Arabië heeft inderdaad plannen voor een brug over de Straat van Tiran en Egypte met NEOM. Voor de uitbreiding van Saoedi Highway 392 en het bouwen van een brug tussen Saoedi-Egypte en Egypte zijn echter onderhandelingen met Israël vereist. Het vredesverdrag tussen Egypte en Israël uit 1979 omvat de garantie van gratis Israëlische scheepvaart door de zeestraat van Tiran en daarom is het project afhankelijk van goedkeuring door Israël.

Amerikaanse public relations- en lobbyfirma Ruder Finn ingehuurd

Het belang van het megaproject voor de public relations-strategie van Saoedi-Arabië blijkt steeds weer uit advertenties van NEOM in de Wall Street Journal, op social media, op Europese tv-kanalen en voor eSport-competities. Saoedi-Arabië heeft ook nog eens de Amerikaanse public relations- en lobbyfirma Ruder Finn ingehuurd om zich zo positief mogelijk te presenteren. Na de hechte relatie van president Trump met Mohammed bin Salman stelt zijn opvolger Joe Biden zich heel anders op. Bin Salman probeert al bijna een jaar vergeefs met Biden in contact te komen. Met deze turbulente relatie met de VS heeft het koninkrijk nu enkele lobbyisten aangenomen die banden hebben met Republikeinse congresleiders.

NEOM moet een wereldwijd knooppunt worden op het gebied van eSport (electronic sports), het competitief (in wedstrijdverband) spelen van computerspellen, intussen ook een miljardenbusiness. Het land organiseerde daarom al in 2018 de FIFA eWorld Cup. Het kondigde de komst van Saoedi-Arabië aan in de groeiende wereld van eSport. Met twintig miljoen gamers die zich probeerden te kwalificeren voor het evenement was de overwinning een groot moment voor de Saoedische speler Mosaad Aldossary (prijzengeld van 250.000 dollar), voor de industrie, en voor een land dat ernaar streeft een wereldwijd toonaangevende rol in deze sector te spelen .

Architectuur-, bouw- en lifestylemagazines vallen over elkaar heen in hun lofprijzingen over “The Line” als “nieuwe levensader”. Het glossy tijdschrift “Harper‘s Bazaar Arabia” is uiteraard ook enthousiast onder de titel “Only The Dreamers: The Beauty of NEOM”  met het allereerste Saoedische modemodel, Taleedah Tamer, als muze op de titelpagina: “… een droomlandschap bestaande uit roze zand, majestueuze bergketens, intieme wadi’s uit prentenboeken, en met koraalriffen getrimde wateren waarvan je de kleur moet zien om die te geloven. Het is zonder twijfel de droom van een fotograaf – een overvloed aan het beste wat de natuur te bieden heeft, maar op één plek – de bestemming die kroonprins Mohammed bin Salman bin Abdul Aziz Al Saud wil veranderen in een deels toeristisch centrum, deels een slimme stad, die volledig draait op hernieuwbare energie en de thuisbasis is van ’s werelds grootste geesten en talenten.”

Het allereerste Saoedische modemodel, Taleedah Tamer draaft op in het glossy tijdschrift “Harper‘s Bazaar Arabia” om reclame te maken voor NEOM.

Moord en arrestaties

In deze kosmopolitische wereld van glamour is natuurlijk geen plaats voor een bedoeïenenstam die tot in de jaren tachtig nog geen elektriciteit had. Naar verwachting zullen naar schatting 20.000 mensen van de Howeitat-stam worden verdreven om plaats te maken voor NEOM uit een gebied waarvan Mohammed bin Salman zei dat er “niemand” woonde (“nothing there”).

Honderden jaren lang heeft de stam dorpen en steden bewoond in Arabië, Jordanië en Palestina, waaronder in de historische hoofdstad Khuraybah in de Saoedische provincie Tabuk. Abdul Rahim al-Huwaiti, een lid van de Howeitat-stam, plaatste afgelopen jaar in April een video waarin te zien is dat de Saoedische veiligheidstroepen hem en zijn familie proberen weg te jagen. Kort daarna werd hij vermoord aangetroffen. Hij had een kogel in zijn hoofd.

Martelaar van het verzet tegen NEOM: Abdul Rahim al-Huwaiti, een lid van de Howeitat-stam, werd in april 2020 vermoord.

Na de aanval door het Saoedische leger op Khuraybah in april 2020 hebben NEOM-architect Norman Foster en Daniel L. Doctoroff, CEO van Google Sidewalk Labs, ontslag genomen als lid van de wetenschappelijke adviesraad van NEOM. Acht neven van Abdul Rahim al-Huwaiti werden gearresteerd omdat ze protesteerden tegen het uitzettingsbevel.

Luidkeels protesteert ook de beroemde Saoedische springruiter Alya Abutayah Alhwaiti in Londen. Ze zegt, dat zij en mensenrechtenactivisten in het westen hopen de arrestaties te kunnen aanvechten. Volgens Alhwaiti zijn de Howeitat niet tegen de ontwikkeling van NEOM, maar willen ze niet uit hun traditionele thuisland verdreven worden. Alya Abutayah Alhwaiti zegt dat ze doodsbedreigingen heeft ontvangen van aanhangers van Mohammed bin Salman. In “Oxagon” heeft Alya Abutayah Alhwaiti ook geen enkel vertrouwen: “Dit zal nooit gebeuren. Bin Salman faalt bij het ene project, en dan begint hij een ander om zijn misdaden en mislukkingen te verbergen”, zei ze begin december tegen Middle East Eye.

“Visie 2030”, een verzekerde vernietiging van een historische gemeenschap

NEOM: futuristisch megastadproject dat deel uitmaakt van “Vision 2030” van Saoedi-Arabië.

Sarah Leah Whitson, voormalig directeur van de afdeling Midden-Oosten en Noord-Afrika van Human Rights Watch, en Abdullah Alaoudh, een Saoedische jurist en Senior Fellow aan de Georgetown University schreven daarover een hard commentaar in Foreign Policy. AlAoudh’s vader Scheikh Salman Al-Odah, een prominente hervormingsgezinde religieuze geleerde in Saoedi-Arabië, zit sinds 2017 gevangen omdat hij pleitte voor een einde aan het conflict met Qatar. “Het is hoogst twijfelachtig dat het NEOM-project ook maar enigszins levensvatbaar is, gezien de wereldwijde financiële ineenstorting als gevolg van het coronavirus en de stijgende Saoedische schuld te midden van historisch lage olieprijzen,” schrijft Whitson. En AlAoudh schrijft: “Het enige resultaat dat we hebben gezien van deze visie voor een futuristische stad is de verzekerde vernietiging van een historische gemeenschap en de dood van een Saoedische demonstrant, waarbij archaïsche middelen worden gebruikt zonder ruimte voor moderne opvattingen over rechten en gerechtigheid.”

Een doodlopende straat – een dead end

Internationale investeerders worden zullen terugdeinzen vanwege de moord op Khashoggi, nu al drie jaar geleden (zie artikel op Het Grote Midden Oosten Platform) de oorlog in Jemen en de arrestatie van prominente Saoedische vrouwenrechtenactivisten zoals Loujain al-Hathloul, Samar Badawi, Nassima al-Sada, Nouf Abdulaziz en Mayaa al-Zahrani. Ook financieel ziet het er niet goed uit: Grote projecten zoals het King Abdullah Financial District (KAFD) en de King Abdullah Economic City (KAEC) lijden al onder concurrentie met de naburige Emiraten. Internationale bedrijven kunnen hun expats in Dubai een westerse levensstijl beloven, wat in Saoedi-Arabië nog niet het geval is. Dit is een belangrijke factor voor internationale bedrijven die op zoek zijn naar regionale vertegenwoordiging in de MENA-regio. De Saoedische miljoenenprojecten KAFD en KAEC hebben al moeite om bedrijven te werven. Er heerst overal overcapaciteit en afgelopen november presenteerde Mohammed bin Salman alweer een ander project bij de hoofdstad Riyad; ’s werelds eerste non-profit stad’, vernoemd naar zichzelf.

Het project “The Line” ligt midden in de woestijn en verbindt niet eens twee bestaande punten van A naar B, maar eindigt na 170 kilometer in het niets, een doodlopende straat – een “dead end”, in de letterlijke zin van het woord.

Young and Green: youth playing a role in MENA’s green future

Yara Dowani is a Palestinian city girl who works at an organic farm in the countryside of the occupied West Bank. Iraqi Maha Yassin helps to establish dialogue between young activists in Southern Iraq and local academic and governmental stakeholders, so they can collaborate in solving the tremendous environmental problems in the country. Qatari Neeshad Shafi founded the Arab Youth for Climate Movement and with his team became a respected partner of local communities and authorities in Qatar.

Every plant is a universe

“We’re all young people. The farm did not pick us; we got attracted to the farm”, explained Yara Dowani during the online event hosted by the Green MENA Network project. The people who work at Om Sleiman Farm have master’s degrees, they have travelled, have worked with local or international NGOs, but they all ended up at the farm. Yara joined after she did a two-week permaculture course at the farm. “It made so much sense to me, especially in our context, in Palestine, with the occupation and the challenges: to grow my own food, manage my own place, and learn how to manage our resources.”

Yara is not the only one who feels this way; many volunteers stay at the farm because of the fulfillment it generates. “You cannot imagine yourself to return to an office. In the farm you are responsible for your own food, you are with nature. It is something we missed in our education and in cities. What was amazing for me was to learn that every plant is a universe. When you work with plants you see life all the time. You feel the freedom and independence that we usually don’t feel living in Palestine under occupation.”

Om Sleiman Farm on the occupied West Bank.

Om Sleiman farm aims to make society healthier. It works from the concept that farming is an ecosystem that produces a healthy society, not a machinery to generate profit at any price. Palestine used to be an agricultural country, but in recent years agricultural work has been stigmatized (as in many parts of the Middle East and North Africa) and is not valued as a career or a way of life. Farmers’ children are leaving the villages to study or find work in the city. Yara believes it is important to empower farmers again. “I think there is big movement now, in Palestine, in the Middle East, in the world, among youth, to go back to the land and regenerate the land and live this lifestyle. It is important that consumers are aware of where our food comes from, who produces it and how. Because farmers produce what consumers ask them to produce.”

Of course, there are challenges at Om Sleiman Farm. It is located in the so-called area C (Israeli control), right next to the Israeli ‘security’ wall and a settlement. “We are not allowed to build, or save our own water. Plus, we are a group of young people who never studied agriculture. We learn from experience, from each other. Working in a farm also means we don’t have a stable income.”

The farm uses a community supported agricultural model that connects the farmer to the consumer. In regular farming, farmers need money at the start of the season for seeds. Then they need to find a market for their produce. In community supported agriculture, customers pay in advance. The farmer doesn’t need to borrow money, knows how much she has to produce, and does not have to worry about marketing. Om Sleiman Farm followed this model in the last six years. “We started with eight families from Ramallah, and now we produce organic vegetables and products for forty to fifty families in the coming winter.”

Awareness campaigns on Facebook

The environment in which Iraqi youth grow up is very different from that of Palestinian youth, but it is no less problematic. Iraq has been plagued by internal and external conflicts for decades. Mismanagement, war, and environmental exploitation exacerbate the country’s sever climate change impact. Water scarcity, contamination, and air pollution are just a few of the many environmental issues. For many years, the government’s priority has been to stabilize the country, and improve the economy. Most investments went to the oil industry. Other sectors, such as water and agriculture, were seriously neglected. Much of the country’s endless lands of date palms, that used to make Iraq the biggest date producer in the world, turned into desert.

Drought in Iraq

Due to the instability and conflicts, activism for climate issues and environment is relatively recent in Iraq. “The scale of environmental activism in Iraq is still small, but it is growing very fast,” says Maha Yassin. She is a Junior Researcher at the Planetary Security Initiative, at the Clingendael Institute in the Netherlands, and she is originally from Basra in South Iraq. She discovered that the few local NGOs that work on greening campaigns are led by youth and they rely a lot on volunteers. Running awareness campaigns is their main activity, for example on the environmental impact of the oil industry, and on what authorities should do in response to it. The NGOs are using social media for their awareness campaigns. “They extended from Facebook, which is very big in Iraq, and started using also Instagram and twitter.”

Petrochemical plants in the south of Iraq

What Maha saw is that after a first phase of activity to activate more volunteers and obtain some small funding, NGOs tend to begin implementing concrete projects on the ground. They continue to combine awareness raising with activities, but they do need exposure and international support. “They are mostly young people who want to build their own capacity. It is great that they have access to the very affordable tool of social media to make their voices heard. But they need support to reach decision makers, and to collaborate with them to make real change on the ground.” Because in the end NGOs in Iraq cannot do much unless they cooperate with the government and other (international) institutions.

Collective work by young people across the globe

A whole different setting for youth climate activism is Qatar, where Neeshad Shafi founded the Arab Youth Climate Movement (AYCM). We know the Gulf states for their extravagant lifestyles and their economies based on fossil fuel. What we do not always know is that the local Bedouin communities used to be deeply connected with their environment. The AYCM-Qatar has a mission to revive this connection. Through a wide range of activities, including the training of young ‘ambassadors’ and the involvement of imams, they raise awareness among the local communities on the importance of the environment.

Neeshad was motivated to establish the organization when he realized that young people from the Middle East are not visible at all in the global youth climate movement. “The narrative is that young people from the global North are going to save the world,” says Neeshad during our online talk. “That is rubbish, it is a collective work by young people across the globe. Everybody needs to be included.”

“The commitments to deal with climate change have to come from the highest level of the government, but there is also a huge role for civil society, especially young people, in making our leaders accountable”. “Our goal is to empower young adults at the grassroots level to speak up about environmental and ecological issues in the region. Not from the government perspective, but from a community perspective.”

Members of the Arab Youth Climate Movement.

The AYCM invites high level speakers, grass root speakers, activists, and UN diplomats, to speak in public libraries where everybody has access. “We do that because in the past this type of events took place in universities or government events where the public didn’t have access. We want everybody to learn and understand that climate is not just something happing on the poles, but is also affecting our region.” “We train young people to take the lead in these discussions. And we make a connection between these topics and their daily lives.” The organization has good relations with the local authorities, in fact it is the only registered youth organization in the country. Clearly, the government recognizes the value of its work. AYCM collaborates with various ministries, with the local Chamber of Commerce, and was asked to represent Qatar in a number of formal international youth conventions.

Amplifying voices of young people in the MENA-region

Young people are active campaigners to raise awareness. In Palestine, Iraq and Qatar they work with local communities, and try to educate them on the importance of a healthy environment, healthy food and clean water. They connect the local context with national policies, and seek collaboration with authorities if that helps their cause. Or in contrast, in the case of Palestine, they celebrate the freedom and satisfaction in growing their own food.

This means that European NGOs and governments have excellent partners on the ground to help them implement the global green agenda. Of course, young people sometimes need skills and knowledge development, and this is something that requires funding and support. European actors can help with this, and they can also use governmental channels to influence decisionmakers in the MENA-region. According to Neeshad, “Europeans are in a better position to reach our leaders, through trade routes and foreign policies.” If donors or governments want to be supportive, they need to understand the local context, says Yara: “Europe helps by getting more aware of the situation in Palestine -the occupation and restrictions – support the farmers who are at the frontline. It would help if Europeans change their perception of Palestinians and people in Arab countries.”

Above all, it is crucial that these young people are recognized as critical players in achieving climate justice and finding sustainable solutions to environmental problems. Europe can support them by providing platforms for youth to speak up, express their needs, and work together to find solutions that are part of local strategies. As Maha explains: “Giving activists a platform to raise their voices is of great help. Giving the ones who are doing the work on the ground a stage. It may be difficult to reach them, and language may be a barrier, but giving them a platform to speak about the challenges and what they want to do, helps tremendously.”

While the youth movement is most visible in the global North, we must also support the most vulnerable people in the global South, including the Middle East and North Africa. And a critical component of this support, is providing a platform for and amplifying the voices of young people in the region.

Yara Dowani from the Om Sleiman Farm in Palestine, that was born in 2016 as an effort to re-imagine resistance as a community effort rooted in the intersection of the social, economic, and environmental. It is a community supported agriculture farm, that mobilizes community resources to support farmers. The farm also provides a space for teaching and learning about sustainable practices in farming and building. The farm is based in Bil’in and carries the village’s long tradition of popular resistance.

Maha Yassin, a Junior Researcher at the Planetary Security Initiative, at the Clingendael Institute in the Netherlands. Her work focuses on raising awareness and catalyzing action on climate change-related security risks in the MENA region. Iraq is PSI focus country where Maha contributes to dialogue initiatives to engage local stakeholders. She also runs the PSI website and media outreach, which function as a knowledge hub on climate security practices, policy research and related events.

Neeshad Shafi, an environmentalist and Social Change Advocate. He holds a master’s degree in Energy and Environmental Engineering and is based in Doha, Qatar. He was distinguished in ’the Apolitical’s List of the World’s 100 Most Influential People in Climate Policy 2019.’ Neeshad founded the Arab Youth Climate Movement Qatar and is its Executive Director.

You can find a recording of the online discussion on our youtube channel.

Firefighting around the Mediterranean is in need of a holistic plan

One of a kind

The Mediterranean basin has 290 woody species versus 135 for non-Mediterranean Europe. We are witnessing escalating fires not seen in 100 or 1000 years before. Taking human lives, resources and threatening the Mediterranean diversity. Sandwiched between three huge land masses, Asia, Europe and Africa, the sea and its region are very vulnerable. Although climate change is affecting the whole world, temperatures have risen 20 percent faster around the Mediterranean than the rest of the world.

In the near future 64% of its non irrigated plants will disappear and 71% of the irrigated plants will be lost due to the lack of sweet water. The Middle East has passed the 1.5C increase in temperature and the dry season can last from 7-8 months. The days that are over 50C are already increasing in the Middle East, there is a decrease of rainy days and snow layers on mountains, such as in Lebanon. If the region faces a 2C increase, wildfires would cause the loss of 87% of its forests.

African Cedars

This crisis is also teaching us new facts about the Mediterranean. For example the fact that there are endemic cedar trees in North Africa. Atlas Cedar tree forests in Algeria are one of the most important and vital parts of the ecological heritage of the country. “The Cedar Tree Association” was founded by young Algerians from multiple disciplines and occupations, from health practitioners, journalists, lawyers, architects and so on. The Cedar of the Atlas (Cedrus Atlantica in Latin) “Al-Arz” in Arabic, “Idhguel” in Amazigh or Berber language, can ascend to 50m and live for several centuries, growing on mountains 1500 and 2500m high.

Global warming and huge fires became a major threat to the cedar forests and they are on the verge of extinction.

There is another aspect to this: in the north of Africa, forests are the home and spiritual homeland of the indiginoues populations. Wildfires destroy a much bigger element than material or even human lives; to its Amazigh populations this is a burning of their cultural, historic heritage and ancestral home. This kind of loss, seen by governments as one more lost place to wild-fire, can bring about not only ecological loss but cultural and social disasters that can polarise societies and bring new tensions. So, preventing forestfires of endemic forests of indigenous people, helps countries safeguard political and social harmony.

In the land with a cedar tree on its flag, wildfires have hit high mountains with 800 year old trees in Lebanon the last three years. These latitudes have known snow which is disappearing, but have never known fire. Forests with trees over 500 year old can burn in hours. Lebanon is now having about half a year of fires, yearly. Big wildfires in Lebanon occur when the temperature is 2C higher than usual or higher, and when the humidity is lower than usual.

'Cedars of God' in Lebanon @ Jerzy Strzelecki, https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.en

The average age of fires is also getting longer, with some taking 150 days.

Eighty percent of the fires in Lebanon are caused unintentionally by neglectful humans, such as farmers clearing their land when the cheapest way is burning or from campfires or other social actions that get out of hand. The burning of waste in big land-dumps near forests and the proximity of cities spreading close or even into forests without a proper buffer are also critical issues. After 15 years of conscious reforestation, in 2019 a chain of fires that found its way to Syria, destroyed more than 3000 hectares of forests, destroying the work of 15 years  in a few hours.

In 2021in Algeria, 90 people were killed by wildfires. The country is experiencing an average of 1,500 fires that cover 35,000 ha annually and in the last couple of years the number of large fires has been increasing enormously. The estimation in Algeria is that 30% of the fires are from natural causes or caused unintentionally and 70% were caused by arson. Political arson is used as a way of resisting the government or certain powers but end up causing much more permanent and general disasters. Algeria changed its laws and now being the cause of unintentional fire is punishable with 10 years in prison and capital punishment is given for arson.

Ancestors’ help

To find solutions we need to understand the causes of these changes. Let’s look at some of them. The agricultural revolution 13,000 years ago started in the Fertile Crescent and spread from there to the world, changing it permanently. The Mediterranean shores have been especially well cultivated the last thousand years. Where there are plants and forests, there are fires.

Fire forests are an old phenomenon, started by lightning or other natural causes, but their number, the size of the burning areas, the length of their duration and the patterns of how they spread, have changed.

Limited and small fires used to help enrich and renew the soil but big and continuous wildfires cause desertification, loss of biodiversity, erosions and floods. These fires and the news about them destroy tourism built on attractive weather, rich nature and the history of the lands.

Agriculture and tourism will never be the same. The loss of jobs and homes intensifies depopulation and widens the economical gap, contributing to social unrest, destabilising the region and contributing to forced migration. Proper cultivation of the land meant living and tending the area the whole year, the collection of dry wood to cook meant clearing the undergrowth of forests and empty land. Then there were the grazing animals that did their job 365 days a year; there was not much left to burn. Nowadays the countryside, villages and rural areas are quickly depopulated.

Rapid urbanisation plays a crucial factor in understanding the situation. Cities have shaped and continue to shape the world more than nation states. While the global urban surface makes up only 3 % of the land, yet in 2050 about 70% of the world population is estimated to live in cities. Climate change pushes more people from the countryside to cities. This means that vast amounts of lands that used to be populated, farmed and grazed by animals, are now empty or have a few aging people. This has set a perfect stage for regular and huge chains of wildfires. The state of California started hiring shepherds with their flocks to graze the land and Portugal is the first European country that made land management a priority. Urban planning, national and regional planning need to be involved, become creative and maybe use our ancestors and their ways for advice.

Planes, trees or laws

Technology is important for new solutions, but that is not always the case. Greece invested 1.7 billion euros in fire-fighting planes and only 20 million euros in prevention. When the planes were needed they could not be used because the waves in the sea were too high to fetch water from. Algeria rented helicopters from the EU and bought four planes from Russia to put the fires off. Lebanon asked for support from Cyprus and Egypt. Fires have become a strategic international question of codependency in the Middle East, North Africa and South Europe.

In addition to buying fire-fighting planes, there is the good old tree planting process. Replanting and planting trees is important but the amount of trees alone does not necessarily help recovery. For example, there are trees that enable fires to spread. The types of trees, in what place, how many and how densely planted, are all crucial elements in keeping the balance, the diversity and containing fires.

Burning pine cones and needles can fly with the wind even a few hundred meters, creating a chain of fires. This means that the gaps between areas need to be wider than, say, roads. Planning forests with less density also supports better irrigation and helps trees grow faster and stronger with more space and light while avoiding big fires.

Hand in hand with city and urban planning, a kaleidoscope of types of lands and trees with different types of usage needs to be consciously planned in addition to creating buffer zones and burning controlled areas in the winter when needed.

Then there are laws made to prevent and help from wildfires. The Lebanese state has had excellent laws to protect forests since 1949 but they are not implemented and there is no national prevention program in Lebanon. A national strategy specifying the partners and roles nationally and locally is crucial and the implementation needs funding and coordination. Waiting for fire is more expensive and very difficult to handle. With all the different aspects that contribute to wildfires, what is needed is a holistic preventive strategy.

There is a plan

In Lebanon a risk analysis of wildfires based on environmental, geophysical and socio-economic aspects has been prepared by the Land and Natural Resources Program at the Institute of the Environment at the University of Balamand. Accordingly, suggestions on fire prevention have been produced and made public. The analysis mapped high risk areas where an average of 92% of wildfires occured. It also produced a plan for prevention, response and recovery. More specifically, an online tool called Firelab (http://ioe-firelab.balamand.edu.lb) was developed to improve fire risk management at both local and national levels. Fire danger forecasts are made available by Firelab on a daily basis but the problem remains in the lack of efficient response. Experts, specialists, NGO networks, government and local authorities need to work together as a structured and well prepared cohesive body. The media needs to be involved in raising awareness and disseminating the acquired information. Making the landscape fire-resistant and increasing citizen resilience is the way to go. Managing forests and wood is not only more easy and efficient than putting fires off, the collective work builds social cohesion and brings financial profits. This supports ecological, social and economic prosperity and the revival of rural areas.

Collective efforts add to the interest of the population in defending and developing the plans, because this work not only protects them, but brings income as tourism or farming and contributes to a healthier environment. The revival of rural living with a proper plan can help avoid the expected enormous loss of income in such areas. Strengthening the interwork and coordination between different organisations and communities would lessen forced migration, tensions between citizens and regions and contribute to a more thriving economy.

This article is based on an oline event about wild fires in the MENA-region, in September 2021, with Dr. Hicham Chenaker from Algeria and Dr. George Mitri from Lebanon. The event is part of the Green MENA Network project of the Greater Middle East Platform, the recording can be found on our Youtube channel.

Zelfs de Afghaanse waarheid ligt ergens in het midden

Sahar Jahish is Afghaanse. Ze is een voormalige journaliste en werkte eerder voor de VN in Afghanistan. Ze kwam op haar negende naar Nederland. Jorrit Kamminga is verbonden aan Instituut Clingendael en heeft de afgelopen zestien jaar in Afghanistan gewerkt, onder andere voor Oxfam Novib. Hij heeft net een boek geschreven over twintig jaar Nederland in Afghanistan.

De afgelopen weken waren ze het vaak oneens over de oorzaken van en de oplossingen voor het tumult in Afghanistan. Naast hun mediaoptredens probeerden ze beiden Afghaanse vrienden, kennissen en oud-collega’s te ondersteunen die wilden worden geëvacueerd. In deze dialoog proberen ze dichter tot elkaar te komen rond de vraag hoe het nu verder moet in het land.

Sahar Jahish ©Goedele Monnens

Sahar Jahish (SJ): Al een tijd volg ik je via social media. Je wordt vaak door de media benaderd om jouw inzicht over Afghanistan te delen. Hoewel ik jouw kijk verfrissend vind in de wildgroei aan Afghanistankenners, stoor ik me soms aan je uitspraken over Afghanen. Zo zei je in een interview met RTL Nieuws dat het Afghaanse leger vooral voor geld vecht en dat er geen sprake is van een Afghaanse natie.  Was dat niet veel te kort door de bocht?

Jorrit Kamminga ©El Carret, Xirivella

Jorrit Kamminga (JK): Ik geef toe dat niet al mijn interviews in die eerste dagen genuanceerd waren. Dat kwam soms door mijzelf, maar soms ook door het redactiewerk. Ik gaf bijvoorbeeld wel meer oorzaken voor de snelle opmars van de Taliban. Ik denk nog steeds dat veel Afghanen vooral vanwege het geld bij de politie of het leger werken. Gelukkig geldt dat ook voor veel Taliban-strijders. Maar ik ben zeer benieuwd hoe je over de Afghaanse natie denkt. Ik kom zelf niet veel verder dan dat er af en toe wel nationale gevoelens zijn, bijvoorbeeld toen in 2013 het Afghaanse voetbalteam de Zuid-Azië-cup won of bij de opmars van het cricket. Maar dat Afghanistan verder politiek gezien te verdeeld is in verschillende stammen en etniciteiten.

Ik denk nog steeds dat veel Afghanen vooral vanwege het geld bij de politie of het leger werken. Gelukkig geldt dat ook voor veel Taliban-strijders.

SJ: Ik begrijp dat je zo denkt. Het is een sentiment dat vooral leeft onder westerlingen die Afghanistan hebben bezocht of daar hebben gewerkt. In de tijd dat ik bij de VN werkte in Afghanistan, hoorde ik niets anders. Voor mij waren deze meningen vooral pijnlijk, omdat ik mezelf hierin niet herken. Ook niet de vele Afghanen die ik in mijn journalistieke carrière heb geïnterviewd, de Afghanen in Afghanistan waarmee ik vriendschappen heb gesloten en niet te vergeten de Afghaanse diaspora. Onze nationale identiteit is heel sterk aanwezig en we zijn daar ook erg trots op. Die nationale trots doet niets af aan onze etnische trots. Ja, we behoren tot verschillende etnische groepen en juist die diversiteit aan culturen en talen, maakt de Afghaanse natie.

JK: Ik geloof best dat beide gevoelens naast elkaar bestaan, maar zijn het niet de etnische- en stam-identiteiten die het nationale gevoel bij fricties en tegenovergestelde belangen altijd overtroeven?

SJ: Nee, dat is niet het geval. Het is juist andersom. Wanneer er binnenlandse onrust ontstaat in Afghanistan, zijn de westerse media er als de kippen bij om de etnische verscheidenheid te benoemen en eventuele mislukkingen daarop af te schuiven terwijl de buitenlandse inmenging in de Afghaanse politiek buiten beschouwing blijft. Laat ik een actueel voorbeeld geven: sinds de machtsovername door de Taliban, hebben verschillende experts en journalisten geprobeerd om in Jip en Janneke-taal uit te leggen wie de Taliban zijn. Daarbij hebben ze het ook over de etnische afkomst van deze groep. De vraag is dan, waarom is dat wel relevant, terwijl ze verzwijgen dat ze uit Pakistan komen, dat daar hun wortels liggen en ze dus door het veiligheidsapparaat van dat land worden ondersteund? Wat er bij komt is dat kenners en journalisten de mist ingaan wanneer ze een poging wagen om de stammenstructuur uit te leggen. Ik vraag me dan af: waarom wil je zo graag je vingers daaraan branden? Jammer genoeg vindt mijn mening weinig gehoor onder de mensen die zich dezelfde mening hebben toebedeeld als jij. Mijn observatie is dan ook dat westerlingen te weinig weten over Afghanistan, misschien niet genoeg met Afghanen hebben gesproken of dat hun mening al gevormd was voordat ze naar Afghanistan gingen door de literatuur die beschikbaar is in het Westen.

Wanneer er binnenlandse onrust ontstaat in Afghanistan, zijn de westerse media er als de kippen bij om de etnische verscheidenheid te benoemen en eventuele mislukkingen daarop af te schuiven terwijl de buitenlandse inmenging in de Afghaanse politiek buiten beschouwing blijft.

Geïmproviseerd vluchtelingenkamp, Lashkar Gah, provincie Helmand.

JK: Ik ben het met je eens dat westerlingen vaak weinig weten over Afghanistan. In mijn boek noem ik mezelf met opzet Afghanistanvolger. Ik geloof niet dat er Afghanistan-deskundigen bestaan, ook niet onder de Afghanen. Ik schrijf: ‘Het land is een te ingewikkeld mozaïek van duizenden culturele, sociale, economische en politieke stukjes die in een uiterst woelige geschiedenis steeds door elkaar zijn gegooid.’ Maar het klopt dat ik wel meewerk aan interviews, waarbij je vaak de meest recente ontwikkelingen moet duiden, terwijl eigenlijk niemand nog weet wat er gebeurd is.

Ik heb natuurlijk wel jarenlang met Afghanen gewerkt en gesproken, maar het is ook niet makkelijk om echt door te dringen tot bijvoorbeeld het familieleven van de Afghaanse vrienden en collega’s van de afgelopen jaren. Daar ligt een barrière die voor veel buitenstaanders zeer moeilijk te overbruggen is. Dat moet echter geen excuus zijn om dan maar van alles en nog wat te roepen over Afghanistan. Ik probeer altijd een grondige analyse te maken en checkte die in het verleden vaak bij Afghaanse collega’s. Dan kom je er snel achter dat er een behoorlijke kloof zit tussen jullie en onze percepties. Bijvoorbeeld over de regering Ghani. In het westen vonden wij dat toch vaak een stabiele factor, een betrouwbare staatsman die voor politieke stabiliteit zou zorgen. Veel van mijn Afghaanse kennissen waren het daar totaal niet mee eens. Recentelijk zag je hetzelfde met de vraag of de Taliban nu wel of niet veranderd zijn. In die zin wil ik je als Afghaanse ook best geloven als je het hebt over een Afghaanse natie, maar ik blijf toch mijn twijfels hebben.

SJ: Het is in ieder geval verfrissend om iemand te horen die toegeeft dat buitenstaanders niet alles kunnen weten over Afghanistan. Die nuchterheid vind ik ook prettig in je boek. Om je te overtuigen over de Afghaanse natie en de verdeeldheid onderling, wil ik graag een aantal gebeurtenissen uit de geschiedenis aanhalen. De moderne Afghaanse staat is gesticht in de 18 eeuw. Hiervoor al hadden we te maken met verschillende buitenlandse aanvallen, denk aan Alexander de Grote, Dzjengis Khan en de Arabieren.

Sinds de stichting van de hedendaagse Afghaanse staat, hebben we allereerst te maken gehad met de Britten. Toen zij The Great Game begonnen, omdat zij bang waren dat Rusland India zou innemen, werd Afghanistan het strijdtoneel van drie Engelse oorlogen waarbij ze telkens verslagen werden. Toen de Engelsen eenmaal ontdekten dat Afghanen niet met wapens te bevechten zijn, begonnen zij met de verdeel- en-heers tactiek. De Britten zagen dat er veel etnische groepen in dat grondgebied woonden. Ze wisten de groeperingen tegen elkaar op te zetten zodat er onderling tumult zou ontstaan om zo het Afghaanse front te verzwakken.

Nadat de Britten verslagen waren, hadden we geen vrede, want we kregen de inmenging van de Russen. De Koude Oorlog werd uitgevochten in Afghanistan waarbij de VS de islam inzette om Afghanen te overtuigen om tegen de ongelovige communisten te vechten. De buitenlandse inmenging is de geboorte van de botsingen tussen etnische groepen en politieke verdeeldheid in Afghanistan waar jij het over hebt. Maar dit is niet genoeg reden om niet van een natie te spreken.

JK: Dat historische overzicht is nuttig. Misschien is de kernvraag dus eigenlijk of de buitenlandse inmenging vooral verdeeldheid onder de Afghanen in de hand werkt of juist voor een nationaal gevoel  heeft gezorgd. Ik denk zeker dat een externe vijand de Afghanen verenigd heeft, zeker tijdens de Russische overheersing, maar de afgelopen twintig jaar kun je toch niet echt vergelijken met die periode, die ook zwaar beïnvloed werd door de machtsverhoudingen in de Koude Oorlog. Hoe verklaar je de enorme verdeeldheid tussen de Afghanen onderling in het tijdperk dat met 9/11 begon?

SJ: In de periode na 9/11 heb ik niet zozeer etnische verdeeldheid gezien, maar eerder etnische empowerment. Vooral onder de interim-regering van Hamid Karzai kregen veel bevolkingsgroepen gelijke kansen op het gebied van onderwijs en toegang tot de arbeidsmarkt. Onder president Ashraf Ghani werd dit min of meer tenietgedaan. Een andere ontwikkeling die laat zien dat er sprake is van een Afghaanse natie en waar de etnische afkomst niet zozeer een rol speelt, is de steun die het verzet van Ahmad Massoud krijgt. Hij is de zoon van Ahmad Shah Massoud die samen met andere commandanten het verzet tegen de Sovjet-Unie leidde in de jaren ‘80, een etnische Tadzjiek.

Het verhaal dat Afghanistan een etnisch verdeeld land is begon toen de VS hadden besloten om Afghanistan binnen te vallen om de strijd tegen terreur te voeren. De media spraken als eerste over onze etniciteit. Want de Taliban behoorden tot de Pathanen (of Pashtoen). De stammencultuur werd benadrukt en hoe belangrijk dat is. En hoe stammen onderling vetes uitvechten. Hoe de Hazara’s hadden geleden onder de Taliban, omdat zij tot de sjiitische minderheid behoren. In die tijd rees er bij mij een prangende vraag: waarom wordt de etnische afkomst van Afghanen zo benadrukt? Want onder de Taliban van de jaren negentig van de vorige eeuw hadden álle etnische groepen geleden. En ik hoor je al denken: maar de Taliban zijn toch Pashtoen? Nee, de Taliban zijn niet zo homogeen als we denken. De Taliban bestaan uit een diverse groep aan nationaliteiten zoals Pakistanen, Arabieren, Tsjetsjenen en alles wat daartussen ligt.

JK: Ja, maar dat is een minderheid van buitenlandse strijders die voor Talibangroepen werkt. We hebben het nu vooral over de Afghanen zelf. Als je kijkt naar de Afghaanse Talibanstrijders zijn dit toch bijna zonder uitzondering Pashtoen? Of is dat ook de media die ons op het verkeerde been zetten?

SJ: Interessant dat je deze vraag stelt. Ik denk dat de Pakistaanse veiligheidsdienst, ISI, de antwoorden heeft, omdat ze deze groep door en door kent. Voor de buitenwereld zijn de Taliban een gesloten groep en veel is gebaseerd op speculaties. Maar één ding is duidelijk: het overgrote deel bestaat uit Pakistanen. Bovendien vind ik hun etnische afkomst niet relevant. Wat wel een belangrijke vraag is: hoe kan de Taliban interim-regering uit kopstukken bestaan waar de VS jarenlang een klopjacht op gevoerd hebben? Ze staan op de zwarte lijst van de Verenigde Naties en worden gezocht door de FBI. Verschillende malen hebben de VS geclaimd deze kopstukken te hebben gedood. En nu lijken ze springlevend te zijn. Wie hebben ze in plaats van deze kopstukken vermoord? Jammer genoeg zullen we dat voorlopig niet weten. Wat er vooral misgaat in de informatievoorziening over Afghanistan is dat deskundigen en journalisten een imperialistische kijk op na houden die door de Britten de wereld in is geholpen en sindsdien trapt elke westerling erin. Helaas ook hier en daar Afghanen. Die imperialistische kijk werkt verblindend en verschuift de focus op niet relevante zaken zoals etniciteit. Om tot een politieke oplossing te komen, moeten we verder kijken dan de verschillende bevolkingsgroepen.

JK: Ik vind dat op mijn beurt te kort door te bocht. Ik denk zeker dat we op allerlei manieren van buitenaf Afghanistan proberen te veranderen naar ons eigen model en dat er allerlei buitenlandspolitieke belangen op de achtergrond spelen. Maar ik geloof toch dat Nederland de afgelopen twintig jaar vanuit een idealistisch buitenlands beleid vooral geprobeerd heeft om de Afghanen verder te helpen. Daar zit denk ik weinig imperalistisch gedrag achter. Het hele staatsopbouwproject dat in 2001 begon was wel op westerse leest geschoeid, maar toch niet om Afghanistan bij wijze van spreken leeg te roven. We hebben er juist miljarden euro’s ingestoken die nooit via handel zullen terugkomen. Onze handelsbelangen in Afghanistan zijn vrijwel nihil. Ja, Afghanistan heeft belangrijke bodemschatten, maar als die de reden van onze inmenging zouden zijn, was het juist heel onlogisch om de internationale troepen terug te trekken.

Het hele staatsopbouwproject dat in 2001 begon was wel op westerse leest geschoeid, maar toch niet om Afghanistan bij wijze van spreken leeg te roven.

Ziekenhuis in Lashkar Gah, provincie Helmand.

De terugtrekking van de troepen was denk ik juist ook bedoeld om een echt intra-Afghaans vredesproces een kans te geven. Het vredesproces in Doha was verre van perfect, maar in ieder geval werd er gepraat. Mijn hoop was eigenlijk dat de terugtrekking van de internationale troepen meer ruimte zou geven voor Afghaanse zeggenschap. De opmars van de Taliban had ik zeker niet voorspeld. Hoe zie jij de recente machtsovername door de Taliban? Bevestigt dat niet dat Afghanistan te verdeeld is? Of zal er een nationaal protest komen tegen die machtsovername? Dat laatste zou natuurlijk ook de kracht van de Afghaanse natie bevestigen.

SJ: Juist het idee om ‘Afghanen verder te helpen’ stoelt op imperialistische en neokoloniale gedachte. De gedachte dat Afghanen het zelf niet konden en dat daar een militaire interventie aan te pas moest komen om deze Afghanen te helpen is zeer neerbuigend. Klopt, Afghanistan had hulp nodig na de invasie van de VS, maar de manier waarop; het aan de macht helpen van allerlei criminele krijgsheren, een politiek besturingssysteem introduceren waar algauw corruptie hoogtij vierde en geld over de balk smijten aan allerlei kortstondige projecten, getuigt niet van een solide politieke koers. En eerlijk gezegd geloof ik niet dat Nederland deel heeft genomen aan de missie vanwege een idealistisch buitenlandbeleid, maar eerder vanwege het NAVO-lidmaatschap. Die hele staatsopbouw was een een ondoordacht plan. Het feit dat het land binnen enkele weken als een kaartenhuis in elkaar stortte, is daar het bewijs van.

Eerlijk gezegd geloof ik niet dat Nederland deel heeft genomen aan de missie vanwege een idealistisch buitenlandbeleid

JK: Ik zie dat in elkaar storten meer als het resultaat van verkeerde keuzes. Door het staatsopbouwproject altijd ondergeschikt  te maken aan, of zelfs in te zetten voor de overkoepelende militaire aanpak, leg je geen goede basis. En door nooit aan te dringen op een politieke oplossing, is er ook geen goede fundering voor het opbouwen van de staat. In die zin was ik juist blij met de terugtrekking van de internationale troepen. Daarmee verdween namelijk eindelijk die dominante militaire aanpak.

SJ: Ook wij Afghanen hebben de terugtrekking van de buitenlandse troepen toegejuicht, omdat de aanwezigheid meer kwaad met zich meebracht dan goed. Maar zoals de VS de stekker eruit trokken, had zelfs Nederland niet zien aankomen.

Over onverwachte ontwikkelingen gesproken, de opmars van de Taliban had ik net als jij niet zien aankomen, maar de CIA wel. Die rapporten zijn gemakshalve opzijgeschoven bij de abrupte terugtrekking van president Joe Biden. En nee, het zegt niets over de verdeeldheid van Afghanen maar eerder over een politieke deal die over de rug van de Afghanen is gesloten met een terreurorganisatie die direct voor de ISI werkt. Pakistan die als bondgenoot van het Westen miljoenen dollars heeft ontvangen in haar zogenaamde strijd tegen terreur eet van twee walletjes. Of om de woorden van Christine Fair, professor in Peace and Security Studies Program aan Georgetown University te citeren: ‘Pakistan doet alsof zij de brandblusser is, terwijl ze in realiteit de brandstichter is.’ De vredesonderhandelingen met de Taliban in Doha hebben ertoe geleid dat Afghanistan op een presenteerblaadje aan Pakistan is overgedragen. Dus de oude bezetter heeft het land overgegeven aan de nieuwe bezetter. Met de toekomst van Afghanistan kan het alle kanten op, behalve de goede kant. Hoe zie jij de toekomst van Afghanistan?

JK: Over de toekomst ben ik nog steeds redelijk optimistisch. Op de korte termijn kan veel teruggedraaid worden, maar zoals Saad Mohseni van Tolo recentelijk schreef, kunnen ze deze keer het licht niet uitdoen. Ik hoop dat de investeringen in mensen, kennis en toegang tot informatie uiteindelijk toch weer boven komen drijven. Ik denk dat de Afghanen daar uiteindelijk de vruchten van plukken. En het belangrijkste is ook dat ze dat zelf doen. Onze bemoeienis en onze parallele ontwikelingsprojecten gingen de afgelopen twintig jaar veel te ver. Steun blijft hard nodig, op de korte termijn vooral op humanitair vlak, maar de Afghanen moeten in de toekomst eindelijk een centrale rol in spelen in hun eigen ontwikkeling. Deel jij mijn voorzichtige optimisme?

Over de toekomst ben ik nog steeds redelijk optimistisch.

SJ: Ik deel je optimisme niet, maar ben het wel eens met je als het gaat om Afghanen zelf een centrale rol laten spelen. Ik ben niet optimistisch omdat het nu al de verkeerde kant opgaat met de Taliban. Meisjes mogen alleen basisonderwijs volgen, en dat is op papier. In de praktijk zal dit betekenden dat geen enkel meisje meer naar school mag. Vrouwen mogen niet werken en verdwijnen zo uit het straatbeeld. Religieuze minderheden zullen hun religieuze identiteit met de dood moeten bekopen. Mensen zullen in een angstcultuur leven waarin een misstap zweepslagen betekent. Ik weet dat er veel journalisten en deskundigen openstaan voor het idee om te praten met de Taliban en de humanitaire catastrofe die er nu plaatsvindt als argument opvoeren. Praten of niet praten met de Taliban, waar het uiteindelijk op neerkomt is dat het Afghaanse volk lijdt onder het schrikbewind van deze terroristen. Een mogelijke oplossing voor de toekomst van Afghanistan is het oproepen tot verkiezingen waarbij Afghanen zelf hun regering kunnen kiezen. De rol die het Westen hierbij kan spelen is onder andere door druk uit te oefenen op de Taliban om verkiezingen te houden en daar de uitslag van te accepteren. Het Afghaans volk heeft recht op een eigen gekozen regering, niet een die ze opgelegd wordt.

Ik weet dat er veel journalisten en deskundigen openstaan voor het idee om te praten met de Taliban en de humanitaire catastrofe die er nu plaatsvindt als argument opvoeren. Praten of niet praten met de Taliban, waar het uiteindelijk op neerkomt is dat het Afghaanse volk lijdt onder het schrikbewind van deze terroristen.

JK: Ik zie natuurlijk ook hoe het de laatste weken de verkeerde kant op gaat. Het is duidelijk dat de Taliban niet zijn veranderd. Toch hoop ik dat juist die acties er uiteindelijk voor zullen zorgen dat dit een tijdelijke nachtmerrie is voor de Afghanen en niet het zoveelste jarenlange hoofdstuk van ellende en verdriet. Dank je voor dit fijne gesprek. Ik hoop dat de situatie in Afghanistan er bij ons volgende gesprek iets beter voorstaat.

SJ: Jij ook bedankt voor je uitleg en verfrissende blik op de situatie.

Taal als tegenmacht: de literatuur van de Palestijnse schrijver Adania Shibli

Historische gebeurtenis

Wie nu verwacht dat Minor detail een theoretisch essay is over de waarde en kracht van taal en literatuur, komt bedrogen uit. Het boek is op het eerste gezicht een ‘gewone’ roman of novelle (112 kleine pagina’s) in twee delen. Het eerste deel bevat het verslag van een historische gebeurtenis uit 1949, in het andere deel gaat een vrouwelijke hoofdpersoon op zoek naar mogelijke sporen van die gebeurtenis in het landschap en in het collectieve geheugen. De twee delen zijn met elkaar verbonden door een minor detail: de historische gebeurtenis vond plaats precies 25 jaar voordat de verteller uit het tweede deel werd geboren.

Maar in deze roman is niets wat het lijkt. Verteller, schrijver én lezer moeten alert zijn op details, afdrukken en sporen. Het verhaal speelt met tegenstellingen als ‘ontdekken en bedekken’, ‘verschijnen en verdwijnen’ en laat zien hoe die tegenstellingen paradoxen worden in tijd, plaats en handeling.

Omslag van Minor detail

Bedoeïenen in de woestijn

De roman speelt zich voor een groot deel af in de Naqab (Negev) woestijn, een gebied dat niet vaak figureert in de hedendaagse Palestijnse literatuur. Van oudsher is de woestijn het leefgebied van de Bedoeïenen, een semi-nomadische bevolkingsgroep die haar grondgebied gebruikt voor extensieve landbouw en veeteelt. Maar in de literaire en culturele traditie staan herders in woestijnen voor zoveel meer. In het Joodse en christelijke narratief hebben herders een metaforische voorkeurspositie en is de woestijn de plaats van ontwikkeling en loutering. In het zionistische narratief staat de woestijn voor het ‘lege en dorre gebied’ dat (door de zionisten) tot bloei gebracht moet worden. Adania Shibli kent deze narratieven en onderzoekt hoe ze in de praktijk uitwerken.

De historische gebeurtenis uit 1949 gaat over een Israëlisch peloton dat naar de woestijn is gestuurd om controles uit te voeren, de grens met Egypte te bewaken en het gebied te zuiveren van Arabische infiltranten. Wij zien de gebeurtenissen door de ogen van de commandant die in sobere bewoordingen beschrijft hoe hij en zijn manschappen hun taak uitvoeren in dit lege, hete landschap. Wat zien ze wel en wat niet in dit gebied waarmee ze niet vertrouwd zijn? De commandant is zwijgzaam behalve als hij zijn manschappen toespreekt en het zionistische ideaal nauwgezet verwoordt.

Sloop en deportatie

Tot op de dag van vandaag zijn Bedoeïenen beroemd om hun vaardigheid om sporen te zien in een landschap waar niemand anders ze ziet. Voor hen zijn zelfs functies gecreëerd in het Israëlische leger; de Bedouin trackers. Zo vindt een kleine minderheid Bedoeïenen werkgelegenheid bij een leger dat de meesten van hen alleen maar kennen van sloop van hun huizen, stallen, scholen en dorpen en gedwongen deportatie. Recent kwam het bericht naar buiten dat een zogenaamd niet-erkend Bedoeïenendorp in de Naqab sinds 2010 al 192 (!) keer is gesloopt.

De Bedoeïenen zijn in Israël de minderheid met de slechtste sociale en economische omstandigheden. De jonge bevolking (ongeveer 200.000 in de Naqab-woestijn) is in alle opzichten gemarginaliseerd: weinig scholing, hoge werkloosheid, lage levensverwachting, slechte leefomstandigheden en voortdurende discriminatie en schending van mensenrechten. Al deze feitelijke informatie komt niet voor in de roman van Adania Shibli maar de schrijfster is zich wel bewust dat mensen in de maatschappelijke marge via literatuur weer een gezicht en een stem kunnen krijgen. Dat hun verhaal, dat de overheerser probeert uit te vegen, weer aan het licht kan komen.

Gesloopte woning in het niet-erkende Bedoeïenendorp Alsara. Foto Neukoln

Kaarten en musea

De hoofdpersoon in het tweede deel wil weten hoe de gebeurtenissen uit het verleden zijn gedocumenteerd en welke sporen zijn terug te vinden. Ze maakt daarbij gebruik van instrumenten als kaarten en musea. En daarmee heeft ze meteen explosief materiaal in handen. Want kaarten en musea zijn in een gekoloniseerd land verre van neutraal. Plaatsnamen die wel op de ene kaart staan, ontbreken op de andere. Aanduidingen van landen en regio’s kunnen per kaart verschillen. Grenzen die voor de ene bewoner niet gelden, vormen voor de ander een groot obstakel. En wegen die voor de ene reiziger bruikbaar zijn, zijn voor de andere volstrekt ontoegankelijk. Reizen wordt zo een zenuwslopende aangelegenheid, zoals blijkt uit het verslag in dit boek. Ook voor de musea geldt dat de voorstelling van zaken vanuit het gezichtspunt van de kolonisator wordt getoond. De musea zijn zelfs niet voor iedereen vrij toegankelijk. In een interview vertelt Adania Shibli dat ze als voorbereiding voor deze roman de genoemde musea daadwerkelijk bezocht en in een ervan werd gearresteerd op verdenking van spionage. Ook al had ze een geldig toegangsbiljet, toch wekte ze zoveel wantrouwen dat ze zonder aanklacht werd gearresteerd en een dag vastgehouden.

Namen en identiteiten

De ik-verteller heeft geen identiteitsbewijs om de Westbank te verlaten en een auto met Israëlisch kenteken te huren maar ze kan een ID lenen van een collega. Onder het motto “voor de Israëli’s zien alle Arabieren er hetzelfde uit” reist ze met het ID van een ander door Israëlisch grondgebied. Hier speelt de schrijfster met de waarde van identiteit. In bezet gebied zijn identiteiten heel belangrijk en onderscheidend. Er is sprake van een voortdurend ‘wij’ tegenover ‘zij’, een scherpe afbakening tussen degenen met alle rechten tegenover anderen met minder of geen rechten (ook daarin zijn weer gradaties). Maar ook een schrijver heeft macht om namen te geven en identiteiten in te vullen. Shibli gebruikt die macht door haar personages bewust anoniem op te voeren, niet alleen in deze roman maar in vrijwel al haar werk komen geen eigen namen voor. Ze neemt daarmee afstand van de machthebber die macht gebruikt om namen op te leggen, te veranderen, door te strepen of te verbieden. Bovendien kun je als lezer een anoniem personage niet meteen indelen en op afstand zetten maar ervaar je het universele en algemeen geldende van zijn of haar verhaal.

Plaatsbepaling en tijdsbepaling

In deze roman speelt de auteur niet alleen met de macht van taal om begrenzingen in naamgeving en plaatsbepaling aan de kaak te stellen maar ze onderzoekt ook de macht van taal in tijdsbepaling. Voor een kolonisator geldt een lineair tijdsbeeld: eerst was er niets, toen kwam de kolonisator en brak een nieuwe tijd aan. De oude tijd kan worden vergeten, uitgewist. De schrijver kan als onderzoeker van sporen, indrukken en details laten zien dat die breuk in de tijd niet definitief is. Het verleden is niet voorbij, het duikt steeds weer op. Daarom komen in Shibli’s werk veel herhalingen voor. Gebeurtenissen uit het eerste deel van het boek keren (in variatie) terug in het tweede. Motieven zoals het blaffen van een hond, de geur van benzine, het verwaaien van het zand, de drukkende hitte en het tekort aan water, herhalen zich en krijgen steeds opnieuw betekenis. De scheidslijn tussen de oude tijd en de nieuwe tijd is in werkelijkheid poreus, er zijn veel meer doorgaande lijnen dan een bezetter graag zou willen. Ook de confrontaties tussen de oude bewoners en de nieuwe bewoners blijven terugkomen, het uitwissen lukt steeds maar gedeeltelijk.

Langzaam schrijven en langzaam lezen

Zo onderzoekt de schrijver met behulp van taal de marges en tussenruimtes in de afbakeningen van tijd, plaats en handeling om zo ruimte te creëren voor die mensen die zich bekneld en verstikt voelen en bang zijn hun waardigheid te verliezen. Ze doet dat in eerste instantie voor zichzelf en daarna ook voor anderen die slachtoffer zijn van onderdrukking en geweld. Ze doet dat met een groot beroep op de fijngevoeligheid voor de ruimte die taal kan creëren. Haar korte verhalen en boeken zijn dan ook niet bedoeld om snel te consumeren. Net zoals ze zelf langzaam schrijft, zoekt ze contact met lezers die langzaam en nauwgezet willen lezen, met aandacht voor details. Wie dat wil doen, krijgt toegang tot een wereld vol betekenissen, nuances en gelaagdheden. En dat is niet alleen een esthetisch genoegen maar ook een effectief instrument om weerbaar te blijven tegen onderdrukking en aantasting van menselijke waardigheid.

Via Podium voor Palestina bespreekt Marianne dit boek en andere moderne Palestijnse literatuur. Meer informatie en aanmelding: www.podiumvoorpalestina.nl of mail: marianne@podiumvoorpalestina.nl

Podium voor Palestina organiseert op woensdagavond 3 november van 19.30 tot 21.30 uur een online boekbespreking van Minor Detail. Aanmelden kan per e-mail naar Marianne met in de onderwerpregel “Aanmelding minor detail 3 november”. 

Blauw en Groen gaan hand in hand: zo bescherm je de kustgebieden in het Midden-Oosten

Het beheer van deze kustlijnen heeft gevolgen voor de leefomgeving van miljoenen mensen. Maatregelen op het land hebben invloed op de gezondheid van de zee. Daarom geldt, van geprivatiseerde stranden tot vervuild zeewater, dat blauw en groen gaan hand in hand gaan. Deze verbondenheid van land en zee was het onderwerp van een Green MENA Network online bijeenkomst met twee sprekers, Dr. Manal Nader uit Libanon en Heba Elhanafy uit Egypte. Ze vertelden ons over het belang van een geïntegreerde strategie voor kustzones.

Neem bijvoorbeeld Libanon. Acht procent van dat land bestaat uit kustgebied. Daar woont vijfenvijftig procent van de Libanese bevolking en bevindt zich zeventig procent van de industriële zones van het land.

Dr. Manal Nader, directeur van het Institute of the Environment aan de Universiteit van Balamand in Libanon, legt uit hoe de Libanese kustlijn zich ontwikkelt. Een studie liet zien dat de kust ernstig wordt aangetast door zeevulling en erosie. Het deel van de kustlijn dat zanderig is of uit kiezels bestaat (20 procent van de totale 220 km), heeft een erosie ondergaan van 2,5 miljoen vierkante meter. ‘Heel zorgelijk is daarnaast dat we bij de overige 80 procent van de kustlijn zien dat de zee voor ruim 8 miljoen vierkante meter is verland met puin. Dergelijke opvullingen veranderen stromingen en voedselsystemen in de zee.’

Zie ook het voorbeeld van Egypte. Heba Elhanafy, stedenbouwkundige en architect, onderzocht hoe de Corniche in de noordelijke kustplaats Alexandrië de kust en vooral het leven van Alexandriërs beïnvloedde. De weg werd in 1935 aangelegd door het Britse koloniale regime om goederen te vervoeren. Wat eens niet meer was dan een rotsachtige kust, kreeg steeds meer functies. Mensen gingen de waterkant gebruiken als openbare ruimte, er kwamen casino’s en particuliere bedrijven. Na de oprichting van de Republiek Egypte in 1952 tot eind jaren negentig, werd de waterkant een waar toevluchtsoord voor de middenklasse, voor mensen uit verschillende sociale groepen. Er bestond nog steeds een evenwicht tussen openbare en privéstranden. Elhanafy: ‘Voor Alexandriërs bepaalde deze historische toegang tot de Middellandse Zee in belangrijkste mate hun identiteit.’

De Corniche van Alexandrië in de jaren dertig. ©Serag Eldeen

In 1999 werd er een enorme uitbreiding van de Corniche in het water gebouwd. De vierbaansweg kreeg er zes tot tien rijstroken bij. Een eerste impactstudie toonde aan dat deze uitbreiding het zeeleven aantastte. ‘Vroeger hadden we een bloeiende schildpaddenpopulatie waar ik alleen maar over hoor, omdat die in mijn tijd verdwenen was,’ zegt Elhanafy. Andere effecten waren het verlies van negen openbare stranden en verdere overname van de openbare ruimte door particuliere gebouwen. ‘Tegenwoordig is de hele waterkant gevuld met dichte bebouwing. Een heel klein percentage van de kust bestaat nog uit strandjes, en voor elk daarvan moet je betalen om toegang te hebben. De zeer weinig openbare ruimte die nog bestaat, wordt intensief gebruikt door de lokale bevolking, zelfs als ze achter een hek moeten zitten.’

Beide gevallen maken duidelijk dat het gedeelde belang van verschillende sectoren en belanghebbenden snel tot frictie leidt. Kustgebieden worden gecontroleerd door verschillende instanties die hun activiteiten vaak niet op elkaar afstemmen. Nader: ‘Daarnaast zien we dat er minimale afstemming is tussen private ondernemingen en NGO’s, terwijl ze eigenlijk aan een gezamenlijke agenda zouden moeten werken. Ze zouden moeten beseffen dat een verwoeste kustlijn slecht is voor iedereen.’

Om deze reden werd het “Integrated Coastal Zone Management (ICZM)” in het leven geroepen, een conceptuele benadering die belanghebbenden op verschillende (intergouvernementele, nationale, lokale) niveaus samenbrengt om geïntegreerde strategieën te ontwikkelen. Maar toch, zoals Nader uitlegt, ‘komt het allemaal neer op de kwaliteit van het bestuur, aangezien ICZM-programma’s buitengewoon complex zijn: ze zijn multi-sectoraal en proberen activiteiten op politiek, juridisch en bestuurlijk niveau te integreren en te coördineren.’

In Libanon is het ministerie van Milieu verantwoordelijk voor biodiversiteit. Het ministerie van Landbouw is verantwoordelijk voor de visserij. Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft zeggenschap over het maritieme publieke domein. Het Ministerie van Toerisme is natuurlijk verantwoordelijk voor de toeristische sector, en het Ministerie van Defensie voor veiligheid en grenzen (die ook in de zee liggen). ‘Ze moeten het allemaal eens worden over wat er in de kustgebieden moet gebeuren. Dat is een hele uitdaging.’ In andere landen in de regio is de situatie niet veel eenvoudiger. ‘Voor zover ik weet is er nergens ter wereld integratie bereikt. Wetten worden niet aangenomen en ministeries houden hun mandaat strak in de hand.’

Een van de uitdagingen is het laveren tussen publieke en private belangen. Elhanafy: ‘In mijn ogen is het de taak van de overheid om publieke belangen te beschermen. Helaas beschermen de autoriteiten in Alexandrië slechts een deel van de gemeenschap, een bepaald type publiek: degenen die het zich kunnen veroorloven om van de zee te genieten.’ Ze vergelijkt dit met ontwikkelingen in andere kuststeden rond de Middellandse Zee. ‘In Barcelona of Valencia is er een balans tussen commerciële en publieke toegang.’

©The Institute for the Environment, Balamand University

Beheer van kustgebieden gaat over bescherming van leefgebieden. Het Libanese Institute for the Environment identificeerde gebieden voor bescherming in Libanon op basis van hun ecologische en culturele waarden. ‘We ontdekten dat alle kuststeden het risico lopen op zeestormen of andere milieuproblemen.’ In Libanon is bestaat er nu een nationale strategie voor een aantal beschermde mariene gebieden (zoals Nakoura, Byblos en de Raoucheh-kliffen en grotten voor de kust van Beiroet). Er zijn diepzeegrotten die bescherming nodig hebben, vooral op plekken waar de olie- en gasindustrie op gang komt en een enorm risico vormt. Bovendien heeft klimaatverandering invloed op het kwetsbare leven en het natuurlijke evenwicht in alle kustgebieden. De zeespiegel stijgt, het koraalrif verdwijnt en er is intensivering en hogere frequentie van winterstormen.

Het is belangrijk dat overheden een strategie voor de kustlijnen bepalen voor de middellange tot lange termijn, in plaats van te kijken naar winst op korte termijn. Tot nu toe is ontwikkeling op korte termijn meestal de norm aan de kusten van de Middellandse Zee, net als aan de kust van de Rode Zee, en met de Saoedi-Arabische ontwikkeling van projecten als het NEON-project. Hetzelfde geldt voor Alexandrië, waar plannen bestaan ​​voor uitbreiding van de bouw in zee. Behalve dat dergelijke bouwplannen schadelijk zijn voor het milieu, gaan ze voorbij aan de zeer reële mogelijkheid dat Alexandrië in de nabije toekomst verdrinkt als gevolg van de stijgende zeespiegel. In plaats van te werken aan de bescherming van mensen die in de buurt van de zee wonen, lijken autoriteiten en de particuliere sector nog steeds te gaan voor winsten op de korte termijn.

Nader legt uit hoe overheden rekening moeten houden met zowel de lokale als de regionale effecten van ontwikkelingen. ‘De overheid heeft veel te doen. Het bouwen van dammen moet stoppen. Sedimenten die de stranden aanvullen, zijn afkomstig van de overstromingen van rivieren. Wij hebben in Libanon geleden onder de bouw van de Aswan-dam, omdat de Nijl vroeger veel zand in de zee pompte, dat vroeger naar de kustlijn van Gaza en Israël werd gevoerd, en zigzaggend naar ons toe. Die sedimenten zitten nu vast achter de Aswan-dam. We weten niet wat er gaat gebeuren met de Ethiopische dam. En de temperaturen begonnen al te stijgen toen de Nijl niet meer mocht overstromen. We kunnen ook zien dat de erosie aan de Egyptische kustlijn enorm is. Een paar jaar geleden verrees een hele tempel van Cleopatra door erosie. Die was bedekt met zand en werd blootgelegd door erosie. Dat betekent dat we de zeespiegel zien stijgen en dalen, dat is een natuurlijk proces, maar dat gaat meestal veel langzamer.’

‘Overheden moeten rekening houden met de interactie tussen land en zee. We moeten niet meer rommelen met de kustlijn, stoppen met het bouwen van jachthavens, stoppen met het verlanden van de zee, stoppen met snel economisch gewin zien als belangrijkste onderdeel van ons beleid. We moeten de zaken voorzichtig benaderen, en nadenken over wat er in de toekomst gaat gebeuren, op basis van alle kennis die in de loop der tijd is opgedaan.’

Volgens Nader zouden burgers de hoofdrol moeten spelen bij het bepalen van het beheer van de kustgebieden. Zij zijn immers de begunstigden van elk overheidsbeleid. Ze moeten dan niet instinctief afgaan op snelle winst en snelle consumptie. ‘Er moet een collectief bewustzijn worden ontwikkeld, en dat zien we in sommige gebieden al gebeuren, bijvoorbeeld in de kustplaats Byblos (Jbeil). Daar beginnen mensen het met ons eens te zijn, ze zien dat bescherming van hun kustlijn gunstig is voor hen vanuit toeristisch perspectief, een verdienmodel, maar ook voor duurzaamheid en voor kostenbesparing op infrastructuur of schade. Burgers hebben dus een fundamentele rol bij het afwijzen van bepaalde zaken. Ik kan de onderzoeken doen, we kunnen webinars doen, maar het komt uiteindelijk aan op de burgers.’

In Alexandrië doen burgers, ondanks dat er hekken staan, wat ze al honderden jaren doen: hun recht op de zee opeisen. Met een lokale NGO en de Oecumene Studio heeft Elhanafy begin dit jaar een workshop gehouden met jongeren van verschillende achtergronden over hoe de toegankelijkheid van de zee kan worden vergroot. ‘Er zijn mensen die langs de zee fietsen, hardlopers, vissers die het aantal vissen hebben zien slinken. Enzovoort.’ In augustus lanceren ze een platform dat al deze mensen en hun activiteiten aan de waterkant verenigt en betrekt. Samen zullen ze pleiten voor meer publieke toegang en voor geïntegreerde ontwikkeling van de kustlijn. Hopelijk kunnen ze gezamenlijk doen wat de overheid tot nu toe niet doet: de kust beschermen en de toekomst aan land veiligstellen. Want groen en blauw gaan hand in hand.

Om het hele gesprek met Manal Nader en Heba Elhanafy te beluisteren, ga naar de opname van het online evenement op ons YouTube-kanaal.

Een prachtig uit de hand gelopen opera-project over de Eufraat, brenger van leven en beschaving

Ook vandaag de dag is de rivier van groot belang. Zo is de Eufraat voor verschillende landen een belangrijke natuurlijke hulpbron. Grote problemen liggen dan ook op de loer nu de rivier dreigt op te drogen. Verhalen uit het luisterrijke verleden en problematische heden van het gebied worden nu dus tot leven gewekt in de operavoorstelling Va Pensiero: de Eufraat en haar verhalen, van 14 tot en met 20 augustus in de tuin van Museum Van Loon.

En dat is nog niet alles: voor Museum Van Loon is de opera en de bijbehorende tentoonstelling een opmaat voor de museale presentatie Recht uit het hart! over Mesopotamië die in 2023 in het museum te zien zal zijn. Va Pensiero is daarnaast onderdeel van een serie opera’s van World Opera Lab over natuurlijke hulpbronnen. Eerder maakte het gezelschap al de voorstelling Ine Aya’ over ontbossing in Indonesië.

Regisseur Miranda Lakerveld van World Opera Lab speelde al een jaar of vijf met het idee om een opera te maken over de Eufraat. Doordat het in het Eufraatgebied de afgelopen jaren niet mogelijk was om veldwerk te doen, liet het project een aantal jaren op zich laten wachten. Het kwam pas echt op gang toen Lakerveld contact legde met Gijs Schunselaar, directeur van Museum Van Loon. Wat bleek? Ook bij het museum leefde het idee aandacht te schenken aan het Eufraatgebied, door middel van een tentoonstelling. Het museum heeft een speciale band met de regio omdat oprichter Maurits van Loon, er als archeoloog werkte.

De Eufraat bij de ruïnes van Doera-Europos, een in de 3de eeuw voor Christus gestichte Hellenistische stad, in het zuidoosten van het tegenwoordige Syrië. ©Arian Zwegers

In de jaren zeventig begon de Syrische regering in de buurt van Raqqa met de bouw van de Tabqa-dam. Van Loon gaf leiding aan een groep archeologen die erfgoed veilig moesten stellen dat lag op plekken die door de dam onder water zouden komen te staan.

Duurde het dus even voordat het project van de grond kwam, nu is het ‘totaal uit de hand gelopen,’ aldus Lakerveld. ‘Het was bedoeld als een kleine opera.’ Inmiddels zijn daar een tentoonstelling en een serie lezingen bij gekomen. Daarnaast is er met veel verschillende mensen gesproken van wie de verhalen in de voorstelling zijn verwerkt. Zo werden Nederlandse en Syrische archeologen geïnterviewd die werkten aan het veiligstellen van het erfgoed langs de oevers van de Eufraat. Een groot deel van hen was ooit student bij Van Loon.

@Scènefoto door Sjoerd Derine

Lakerveld, Schunselaar en Hosam Alqalqeely, archeologisch adviseur van de voorstelling, benadrukken alle drie het belang van de Eufraat. Alqalqeely werkte zelf als student bij opgravingen rond de rvier. Volgens hem is het een bijzonder gebied met een eigen identiteit. ‘Als je van Damascus naar Aleppo rijdt, of zelfs naar Libanon, voel je weinig verschil qua cultuur. In het Eufraatgebied merk je dat wel. Mensen kleden zich anders, het dialect is anders.’

Volgens Alqalqeely is het geen overbodige luxe dat mensen meer te weten komen over het Eufraatgebied. Hier kwamen immers de oudste beschavingen tot bloei. Dat beaamt ook Schunselaar: ‘Ik vind het van belang om de aandacht te vestigen op een regio die een wezenlijke invloed heeft gehad op de westerse cultuur. De rivier speelt in zoveel verhalen en religies een rol.’ Lakerveld voegt daaraan toe dat we ons ervan bewust moeten zijn hoe verknoopt we zijn met het gebied. ‘Van Loon en zijn collega’s in Syrië zijn een treffend voorbeeld van zo’n enorme verknoping.’

Prent uit 1861 van de Eufraat bij Hilla, een stad in Midden-Irak. Vereeuwigd door Jean-Baptiste Eugène Napoléon Flandin, Franse archeoloog, schilder en oriëntalist (1809-1889)

De opera Va Pensiero maakt deel uit van een serie opera’s over natuurlijke hulpbronnen. Lakerveld wil dat mensen gaan beseffen dat die beschermd moeten worden. Ze legt uit dat je overal ter wereld muziekdrama kunt vinden met mythologische verhalen. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen is een thema dat veel terugkomt in de mythologie: ‘Dat we er misbruik van maken en dat er een einde aan zit. Dat is niet alleen een thema van de laatste twintig jaar.’ Bij de Eufraat zie je dat de bouw van dammen ervoor zorgt dat er minder water beschikbaar is. ‘Mijn poging is om door middel van opera de Eufraat aan het woord te laten. Als je ergens gaat staan en zegt dat de Eufraat opdroogt heeft dat minder impact dan wanneer je het daadwerkelijk laten zien,’ zegt Lakerveld.

Scènefoto door Sjoerd Derine

Bijzonder aan de opera is dat alle talen uit het Eufraatgebied in de voorstelling verwerkt zitten, inclusief oude talen, waaronder het Sumerisch. Alqalqeely was aanwezig bij de repetities en die stemden hem tevreden. ‘De opera is een mix van instrumenten, van culturen, van verschillende invalshoeken uit het gebied, bijvoorbeeld verhalen uit de islam, van Koerden en van Turken.’ De boodschap van de opera is volgens hem heel helder: ‘Die culturen kunnen wél samenwerken en samenwonen.’

Uiteindelijk hoopt Lakerveld met de opera een dialoog tot stand te brengen. ‘Een voorstelling begint voor mij ook altijd met dialoog. Ik probeer zoveel mogelijk verschillende mensen bij de opera’s te betrekken.’ Ze hoopt zowel operaliefhebbers als niet-operaliefhebber te bereiken om hen bewust te maken van de problematiek en hen kritisch te laten nadenken. Dialoog is daarbij belangrijk en daarom worden er naast de opera ook lezingen en nagesprekken georganiseerd. ‘Eigenlijk is het hele proces een dialoog,’ aldus Lakerveld.

Voor meer informatie: https://www.museumvanloon.nl/programma/opera-in-de-grachtentuin

Deze website gebruikt cookies om uw ervaring te verbeteren. Door op de 'accepteer' knop of andere links in de site te klikken, geeft u aan hiermee akkoord te gaan.