Een 12e-eeuwse kopie van een schematische oorspronkelijke Arabische kaart van al-Iṣṭakhrī toont Jabal al-Qilāl als een driehoekig eiland (midden bovenaan) aan de westkant van de Middellandse Zee. De kaart is naar het westen gericht.

De Zwitserse Alpen als eigendom van het Kalifaat van Cordoba

Het is een bijna vergeten historische curiositeit en buiten wetenschappelijke kringen nauwelijks bekend: ooit behoorde een groot deel van het hedendaagse Zwitserse, Italiaanse en Franse Alpengebied tot het kalifaat. Rond 942 sloot koning Hugo I., de heerser van Lombardije, de Provence en grote delen van Bourgondië, daartoe een verdrag met zijn vijanden, de islamitische Saracenen. Abdurrahman III, Umayyaden-kalief van Cordoba, werd daardoor een belangrijk heerser in het hart van Europa.

‘Contact met moslims en de islamitische wereld was een van de essentiële krachten die de Europese cultuur vormden na het Latijnse christendom,’ schrijft Brian A. Catlos, hoogleraar religieuze geschiedenis aan de Universiteit van Colorado, in zijn recente werken ‘Muslims of Medieval Latin Christendom’(2018) en ‘Kingdoms of Faith’ (2019). ‘De aanwezigheid van belangrijke moslimminderheden in de middeleeuwse samenleving was een krachtige motor van acculturatie, aanpassing en innovatie – een uitdaging en een stimulans voor de christenen onder wie ze leefden.’ Hij haalt een breed scala van primaire bronnen aan om een complexer beeld te schetsen dan algemeen bekend is en laat zien hoe moslims, christenen en joden samen een verfijnde beschaving opbouwden die de westerse wereld veranderde, zelfs toen ze meedogenloze oorlogen tegen elkaar voerden.

Karel de Grote en het Kalifaat van de Abbasiden onder Harun al-Rashid in Bagdad

Er zijn talrijke primaire bronnen, zoals handgeschreven kronieken, vondsten en namen van gebouwen die verwijzen naar het islamitische erfgoed in de Alpen. Een etnisch-religieuze minderheid van Saracenen die heersten over de belangrijkste alpenpassen van Europa in het huidige Zwitserland, Frankrijk en Italië? Dat moet wel in de juiste historische context worden neergezet.

Het Frankische rijk was rond het jaar 800, onder Karel de Grote, het meest uitgestrekt. Met zijn kroning door paus Leo III werd het keizerschap na de ondergang van het Romeinse rijk in West-Europa in ere hersteld. Bijzonder belangrijk voor de spanbreedte van Karels buitenlandse politiek werden de relaties tussen het Frankische rijk en de twee heersers in het Oosten, de kalief van Bagdad, Harun al-Rasjid, uit de dynastie van de Abbasiden en de keizers van Byzantium in Constantinopel (vanaf 802 Nicephorus I.), dat een voortzetting van het Romeinse rijk.

Tussen Karel en Harun al-Rasjid was geen sprake van ideologische tegenstellingen. Dat ze ‘bevriend’ waren  lag aan hun gemeenschappelijke vijanden: de Byzantijnse keizers aan de Bosporus en de islamitische Umayyaden in het Spaanse Al-Andalus. Harun zocht toenadering tot Karel om redenen van  ‘grote politiek’ – de handelsbetrekkingen te land en te water, de karavaanwegen en de routes door de Middellandse Zee. Voor Karel was het van fundamenteel belang om de doorgang voor de pelgrims naar Jeruzalem en dus naar de heilige plaatsen van het christendom vrij te houden en voor de nodige bescherming te zorgen.

“Vraye historie ende al waer” – aanspraak maken op de waarheid

Karel de Grote had een campagne gevoerd op het Iberische schiereiland en leed een gevoelige nederlaag bij de pas van Roncevaux (Roncesvalles). Hij was juist op de terugtocht over de Pyreneeën toen de achterhoede van zijn troepen vernietigend werd verslagen. Het ‘Roelantslied’ uit de elfde eeuw beschrijft deze gebeurtenis en is een van de oudste Middelnederlandse ridderromans in het genre van het ‘chanson de geste’. Het is een anonieme bewerking van het Franse ‘Chanson de Roland’. De vertaling dateert uit de 13e eeuw, het Franse origineel uit de periode 1050—1150, toen Frankische romans of Karelromans, waarin Karel de Grote een centrale rol speelt (net als bijvoorbeeld in ‘Karel ende Elegast’) hoogtij vierden.

Karel de Grote was echter niet in Spanje om de moslims te verjagen of de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella vrij te maken, zoals in veel schoolboeken beschreven staat. Aanleiding voor de expeditie was juist een verzoek om bijstand van de islamitische lokale vorst Suleiman ibn Yaqzan al-Arabí al-Kelbi, die zichzelf had uitgeroepen tot gouverneur van Zaragoza en zich tegen de Umayyaden-heerschappij van de Emir van Cordoba keerde. Suleimans oproep was via de Abbasiden in Bagdad gegaan. Maar voor Karels nederlaag bij Roncesvalles waren niet die Umayyaden, ‘Moren’, ‘Mauren’, of Moslims verantwoordelijk geweest, zoals het ‘Roelantslied’ vermeldt, maar lokale christelijke Basken.

Kenmerkend voor de Karelromans is dat zij steeds weer aanspraak maken op ‘de waarheid”’; ‘Vraye historie ende al waer’ (‘Karel ende Elegast’). Deze verhalen in gewone volkstaal werden meer dan 200 jaar na Karels dood geschreven, en dat vooral om de zogeheten kruistochten in gang te zetten. De Europese clerus drong hierop aan, uit overtuiging dat de door het Christendom als rechtmatig eigendom beschouwde heilige plaatsen in het Heilige Land bevrijd moesten worden van de islamitische heersers.

Van St. Tropez naar de Alpen

Na de dood van Karel de Grote in 814 viel het Frankische rijk eerst uiteen in drie delen en daarna in nog kleinere, elkaar bevechtende koninkrijkjes, die op hun beurt weer waren opgedeeld in feodale staatjes als hertogdommen, graafschappen en bisdommen; een volgend bloedig hoofdstuk in de Europese geschiedenis.

De burcht van de Saracenen bei het plaatsje La Garde-Freinet in het Massif des Maures in Zuid-Frankrijk

Rond het jaar 890 zette een groep goed bewapende soldaten met een klein schip van de Andalusische vloot van Kalief Abdurrahman III voet aan land aan de Franse Riviera, bij de vroegere Romeinse plaats ‘Fraxinetum’. Waar deze plaats zich precies heeft bevonden is niet helemaal duidelijk meer, maar volgens de meeste kroniekschrijvers moet dit bij het Zuid-Franse plaatsje La Garde-Freinet bij St. Tropez zijn geweest. De Saracenen noemden hun basis Fraxinet – Farakhshanit in het Arabisch. De geografen al-Iṣṭakhrī en Ibn Ḥawqal noemen Fraxinetum Jabal al-Qilāl (zie afbeelding). Nadat steeds meer versterkingen uit Al-Andalus maar ook uit de Balearen aankwamen, begonnen de Andalusische strijders – ten Noorden van de Pyreneeën door historici steeds Saracenen genoemd – het gebied van Noord-Italië (Ligurië-Piëmont) te plunderen. Hun basis bleef La Garde-Freinet, al snel een van de best beveiligde forten aan de Franse kust. Aan het begin van de tiende eeuw staken ze voor het eerst de Alpen over.

Volgens de Zwitser Markus A. Klinkner, die beschikt over het meest gespecialiseerde archief over de geschiedenis van Arabieren en Moslims in de Alpen, is de Nederlandse Arabist en taalkundige, emeritus hoogleraar Kees Versteegh, de wereldwijde coryfee aangaande dit onbekende stukje geschiedschrijving. Dat blijkt uit zijn standaardwerk ‘The Arab Presence in France and Switzerland in the 10th Century’ (1990). Volgens Versteegh maakten de Saracenen vanaf het begin van hun verblijf in Garde-Freinet gebruik van de interne strijd tussen de Frankische koninkrijken. Het succes van hun invallen was dus een direct gevolg van het machtsvacuüm. Deze invasies zijn voor het eerst serieus en uitvoerig beschreven in 1836 door de Franse historicus Joseph Toussaint Reinaud (1795-1867) in ‘Invasions des Sarrazins en France en Savoie, en Piëmont et dans la Suisse’.

Onderverdeling in twee tijdperken

Markus A. Klinkner schrijft in band 10 van de eerste Duitstalige Islamitische Encyclopedie ‘At-taariichul-islaami – die islamische Geschichte’ dat de aanwezigheid van Saracenen in Zwitserland moet worden onderverdeeld in twee tijdperken: de jaren 900 tot 942 en de jaren 942-973. In de eerste periode bezetten de Saracenen de Zwitserse Alpenpassages en gingen ze hoofdzakelijk op rooftocht. Ze plunderden machtige kloosters en beroofden pelgrims en handelaren.

In de tweede periode namen de Saracenen een groot deel van het Zwitserse Alpengebied in. Dat werd middels een verdrag gelegitimeerd door Koning Hugo van Lombardije, de Provence en grote delen van Bourgondië. Dat was een ommekeer, want eigenlijk wilde Koning Hugo aan de plunderingen in het alpengebied door de Saracenen uit Garde-Freinet een einde maken. Zijn troepen stonden op het punt de Saracenen uit Garde-Freinet te verdrijven. Hij had hen achtervolgd en bijna verslagen met de hulp van zijn zwager Leo Porphyrogenitus, de Keizer van Constantinopel, die een deel van de Byzantijnse vloot en het ‘Griekse vuur’ stuurde en de Andalusische vloot in de Golf van St. Tropez vernietigde (het Griekse vuur was een soort vlammenwerper  die naar verluidt rond 673 werd uitgevonden werd door een christelijke Syrische vluchteling genaamd Kallinkos van Heliopolis; tegenwoordig Baalbek in Libanon).

De Saracenen werden gedwongen zich op naburige hoogten terug te trekken. Maar net toen het einde van de Andalusische kolonie in Zuid-Frankrijk onvermijdelijk leek, zorgden nieuwe ontwikkelingen in Europa voor een ommekeer in de geschiedenis.

Vrede met de Saracenen, Barcelona en vrije handel Al-Andalus

Koning Hugo had zijn kroon geërfd van de vermoorde keizer Berengarius. Berengarius I had een christelijk bondgenootschap met een grote legermacht aangevoerd tegen de Saracenen. Als dank werd Berengarius tot keizer gekroond door paus Johannes X. Daarop ontbrandde een machtsstrijd in Italië tussen Hugo en Markgraaf Berengarius, de kleinzoon van de vermoorde monarch. Markgraaf Berengarius, die aanvankelijk de steun genoot van de Saracenen, sloot zich aan bij Hermann I, de hertog van Zwaben, en haalde hulp bij het hof van de Duitse keizer Otto de Grote (Otto I) om zich tegen koning Hugo te verdedigen.

Van alle kanten aangevallen sloot koning Hugo een verdrag met zijn vijanden, de Saracenen. Hij gaf de islamitische Saracenen een groot deel van het hedendaagse Zwitserse, Italiaanse en Franse Alpengebied als rechtmatig eigendom met de bedoeling dat ze de strijdende Zwaben en zijn rijk ten zuiden van de Alpen ruimtelijk van elkaar zouden scheiden en het zou beschermen tegen aanvallen.

Volgens professor Kees Versteegh is het mogelijk dat Hugo een ander motief had, dat verband hield met zijn betrekkingen met Abdurrahman III.  ‘Rond het jaar 940 sloot Hugo vrede met de heerser van Barcelona, Sunyir ibn Gunfrid al-Ifrang, zoals hij door de Arabische bronnen wordt genoemd. De vredesonderhandelingen werden ook bijgewoond door enkele Franken, onder wie iemand ‘genaamd ‘Unğuh’, die regeerde in Italië en vrije handel met Al-Andalus nastreefde. De tekst van het verdrag werd gestuurd naar Nasr Ibn Ahmad, de qadi (rechter) van Farakhshanit (Garde-Freinet) en naar de gouverneurs van de Balearen en de zeehavens van Al-Andalus. Het feit dat Unğuh (Hugo) in de tekst wordt voorgesteld als heerser in Italië komt overeen met wat we weten over Hugo’s afwezigheid uit de Provence in dezelfde periode, zo stelt Versteegh.

Keizerlijke ambassadeur naar de Kalief gestuurd

In 953 werd Johannes van Gorze door Otto I voor twee jaar als gezant naar de kalief van Cordoba gestuurd. Johannes was een monnik uit Lotharingen, diplomaat, kerkelijke landgoedbeheerder en kloosterhervormer uit het bisdom Metz. Het doel van de missie was de kalief te vragen om een einde te maken aan de plunderingen in het Alpengebied door Saracenen uit Garde-Freinet. De voor deze aangelegenheid extra benoemde onderhandelaar van het kalifaat was een vertrouweling van Abdurrahman III, de joodse hoogwaardigheidsbekleder aan het hof van Cordoba, diplomaat en arts Chasdai Ibn Shaprut. Chasdai kwam tot de conclusie dat de brief van Otto I niet op deze manier kon worden bezorgd en overtuigde de Ottonische missie om nog een brief op te stellen.

Schilderij van Dionisio Baixeras: Johannes van Gorze verschijnt als gezant van keizer Otto I voor kalief Abdurrahman III.

Johannes ontmoette ook vaak een andere topdiplomaat en vertrouweling en secretaris van de kalief, de bisschop van Elvira (betekent Spanje), Recemundus, die bekend was met de islamitische leerstellingen. Pas na jarenlang touwtrekken en het terugsturen van de Ottonische missie naar Frankfurt om met een nieuwe brief terug te keren, waren de protocolaire problemen opgelost en kon met de uitwisseling van geschenken en met de onderhandelingen worden begonnen. Deze historische aangelegenheid is in 1885 door de Catalaanse schilder Dionisio Baixeras op mooie wijze geïllustreerd (zie foto).

Volgens Markus A. Klinkner wordt er in deze context weinig aandacht besteed aan het feit dat ook de Duitse keizer door deze jarenlange diplomatieke onderhandelingen de Zwitserse Alpenregio’s beschouwde als onderdeel van de dominante invloedssfeer van de Spaanse Umayyaden, waardoor het Alpengebied in deze periode (942-973) formeel de Umayyaden-enclave was. Bovendien zijn er geen campagnes bekend van Otto I tegen de Saracenen in de Zwitserse Alpen; dit in tegenstelling tot de talrijke oorlogshandelingen tegen de Fatimidische Saracenen in Italië, onder andere in Sicilië.

Deel 2 gaat over de effecten van de tijd van de Saracenen op de verschillende gebieden in Zwitserland, over de vondsten en het islamitische en Arabische erfgoed dat ze achterlieten en waar dat vandaag nog te vinden is.

Oscar Bergamin heeft als journalist twintig jaar doorgebracht in Turkije, Libanon, Egypte, Jordanië, Koeweit, Qatar, Syrië en Irak.

Deze website gebruikt cookies om uw ervaring te verbeteren. Door op de 'accepteer' knop of andere links in de site te klikken, geeft u aan hiermee akkoord te gaan.