Dima Abdu, Palestijns én Israëlisch, negeert de hint van Bibi en gaat tóch stemmen

Een eerste afspraak met Dima Abdu loopt op haast amusante wijze bijna in het honderd. ‘Als je op Rotterdam Central Station uitstapt, zien we elkaar in de hall,’ heb ik de jonge Palestijnse, die op familiebezoek in Nederland is, gemaild. Via facebook messenger laat ze me weten dat haar trein uit Amsterdam ruim op tijd het station is binnengereden. Maar een half uur na het afgesproken tijdstip is ze nog steeds niet verschenen.

Dima, waar ben je? Op die vraag is maar één antwoord mogelijk: ze staat op een verkeerde plek op me te wachten.

Wanneer ze me met haar mobiel een fotootje stuurt van waar ze op dat moment is, blijkt dat ze linea recta de stationshal is uitgelopen naar de Markthal – ofwel het spectaculaire, tunnelvormige woon-en winkelgebouw waarmee Rotterdam internationaal opzien heeft gebaard in de architectuurwereld, en dat dus ook niet aan de aandacht is ontsnapt van de architectuurfaculteit van de universiteit Technion in het Israëlische Haifa, waar de 22-jarige Dima studeert. Zij combineerde de woorden ‘Rotterdam’ en ‘hall’, voegde daar haar nieuwsgierigheid aan toe, en kwam toen vanzelf uit op de Market hall.

 

Dima Abdu in de Markthal ©Carl Stellweg

De keuze voor architectuur als studie zegt overigens veel over haar. Dima Abdu is een Palestijnse met het Israëlische staatsburgerschap. De overheid en de meeste media noemen haar bevolkingsgroep, die twintig procent van de totale Israëlische bevolking uitmaakt, liever ‘Israëlische Arabieren’, om  nationale aanspraken te verdonkeremanen. Veel van haar volksgenoten schijnen, in weerwil van een wijdverbreide nationale trots, ook eieren voor hun geld te kiezen. Als ze tot het Israëlische universitaire systeem weten door te dringen, willen de meesten volgens Dima het liefst arts worden: ‘Dat is een a-politiek beroep waarmee je geen aanstoot geeft, zelfs maatschappelijk aanzien geniet, en voor de rest van je leven onder de pannen bent.’

Zelf heeft ze andere ambities. Het is niet voor niets, bezweert ze, dat ze heeft gekozen voor een vak dat ‘een universele taal spreekt, en historische, culturele, en zelfs politieke implicaties heeft.’

Kortom: Dima wil meer dan een zo veilig mogelijke plek voor zichzelf veroveren in een latent vijandige samenleving. Ze ambieert precies datgene waartoe opeenvolgende Nederlandse regeringen diverse minderheden al dan niet terecht hebben aangespoord: meedoen. Architectuur is haar brug naar een wereld waarin vrijheid van uitdrukking vanzelfsprekend is. Daarom gaat ze ook, anders dan veel van haar Palestijnse maar ook ‘linkse’ joodse vrienden, op 9 april naar de stembus voor de Israëlische parlementsverkiezingen. En dat terwijl er in de ‘enige democratie in het Midden-Oosten’ nog nooit een Arabische partij in een regeringscoalitie heeft gezeten, en dit ook nooit zal gebeuren, als het aan Benjamin Netanyahu, de op een na langst zittende premier van Israël, ligt. Diezelfde Netanyahu merkte onlangs nog op dat alle burgers in Israël gelijke rechten hebben, maar dat Israël ‘geen staat is voor al zijn burgers, maar enkel de staat van het Joodse volk’.

Dima wil meer dan een zo veilig mogelijke plek voor zichzelf veroveren in een latent vijandige samenleving. 

De premier beriep zich op de omstreden natieststaat-wet die in juli vorig jaar door de Knesset werd aangenomen. Hoe dan ook doet zijn uitspraak denken aan de Principes van het Animalisme uit George Orwells Animal Farm. Die luiden immers: ‘Alle dieren zijn gelijk, maar sommige dieren zijn meer gelijk dan andere.’

Je kunt je afvragen waar iemand als Dima Abdu dan nog de motivatie vandaan haalt om te gaan stemmen. ‘Het is de eerste keer dat ik mag, en die gelegenheid laat ik niet aan me voorbij gaan,’ repliceert ze met een kalme glimlach. ‘Ik heb ernaar uitgekeken. Eén ding heeft nóg minder zin dan stemmen, en dat is niet stemmen, toch? En is dat niet precies wat Netanyahu met zijn uitspraken beoogt? Om politieke participatie van Palestijnen zo veel mogelijk te ontmoedigen? Als je niet stemt, stem je in zekere zin toch: namelijk op hém.’

Ze merkt op dat ze de hoop niet wil verliezen. Daar komen we later op. Eerst de vraag wat het Israëlische staatsburgerschap eigenlijk voor haar betekent. Hoe zou ze zich in de eerste plaats willen omschrijven? Dat hierop geen eenduidig antwoord te geven is, zegt eigenlijk alles. Dat antwoord hangt helemaal af van hoe de vraag precies wordt gesteld, wie hem stelt, en waar hij wordt gesteld.

‘Er heeft één ding nóg minder zin dan stemmen, en dat is niet stemmen’

Vaak volstaat ze met te zeggen dat ze uit Haifa komt. Als haar wordt gedwongen kleur te bekennen – ben je een Israëlische of een Palestijnse? – zal ze zeker zeggen ‘Palestijnse’, met overtuiging, maar toch ook met voorbehoud. Want er zijn zo veel soorten Palestijnen: je hebt Palestijnen in de diaspora, je hebt Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever, je hebt Palestijnen in de Gazastrook, je hebt Palestijnen in Jeruzalem, en je hebt Palestijnen zoals zij, die zich Israëlisch ‘mogen’ noemen. Niet de minst bevoorrechte groep, daarvan is zij zich bewust, en vandaar haar probleem om zichzelf te definiëren: ze wil zich niet als meer misdeeld voordoen dan ze is. Te meer omdat ze niet in Gaza of op de Westelijke Jordaanoever zou willen wonen – ook niet als daar een Palestijnse staat komt. Ze sympathiseert met haar volksgenoten in de bezette gebieden, maar ze is ook een moderne jonge vrouw en in die zin op haar plaats in het relatief moderne Israël.

Voelt ze zich desondanks toch niet een tweederangsburger? Het antwoord daarop luidt ja. En dat ligt niet eens aan de tientallen impliciet discriminerende wetten die de Palestijns-Israëlische mensenrechtenorganisatie Adalah heeft ontwaard. Het zit hem eerder in het alledaagse, soms zelfs in het goed bedoelde. Niet goed bedoeld zijn de uitgebreide douanecontroles waaraan ze wordt onderworpen als ze Israël in wil – welk land verwelkomt zijn eigen burgers op die manier? – maar wel de houding van de joodse mevrouw die, nadat ze heeft vernomen dat Dima Palestijnse is, haar verzekert dat ze ’27 jaar lang een Arabische kapper’ heeft gehad: ‘Alsof mij dat iets kan schelen,’ zegt Dima. ‘Alsof ik daar dankbaar voor moet zijn of zo.’

Het zit hem ook in de verkrampte beleefdheid waarmee de meeste van haar joodse medestudenten met haar omgaan. ‘Wanneer ik mijn Arabische identiteit zelfbewust uitdraag, reageren ze positief, omdat ik ze hiermee de kans geef te bewijzen dat ze geen racist zijn.’ Aan de andere kant moet een gesprek over netelige onderwerpen, een discussie, een dialoog, altijd van haar komen. ‘Zelf zullen ze nooit ergens over beginnen. Het is altijd aan mij, als minderheid, om de olifant in de kamer weg te halen.’

De vraag is wel of het woord ‘minderheid’ in deze context niet misplaatst is. Het Israëlische bestel wordt nog wel eens verdedigd met het argument dat minderheden het in elke samenleving moeilijk hebben, aan sociale discriminatie blootstaan: zo ook in een ‘normaal land met normale gebreken’  als Israël.  Het maakt van Israël nog geen apartheidsstaat. Maar hoe komt het eigenlijk dat de Palestijnen een minderheid zijn? Omdat ze ooit een meerderheid waren die weg moest, die werd verjaagd. Voor veel Israëliërs lijkt dat een vanzelfsprekend gegeven waarbij ze zichzelf geen ethische vragen stellen. Een voorbeeld is de docente op Dima’s universiteit die het had over de tijd dat de joden de Arabische bevolking in Haifa vervingen. ‘Alsof dat met high-fives gebeurde,’ zegt Dima.

‘Het is altijd aan mij, als minderheid, om de olifant in de kamer weg te halen’

Ze heeft soms ook moeite met het dogmatisme in eigen kring. Ze is in een politiek bewuste familie opgegroeid, waar de Arabische taal en cultuur altijd zijn gekoesterd, en heeft wat dat betreft veel ontleend aan haar grootvader, een dichter, en een journalist van Al-Ittihad, de oudste, in 1944 opgerichte Arabischtalige krant van Israël, met wortels in de Palestijnse communistische beweging. Ze is er geen scherpslijper door geworden. ‘Zeg dat je uit Palestina komt, niet uit Israël,’ bezwoeren haar vrienden haar voordat ze naar Nederland afreisde. Dat vertikt ze. Ze wil namelijk niet de indruk wekken geen verschil te zien tussen haar en de Palestijnen in de bezette gebieden.

Evenzo hebben sommige vrienden het haar niet in dank afgenomen dat ze Waltz with Bashir wilde zien. Deze geruchtmakende animatiefilm van de Israëliër Ari Folman uit 2008 gaat over de trauma’s die Israëlische soldaten tijdens de oorlog in 1982 in Libanon opliepen. Het bloedbad dat christelijke Falangisten onder de ogen van Israëlische strijdkrachten aanrichtten in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila komt uitgebreid aan bod. De film is een impliciete aanklacht tegen die Libanese oorlog, waarin Israël voor veel westerlingen zijn ‘onschuld’, ofwel zijn imago van koene pioniersnatie verloor. Daar ging het Dima’s vrienden niet om: de trauma’s van de Israëlische soldaten zijn in hun ogen volledig ondergeschikt aan het leed dat die soldaten hebben aangericht. Zielig voor ze, dat ze daar later zo veel last van hebben gekregen, maar daarom nog geen aandacht waard. Daar is Dima het niet mee eens. Zij wil de psychologie van de onderdrukker leren kennen. Bovendien: ‘Aan elke zaak zit meer dan één kant. Ik wil mijn eigen oordeel vormen, en dan moet ik van zo veel mogelijk invalshoeken kennis kunnen nemen.’

Ze wil de psychologie van de onderdrukker leren kennen

Ze voelt een duidelijke behoefte ‘de ander’ te leren kennen. Vandaar ook haar waardering voor de documentaire ‘On the other side of the street‘, waarin  Lia Tarachansky, die opgroeide in de joodse nederzetting Ariël, bekent dat ze pas na vele jaren het nabijgelegen Arabische dorp ‘opmerkte’. Dit wrange gegeven is het startpunt van Tarachansky’s onderzoek naar het ‘collectieve geheugenverlies’ waaraan de Israëliërs zouden lijden als het gaat om wat de Palestijnen werd aangedaan in 1948, het jaar dat de staat Israël werd gesticht.

Een en ander heeft voor Dima ook geleid tot een onderzoek naar haar eigen achtergrond, die paradoxaal genoeg, ondanks haar opvoeding, lange tijd voor haar in nevelen bleef gehuld. Totdat ze met haar studie begon, drie jaar geleden, leefde ze in een goeddeels gesegregeerde wereld. Toch wist ze pas op haar achtste of negende wat de term ‘Nakba’ concreet betekende, en was het uitgerekend op een door joodse Israëliërs gedomineerde universiteit dat ze werd ‘getriggerd’ om in haar antecedenten te duiken. Dat was naar aanleiding van een opdracht waarbij ze een oud familielid om een oude foto moest vragen, met een verhaal rond die foto erbij. Dit heeft ertoe geleid dat ze nu het hele familiefotoarchief aan het uitpluizen is. Via het onvolprezen facebook messenger stuurt ze enthousiast een aantal foto’s op: kijk, een familiefoto uit Najd, waarin haar grootvaders van moeders kant zich onderscheidt door zijn pak met stropdas tussen mannen in bedoeïenendracht. En hier een foto van grootvader, aan het werk als journalist tijdens een conferentie in Warschau in de jaren vijftig. En hier het eenvoudige huisje van haar grootmoeder in Shefa-‘Amr, dat nu een school voor Arabische kinderen is.

Dima’s grootvader (links vooraan), als journalist aan het werk tijdens een conferentie in Warschau in de jaren vijftig.

Aan deze zoektocht heeft Dima een ander project gekoppeld, daartoe aangemoedigd door een met haar sympathiserende docent fotografie, getiteld ‘The last witness’, de laatste getuige. Het gaat om een reeks geënsceneerde foto’s waarmee ze het begrip ‘collectief geheugen’ en, daarmee samenhangend, ‘collectief geheugenverlies’, verkent.

‘Geschiedenis en herinneringen worden snel begraven,’ schrijft ze erbij. ‘Dat leidt tot een angst voor verlies van identiteit. Wij zijn een minderheid, en zijn dus anders dan de meerderheid van de bevolking. Discriminatie zorgt ervoor dat wij sterk hechten aan onze herinnering; soms onthouden we gebeurtenissen op een verwrongen, extreme wijze. We veranderen de plaats, we verklaren herinneringen heilig, de rest wissen we uit. We spreken over historische figuren alsof we ze zelf hebben ontmoet, alsof we ze kennen. Plaats, mensen, geheugen en identiteit creëren een duurzaam systeem, een systeem dat zichzelf in stand houdt. U ziet nu foto’s van een oud huis in Wadi Salib (Haifa). Over een paar maanden wordt het een café. Daarom geef ik mijn getuigenis aan u door. Nu bent u verantwoordelijk voor het veiligstellen van het verleden en het bouwen aan een toekomst.’

Foto van Dima Abdu’s project ‘The last witness’ ©Dima Abdu

Het bezoek aan Nederland is haar goed bevallen. De stedelijke omgeving heeft ze als een stuk minder grauw ervaren dan bij haar. En ook: ‘Je ziet hier veel minder muren. Ik ken bijvoorbeeld thuis geen schoolpleinen die niet ommuurd zijn.’

Maar met wat voor gevoel keert ze nu terug naar het land waarvan ze een paspoort heeft, maar dat toch niet haar vaderland is? Wat is eigenlijk haar hoop voor de toekomst? ‘Ik wil vrede,’ zegt ze omzichtig. Tja, wie niet. Wat voor vorm zou die vrede volgens haar dan moeten aannemen? Eén staat, twee staten? Na wat doorvragen komt het erop neer dat ze één land wil, maar niet dit land. Een land waar ze Arabisch, Hebreeuws en Engels door elkaar kan praten zonder dat iemand er haar op aankijkt. Een land waar iedereen gelijk is, en sommige mensen niet meer gelijk zijn dan andere.

De eerder genoemde fotografiedocent was een van de zeer weinige Israëliërs die haar vroeg of ze ging stemmen. En op haar bevestigende antwoord: waarom dan wel? Omdat er één ding minder zin heeft dan naar de stembus gaan, zei ze terug, en dat is niet naar de stembus gaan. Ja, zo dacht ik er vroeger ook over, verzuchtte de docent, maar ik kan het niet meer opbrengen. Ik heb de hoop verloren.

‘Het is gek,’ zegt Dima. ‘Maar zijn wanhoop geeft mij op een bepaalde manier hoop.’

Een avondje dansbaar activisme met de Libanese band Mashrou’Leila

Mashrou’Leila begon in 2008 als een los collectief van studenten die samen aan de Amerikaanse universiteit van Beiroet Architectuur en Design studeerden. Twee van de huidige bandleden deden een oproep aan muzikanten op de universiteit om te jammen. Zo konden ze de stress en frustratie over de instabiele politieke situatie in Libanon een beetje kwijtraken. Geleidelijk aan vormde zich een kwartet: vocalist en tekstdichter Hamed Sinno, gitarist en multi-instrumentalist Firas Abou Fakher, de virtuose violist Haig Papazian en drummer Carl Gerges.

De leadzanger Hamed Sinno (geboren in 1988) had een Libanese vader die in de Verenigde Staten heeft gewoond en een Jordaanse moeder die tussen Marokko en Rome pendelde. Sinno zelf heeft het Amerikaans staatsburgerschap en groeide op in een Engelstalig huishouden. Hij zat op een Amerikaanse school en sprak nauwelijks Arabisch. Dat leerde hij zichzelf door songteksten te schrijven.

Violist Haig Papazian is Armeens-Libanees, geboren in Anjar, een overwegend Armeense stad in de Beka-vallei. Zijn vader is professor in Islamitische filosofie en Arabische literatuur en hij studeerde zelf Architectuur (hij won in 2008 de Fawzi Azar Architectuurprijs voor zijn ontwerp van een architectuurmuseum). Papazian is een van de initiatiefnemers van de band.

Gitarist en keyboardspeler Firas Abou Fakher was één jaar oud toen er een bom ontplofte in het aangrenzende huis en het raam in zijn slaapkamer op hem viel. Zijn ouders besloten dat Beiroet te gevaarlijk werd en emigreerden naar Abu Dhabi, waar ze de eerste acht jaar van Firas’ leven bleven wonen.

Drummer Carl Gerges groeide op in Beiroet en verveelde zich zo op de Jezuïetenschool dat hij al heel jong een eigen band had en daar al zijn energie instak.

Verboden
Mashrou’Leila is er 9 maanden uit geweest. In Jordanië werd e groep verboden omdat de kerk satanische invloeden bespeurde. In Egypte mogen ze ook niet meer optreden vanwege hun geaardheid en bezoekers van hun concert werden opgepakt voor het zwaaien met een regenboogvlag. Dit alles had zo’n negatieve en stressvolle impact op de jongens dat zij besloten even uit elkaar te gaan om bij te komen. Die periode duurde negen maanden. Toen kwam er een nieuw album en werd er een tournee op touw gezet.

Nummers
Vóór elk nummer dat Mashrou’Leila in Amsterdam speelde, legde Sinno kort uit waar het over ging en wat de achtergrond ervan was. De band speelt niet zomaar wat; de teksten reflecteren collectieve ervaringen en gaan over vrouwenrechten, rechten voor de LGBTQ-gemeenschap in het Midden-Oosten, rechten van migranten, racisme dat de bandleden zelf in Europa en Amerika ervaren, verslaving en geestesziekte. De band voelt zich betrokken bij deze onderwerpen en de nummers zijn vaak emotioneel geladen. Die emotie werd ook door het publiek gevoeld dat meedeinde, -sprong, -brulde en -zong.

De band speelde nummers van het nieuwe album The Beirut School, dat de eerste 10 jaar van Mashrou’Leila viert. De setlist:

    • El-Mouqadima (De Inleiding)
    • Roman (over vrouwenrechten en feminisme)
  • Djinn (over alcohol en verslaving)
  • 3 minutes
  • Lil Watan (over de politieke situatie)
  • Are you still certain
  • Fasateen (over de liefde)
  • Taxi (over de dood)
  • Tayf (over Tayf, een door homoseksuelen gefrequenteerde nachtclub, die door de Libanese autoriteiten werd gesloten)
  • Ashabi (Vrienden)
  • Salam (over dat ze Israël niet in kunnen)
  • Maghawir (over wapens, waarbij het publiek mocht meezingen)
  • En hun nieuwe single Cavalry (over hoe we ons niet moeten laten leiden door politieke vermoeidheid en steeds de macht moeten blijven aanspreken).

Ondanks de zwaarte van de onderwerpen, zet de muziek aan tot dansen. Sinno zelf danste zich een slag in de rondte en ook dat werkte aanstekelijk. De zaal stond dan ook geen moment stil.

Nachtelijk project
Mashrou’Leila betekent ‘een nachtelijk project’; de bandleden dachten niet dat hun samenwerking  langer zou duren dan een nachtelijke jamsessie. De band ontstond naar eigen zeggen puur toevallig en de vrijheid die de leden nastreven, voeren ze door in hun hele bestaan. Ze brachten hun albums zelfstandig uit, sloten zich bewust niet aan bij een label om censuur en commercie te omzeilen. Ze willen Arabische muziek maken zonder beperkingen, kunnen zingen en spelen wat ze vinden en voelen.

Het publiek in Amsterdam riep vaak om de ballad “Shim El Yasmine” (Ruik de Jasmijn). Dit nummer bracht de band tien jaar geleden op het eerste album uit en het wordt door velen beschouwd als de soundtrack van de Arabische Lente in 2011. Maar Sinno antwoordde dat hij geen jukebox is, en dis werd het nummer niet gespeeld.

Het nachtelijk project in Amsterdam werd afgesloten met het prachtige, langzame nummer Marikh, over geestelijke gezondheid en pillen die niet werken. En na de foto met het publiek ‘voor onze moeders’, en een korte toegift, was het ook voor de vier jongsens tijd om naar bed te gaan.

Wil je meer weten over Mashrou’Leila, bekijk dan dit interview in Maison Mim, geschreven en geproduceerd door Mouna Anajjar:

De businesscase van vrouwenemancipatie in Afghanistan

Bij terugkomst in Nederland bespreek ik het met Joke Florax, projectmanager gender bij de Landelijke Eenheid Nationale Politie en eerder geïnterviewd voor een artikel in de Correspondent. Ze werkte in 2011 en 2012 als genderadviseur bij de Europese politiemissie (EUPOL) in Afghanistan. Ze is een groot voorvechter van vrouwen bij de politie, vooral ook omdat het ingaat tegen het negatieve beeld van Afghaanse vrouwen als slachtoffers: ‘Als je daar sterke politievrouwen tegenover kunt zetten als rolmodellen, kun je veranderingen bewerkstelligen in conservatieve maatschappijen. Hierin schuilt het antwoord op de vraag of de door het westen gesteunde agenda strookt met de realiteit van een zeer conservatief Afghanistan. Ja, want ze maakt deel uit van een proces dat die maatschappij langzamerhand in positieve zin zal veranderen.

Maar Florax benadrukt dat dit niet altijd moet gebeuren vanuit een vrouwenrechtenagenda. Zij spreekt liever over een ‘business case’, waarin ‘good policing’ de leidraad moet zijn. Alleen op die manier kun je de toegevoegde waarde van vrouwen bij de politie goed zichtbaar maken. ‘Natuurlijk betekent dit ook dat je moet investeren in meer acceptatie van politieagentes door collega’s en door burgers’, legt ze uit. ‘Je moet er voor zorgen dat de echtgenoten, vaders of andere familieleden akkoord gaan met de politietraining van vrouwen.’ Maar het belangrijkste is om te kijken naar de taken en resultaten van het werk dat politieagentes doen, bijvoorbeeld in de zin van meer toegang voor vrouwen tot de politie, meer aangiftes door vrouwen en meer inlichtingen die verzameld kunnen worden.

Om de business case van de grond te krijgen is het, volgens Florax, uiterst belangrijk dat de politiecommandant overtuigd wordt van de toegevoegde waarde van het inzetten van agentes. Dat is geen sinecure in een land waar commandanten vooral gewend zijn om met mannelijke dorpsoudsten te praten. Vaak zal het resultaat daarom ook afhangen van de vraag of een leidinggevende de inzet van vrouwen langzamerhand als een bijdrage aan zijn eigen prestige kan gaan zien. Dat is nou niet bepaald een prioriteit op de vrouwenrechtenagenda en bovendien vereist dit wederom een culturele omslag omdat commandanten er voorlopig eigenlijk alleen bij donoren en internationale organisaties mee kunnen pronken. Er zijn simpelweg nog niet genoeg mannelijke voorvechters binnen de ministeries.

Op bezoek bij het ministerie van Defensie in Den Haag merk ik vervolgens dat Björn de Heer grotendeels op dezelfde lijn zit als Florax. Tot maart vorig jaar was hij bij defensie verantwoordelijk voor civiel-militaire samenwerking en tevens genderadviseur voor militaire missies. De Heer spreekt van ‘operationele effectiviteit’ in plaats van ‘business’, maar dit zou je ook kunnen beschouwen als ‘good soldiering’. Opvallend genoeg ziet hij bij defensie in Nederland eigenlijk grotendeels dezelfde uitdagingen als in Afghanistan: nog niet genoeg vrouwen om voor een kritische massa te zorgen en een organisatorische architectuur die moeilijk veranderingen kan voortbrengen.

Alleen een benadering die kijkt naar de effectiviteit van militaire operaties kan daar verandering in brengen. Net als bij de politie is daar leiderschap voor nodig. Leidinggevenden die overtuigd zijn van de toegevoegde waarde van vrouwen in het leger kunnen het verschil maken. De narratief moet gericht zijn op de relevantie van vrouwen. De Heer denkt dat dit veranderingsproces zelfs in Nederland nog lang gaat duren, vooral omdat het afhankelijk is van een cultuuromslag. Er is binnen de veiligheidssector een verandering nodig van de houding van het ‘old boys network’ die momenteel meer acceptatie van vrouwen in de weg staat.

Ik leg deze Nederlandse standpunten weer voor aan Palwasha Hassan in Kaboel. Ze is het met Florax en De Heer eens en denkt bovendien dat vrouwen veel toe te voegen hebben aan de veiligheidssector omdat ze noodgedwongen decennialang ervaring opgedaan hebben met het zoeken naar weerbaarheid en bemiddeling in een context waar meestal geen formeel veiligheidsapparaat aanwezig was.

Pragmatiek tegenover ideologie

Toch lijkt de instrumentele benadering op gespannen voet te staan met de vrouwenrechtenagenda: de pragmatiek van de inzetbaarheid tegenover de ideologie van gendergelijkheid. Die frictie is echter schijn. De pragmatische benadering is nuttig in Afghanistan omdat het, op de korte termijn een aantal traditionele barrières kan ontwijken. Volgens Sima Samar, voormalig minister van Vrouwenzaken en nu voorzitter van de Afghanistans onafhankelijke mensenrechtencommissie, heeft de Afghaanse Nationale Politie een voortrekkersrol om ervoor te zorgen dat Afghaanse gemeenschappen genoeg vertrouwen krijgen om hun vrouwen en dochters in dienst te laten treden. De normalisering van vrouwen binnen het veiligheidsapparaat kan vervolgens participatie in andere sectoren bevorderen.

Een 25-jarige vrouw krijgt wapentraining op de Politieacademie in Kaboel (foto Oxfam/Ellie Kealey)

Rolmodellen zijn per definitie symbolen, maar kunnen culturele taboes doorbreken en structurele veranderingen in gang zetten. Jamila Bayaz, sinds 2014 de eerste vrouwelijke districtschef bij de politie, is daar een voorbeeld van. Maar ook Saba Sahar is een bijzonder rolmodel: politieagente en tevens een populaire actrice. Ze is producent en was een paar jaar geleden een van de hoofdrolspelers in de politiedramaserie ‘Inspecteur Amanullah’, bedoeld om meer bewustzijn te creëren maar ook om meer vrouwen voor het politievak te interesseren.

Een instrumentele benadering sluit de vrouwenrechtenagenda niet uit. Het is een kwestie van prioriteiten stellen in een complexe realiteit zonder de ideologische doelstelling overboord te gooien. Het blijft zeer belangrijk om in Afghanistan gendergelijkheid na te streven, maar het zwaaien met de vrouwenrechtenvlag is vaak contraproductief, bijvoorbeeld omdat het gezien (of geportretteerd) wordt als een westerse poging om de islamitische godsdienst te ondermijnen. Een stapsgewijze benadering werkt doorgaans beter. Gezien de risico’s kun je binnen defensie of politie er bijvoorbeeld eerst voor kiezen om vrouwen de leiding over personeelszaken te geven.

Vrouwelijke soldaten en politieagenten moeten echter meer zijn dan een Trojaans paard voor de vrouwenrechten. Ze zijn noodzakelijk voor de werkzaamheden en geen overbodige luxe, zoals ook presidentsvrouw Rula Ghani in oktober vorig jaar aan gaf. In de Afghaanse veiligheidssector doen ze belangrijk werk zoals het beschermen, fouilleren of ondervragen van vrouwen. De juiste balans vinden tussen de instrumentele en ideologische benadering is lastig.

In de verschillende gesprekken die ik met vrouwen voer komen eigenlijk steeds dezelfde elementen boven drijven: De vrouwen, vrede en veiligheidsagenda is een belangrijke agenda en deze sluit goed aan bij wat Afghaanse vrouwen willen. In gesprekken met mannen wordt dit ook beaamd, maar wordt er opvallend vaak ook gesproken over de veiligheidssituatie en de bezorgdheid dat teveel of te snelle veranderingen op dit moment misschien averechts kunnen werken. En dat brengt mijn onderzoek op de tweede pilaar van de 1325 agenda: inclusieve vredesopbouw.

In algemene zin baart de veiligheidssituatie natuurlijk zorgen. De Talibaan zijn aan een opmars bezig, controleren belangrijke districten en waren eind september 2015 in staat om een redelijk grote stad als Kunduz tijdelijk in te nemen. In september vorig jaar bestormden ze Tarin Kowt, de provinciale hoofdstad van Uruzgan. Bovendien is Islamitische Staat (IS) nu in Afghanistan actief. Ik ben zelf in Kaboel als eind juli vorig jaar een door IS opgeëiste zelfmoordaanslag een demonstratie van de Hazara’s treft, een etnische minderheid. Er vallen bijna honderd doden. En eind mei dit jaar trof een grote bomaanslag de diplomatieke wijk van Kaboel met wederom meer dan honderdvijftig doden als gevolg. De merkwaardige gedachtegang – die ik overigens ook vaak in vergaderingen met internationale organisaties heb gehoord – is dan dat vrouwenrechten in de huidige situatie misschien even in de ijskast gezet zouden moeten worden.

Vrouwen en vrede

De agenda van vrouwen, vrede en veiligheid gaat hiertegen in en benadrukt juist het belang van vrouwen bij het oplossen van conflicten en het onderhandelen over vrede. Maar ook het nut van vrouwenparticipatie bij vredesopbouw is niet meteen voor iedereen duidelijk. Het probleem is dat er, ondanks het grote aantal conflicten in de wereld, relatief weinig onderzoek is gedaan naar de effecten van inclusieve vredesopbouw. Bij het langdurige vredesproces in de Filipijnen waren vrouwen bij de formele onderhandelingen betrokken. Maar bij de succesvolle vredesonderhandelingen met de FARC in Colombia waren, op het hoogste niveau, vrouwen niet of nauwelijks aanwezig.

Ook in Afghanistan was er bij eerdere vredesprocessen maar mondjesmaat een rol weggelegd voor vrouwen, waardoor effecten lastig te meten zijn. Het in september vorig jaar gesloten akkoord met de jihadistische strijdgroep Hezb-e Islami Gulbuddin was tot op zekere hoogte een uitzondering. Habiba Sarabi, de eerste vrouw die bij de Hoge Vredesraad een seniorpositie bekleed, was bij de meeste voorgesprekken aanwezig. Als ik haar in Kaboel bezoek, zegt ze hierover dat ze de belangen van vrouwen zo effectief heeft kunnen vertegenwoordigen. Sarabi was eerder minister van Vrouwenzaken en de provinciale gouverneur in Bamyan.

Haar kantoor zit nu diep weggestopt in een complex in het centrum van Kaboel waar eerder het ministerie van Binnenlandse Zaken zat. Dat ik haar spreek is al een teken van vooruitgang. Drie jaar geleden deed ik in Afghanistan onderzoek naar inclusieve vredesopbouw voor een rapport van Oxfam. Toen kreeg ik bij de Hoge Vredesraad uiteindelijk drie mannen te spreken, die overigens wel met verve het belang van vrouwenparticipatie onderstreepten.

De participatie van Sarabi bij de onderhandelingen met Hezb-e Islami Gulbuddin biedt wellicht wat hoop voor toekomstige vredesbesprekingen met de Talibaan. Maar Wazhma Frogh is fel over het gebrek aan bredere participatie: ‘De Afghaanse regering denkt dat wij vrouwen geen geheimen kunnen bewaren. Daarom zitten er zo weinig vrouwen bij de Hoge Vredesraad.’ Bovendien wil de regering, volgens haar, geen voorwaarden stellen aan vredesbesprekingen en zou een vrouw aan de onderhandelingstafel een te sterk signaal kunnen zijn in de richting van de Talibaan. Bij Hezb-e Islami Gulbuddin lag dat wellicht anders omdat deze verzwakte beweging een veel minder sterke uitgangspositie had in de vredesonderhandelingen.

Conclusie

Het gesprek met Sarabi biedt wellicht hoop maar laat net als mijn andere gesprekken toch ook duidelijk zien dat er, ondanks de internationale inspanningen en investeringen de afgelopen vijftien jaar, weinig vooruitgang zit in de vrouwen, vrede en veiligheidsagenda in Afghanistan. Naast de in de gesprekken genoemde uitdagingen, blijkt keer op keer dat de coördinatie stroef loopt, zowel tussen donoren als tussen de ministeries die de agenda uit moeten voeren. Daarbij is er vaak een gebrek aan financiële middelen of komen die niet terecht op de juiste plek in de ministeries. Tot slot blijkt dat ambtenaren meestal weinig kennis hebben over de 1325 agenda. Het gevolg is dat de implementatie maar moeizaam op gang komt. Twee jaar nadat het nationale actieplan voor de VN Resolutie is aangenomen, is er nog steeds geen akkoord met de donorlanden over het budget voor de implementatie ervan.

Bovendien is de Afghaanse realiteit weerbarstig. Zolang traditionele normen en waarden op gespannen staan met de vrouwenrechtenagenda, biedt de pragmatische benadering uitkomst. Maar ook die benadering is geen wondermiddel. Structurele vooruitgang zal vaak pas echt mogelijk zijn als de parallelle veranderingen van culturele normen en maatschappelijk bewustzijn het snellere tempo van de 1325-agenda weer hebben ingehaald.

In bredere zin is er de afgelopen vijftien jaar veel verbeterd in Afghanistan. De internationale donorgemeenschap laat voorlopig zien dat de betrokkenheid groot blijft, ondanks de daling van militaire en civiele bijdragen na 2011 toen de veiligheidstransitie werd ingezet. Maar als je door een ‘1325-lens’ naar de vereenzelviging van vrouwenrechten en vooruitgang kijkt, blijkt hoe groot de uitdagingen zijn en hoe weinig resultaten er tot nu toe geboekt zijn.

Juist daarom is het belangrijk dat Nederland deze agenda blijft ondersteunen met een betrokkenheid voor de langere termijn. Er moet hierbij voldoende aandacht en financiering uit gaan naar de bescherming en scholing van vrouwen, maar ook voor het vergroten van begrip bij Afghaanse mannen. Voor het bewerkstelligen van gendergelijkheid zal dat begrip echter uiteindelijk verder moeten gaan dan alleen de bewustwording en acceptie van de nuttige bijdragen van vrouwen aan vrede of veiligheid. De Afghaanse vrouwen spelen daarbij een belangrijke rol, maar de mannen des te meer. Als er de afgelopen jaren iets geleerd is in Afghanistan, is het wel dat gendergelijkheid vooral ook een mannenzaak is.

Jorrit Kamminga is verbonden aan Instituut Clingendael en werkt bij Oxfam Novib als strategisch adviseur voor het landenkantoor in Afghanistan. Dit artikel, dat de afsluiting  is van een tweeluik, is op persoonlijke titel geschreven. De vorige aflevering verscheen op 6 oktober 2017.

Abonneer je op onze nieuwsbrief Aanmelden

Deze website gebruikt cookies om uw ervaring te verbeteren. Door op de 'accepteer' knop of andere links in de site te klikken, geeft u aan hiermee akkoord te gaan.