Het vuur van de Arabische revolutie is nog lang niet uitgeblust (1/2)

Wie een artikel leest over ‘de Arabische lente, tien jaar later’, verliest al snel de moed. Stuk voor stuk verhalen over geknakte dromen, armoede, machtsconflicten en terroristische aanslagen. De revoluties zijn mislukt, concludeerden analisten in dit herdenkingsjaar. En toen moesten de staatsgrepen in Tunesië en Soedan nog komen. Verhalen van mensen in de frontlinie geven toch een ander beeld. De machtsstructuren bleken misschien taaier dan verwacht, maar we zijn pas begonnen, zeggen mensenrechtenactivisten uit Noord-Afrika. ‘Tien jaar is niets, er is een zaadje geplant.’

Ontegenzeggelijk bevat de geschiedenis van de Arabische Lente veel wrange verhalen. Mohamed Bouazizi woonde als gecriminaliseerde fruitverkoper in het Tunesische plaatsje Sidi Bouzid. Pas toen de begin twintiger zichzelf op 17 december 2010 in brand stak, kreeg hij een gezicht en groeide plots uit tot de – tragische – held van de Arabische Lente. Zijn wanhoopsdaad leidde tot massaopstanden die van Tunesië in 2011 oversloegen naar onder andere Egypte en Libië, om acht jaar later ook Soedan (2018) en Algerije (2019) te bereiken. Inmiddels zijn de machthebbers van weleer in deze vijf landen verdreven.

Maar vandaag de dag zitten in mijn straat vlakbij de Tunesische hoofdstad Tunis tientallen mensen uit armoede op kleedjes oude spullen te verkopen. Een paar kilometer verderop vecht Esghaier Chamakh opnieuw tegen een dictatuur, net als Enass Muzamel in Soedan. In Egypte bevroor het autocratische regime van president al-Sisi de bezittingen van Mozn Hassan en legde deze strijdbare feministe een reisverbod op. Vorig jaar januari belandde kunstenaar Djamel Eddine Oulmane na een vreedzame demonstratie in de Algerijnse hoofdstad Algiers met acht anderen in een cel van drie vierkante meter. Tariq Lamlum houdt in de Libische hoofdstad Tripoli rekening met een nieuwe burgeroorlog. Het zijn de harde consequenties van hun deelname in de frontlinie van de Arabische revoluties.

Toch vinden ze alle vijf de opofferingen de moeite waard. Zonder twijfel zouden de actievoerders zó weer de straat op gaan. ‘Het was geen politieke maar sociale revolutie’ zo vertelt de Egyptische Hassan. Lamlum ziet in de Libische hoofdstad Tripoli ‘steeds meer groepen, zoals staatlozen en Imazighen hun rechten opeisen’.  Kunstenaar Oulmane constateert dat de Algerijnse veiligheidsdiensten ‘het zich niet meer kunnen permitteren om op mensen te schieten’.

Terwijl leiders in Noord-Afrika en West-Azië moesten vechten voor hun politieke leven, stond de gevestigde orde ook elders in de wereld op haar grondvesten te schudden. Het wemelt van de analyses over steeds lagere verkiezingsopkomst, politieke versnippering, afnemend vertrouwen in politieke bewegingen en een groeiende populariteit van anti-systeem partijen. De democratie heeft, wereldwijd, betere tijden gehad. Wat betekent dit voor democratieën in spe?

Hoe is de startpositie van politieke partijen in Noord-Afrika? Heeft het onder deze omstandigheden nog wel ‘zin’ om te proberen vanaf nul een democratie op te bouwen? Of had het met een andere strategie heel anders kunnen lopen? Vijf mensenrechtenactivisten over tien jaar sociale en politieke strijd in Noord-Afrika. In dit eerste deel komen de Tunesische Esghaier Chamakh, Mozn Hassan uit Egypte en de Libische Tariq Lamlum aan het woord.

 

Tunesië

President Zine El Abidine Ben Ali (1936- 2019) vluchtte op 14 januari 2011 naar Saoedi-Arabië. In de jaren daarna is gewerkt aan de opbouw van een democratie. Tunesië stond tien jaar lang bekend ‘het enige succes van de Arabische lente’. In de tussentijd is veel gelukt: vrije verkiezingen en democratisch gekozen gemeenteraden, een nieuwe grondwet, en verschillende onafhankelijke toezichthouders. Maar deze basis heeft zich nooit kunnen stabiliseren. Politieke partijen raakten voortdurend met elkaar in conflict, terwijl het met de economie bergafwaarts ging. Eind juli 2021 pleegde de twee jaar daarvoor vrij gekozen president Kais Saied een machtsgreep. Hij schorste het parlement en schrapte de grondwet. Hij regeert alleen nog per decreet. Oppositie wordt door de politie geïntimideerd en er zijn enkele kritische volksvertegenwoordigers en journalisten opgepakt.

Esghaier Chamakh (35) is socioloog. Voor de machtsgreep werkte Chamakh als journalist,  tegenwoordig is hij een van de trekkers van de verzetsverzetsbeweging ‘burgers tegen de staatsgreep’. Hij zat vóór de revolutie van 2011 regelmatig in de cel wegens verzet tegen de dictatuur van Ben Ali, en staat bekend als de jongste politieke gevangene van Tunesië ooit.

Esghaier Chamakh. Foto via Faïrouz ben Salah.

Hoe zou je de huidige situatie beschrijven?

‘Alles zit geblokkeerd. We zitten opgescheept met een autocraat die alle macht in handen heeft en dat doet in naam van “het volk”. Saied sloopt alles wat wij in tien jaar hebben opgebouwd. Daarbij is er de economische crisis, die voor de revolutie is begonnen en daarna verergerde. Tunesië was altijd voorloper op terrein van democratie en individuele vrijheden. Nu ligt alles aan diggelen.’

Hoe heeft het zover kunnen komen?

‘Wanhoop en ontgoocheling’. De afgelopen tien jaar waren een aaneenrijging van politieke chaos en conflicten over ideologie. Zo kwam van sociaaleconomische politiek niets terecht. Veel Tunesiërs hebben nooit van de democratie kunnen profiteren. Er was geen strategie, geen programma. Het imago van politici is helemaal geruïneerd, mede dankzij een reeks corruptieschandalen. Dit alles heeft, net als elders in de wereld, geleid tot de opkomst van populisme. Maar Tunesië zit ook nog eens onder de plak van de Golflanden. De Emiraten en Saoedi- Arabië hebben er een strategie van gemaakt democratieën in de regio kapot te maken.’

Had dit met een andere strategie voorkomen kunnen worden?

‘Ja, er zijn verschillende dingen niet goed gegaan’. Na de revolutie is de kliek van het oude regime erin geslaagd het debat te reduceren tot alleen het punt van Ben-Ali en zijn familie. Totaal fout, wij zitten vast aan een heel systeem! Maar wij, de revolutionairen, konden daar niet tegenop. Het snelle vertrek van Ben-Ali kwam als een totale verassing. Wij waren nergens op voorbereid. Ten tweede was de groep revolutionairen veel te divers en niet gestructureerd. Het ging in eerste instantie vooral om sociaaleconomische verbeteringen.’

Welke weg heb je persoonlijke afgelegd?

‘Vrijheid staat voor mij op nummer één. Al vóór de revolutie richtte ik mij daarom op bevrijding van de dictatuur van Ben-Ali. Na 14 januari 2011 dacht ik: nu kan ik mijzelf op sociaaleconomische rechten gaan concentreren. Het economisch model van Tunesië moet volledig op de schop. Nu ben ik helaas weer terug bij af. Straks, als de vrijheid weer bevochten is, pak ik de strijd voor sociaaleconomische rechten weer op.’

Wat is het verschil in strategie tussen de huidige beweging tegen de staatsgreep en die van het verzet tegen de dictatuur van vóór 2011?

‘Die strategie passen wij, net als voor de revolutie, elke dag aan.’

‘De nieuwe generatie beschouwt vrijheid als vanzelfsprekend. Maar dat is het niet! Nergens.’

Hoe kan het toch dat Tunesische maatschappelijke organisaties, die na 2011 juist zo tot bloei zijn gekomen, zich altijd buiten de politiek hebben gehouden?

‘Dat is een complex verhaal. Ten eerste hebben politici een slecht imago. Voor 2011 bestond “politiek” niet. Daarnaast: het ontwikkelen van politiek bewustzijn kost heel veel tijd. Wij zaten in een overgangssituatie naar een nieuwe generatie met een eigen agenda en politieke houding. Ook hadden we te kampen met een slechte invalshoek. Het oude regime zette haar macht in om het beeld van de revolutie, democratie en vrijheid volledig zwart te maken. Mensen zagen vrouwen in niqab, mannen met baarden en mensen die nonsens uitkraamden. Vergeet ook generatie Z niet. De nieuwe generatie zit de hele dag online, zien de hele wereld en denken heel anders. Zij beschouwen vrijheid als vanzelfsprekend. Maar dat is het niet! Nergens.’

Hoe nu verder? Hoe kan, als president Kais Saied vertrokken is, een nieuwe terugkeer naar de dictatuur voorkomen worden?

‘Gaten dichten. Bijvoorbeeld door een Constitutioneel Hof te creëren, die Saied juist heeft tegengehouden. Wij moeten mechanismen inrichten die de democratie en de rechtsstaat beschermen.’

 

Egypte

Ruim drie weken durende massaprotesten maakten op 11 februari 2011 een einde aan het bewind van autocraat Hosni Mubarak (1928-2020) Iets meer dan een jaar later won president Mohamed Morsi van de moslimbroeders de eerste vrije verkiezingen. Morsi werd op zijn beurt in 2013 afgezet door generaal Abdel Fattah al-Sisi. Sindsdien is Egypte weer een dictatuur.

Mozn Hassan (42) is oprichter van het Nazra centrum voor feministische studies. Ze won verschillende mensenrechtenprijzen. Na een lang juridisch proces kreeg Hassan in oktober 2021 gelijk in een beroepsprocedure tegen een reisverbod en de bevriezing van haar bezittingen wegens vermeende schending van het ontvangen van het verbod op het buitenlandse financiering.

Je hebt jouw organisatie opgericht in 2007, vier jaar voor de revolutie. Wat was dat voor tijd?

‘Het was een tijd vol veranderingen. Er leek een kentering op gang te zijn gekomen. Steeds meer mensen begonnen met bloggen. Met Nazra wilde ik het feminisme zelf handen en voeten geven. De Egyptische staat had het zich toegeëigend en gebruikte het voor eigen politiek gewin, nu doet al-Sisi hetzelfde, al is er in de tussentijd veel veranderd.’

Mozn Hassan. Foto via Faïrouz ben Salah

Wat herinner je van de opstanden in 2011? Zag je iets aankomen?

Ik voelde dat er iets ging veranderen, al wist ik natuurlijk niet precies hoe en wat. Na de val van Ben-Ali in Tunesië dachten wij: misschien is dat hier ook mogelijk. Het waren heel bijzondere dagen. De sfeer was goed. Maar als feministe voer je altijd een dubbele strijd: tegen de dominantie van mannen én tegen de dictatuur. Achteraf denk ik dat wij die feministische invalshoek steviger hadden moeten neerzetten.’

Sinds 2013 is Egypte weer een dictatuur. Toch noem je wat er in 2011 plaats vond een ‘revolutie’, waarom?

‘Ik kijk naar wat er in samenleving is gebeurd. Het Egypte van 2011 is niet te vergelijken met het Egypte van 2021. Individuele vrijheden staan op de agenda, er zijn talrijke maatschappelijke organisaties en netwerken bijgekomen. Ons land heeft nu een LGBT- beweging. De wetgeving op het gebied van seksueel geweld is veel strenger geworden, en er kwam een wet om de identiteit te beschermen van vrouwen die aangifte doen van seksuele intimidatie of aanranding. Vóór de revolutie was dat allemaal onvoorstelbaar.’

Had het met een andere strategie anders kunnen lopen?

‘Zeker! Maar het probleem is dat wij geen veilige ruimte hebben om over strategieën en tactieken na te denken. Er wordt voortdurend jacht gemaakt op activisten en maatschappelijke organisaties, dat maakt reflectie en strategie wijzingen een onmogelijke opdracht.’

Hoe heeft de revolutie jouw persoonlijke leven beïnvloed?

‘Na 2011 is alles veranderd. Ik word bedreigd, ben vrienden verloren. Justitie legde een reisverbod op en bevroor mijn bezittingen. Het leven is zwaar, af en toe kan ik niet meer. Maar het activisme heb ik van mijn moeder geërfd. Het zit in mijn genen, en ik ben het aan haar verplicht door te gaan.’

‘Ons land heeft nu een LGBT- beweging & de wetgeving op het gebied van seksueel geweld is veel strenger geworden. Vóór de revolutie was dat allemaal onvoorstelbaar.’

Hoe kijken mensen in Egypte nu tegen instituties en politieke partijen aan?

‘Daar kan ik weinig over zeggen omdat, zeker in Egypte, alle cijfers gemanipuleerd worden. Maar je ziet wel dat de nieuwe generatie organisaties andere vormen kiezen. Er is veel meer diversiteit.’

Waarom denk je dat het zo moeilijk is om in deze regio, Noord-Afrika/ West Azië een democratie op te bouwen?

‘De structuren zijn heel diep geworteld. Maar de blik is te beperkt, de internationale gemeenschap heeft de neiging zich blind te staren op de politiek. Je moet de ontwikkelingen in een breder perspectief zien, en ook sociale veranderingen mee nemen.’

Wat zijn je verwachtingen van de toekomst op middellange en op lange termijn?

‘Voor de korte termijn ben ik niet optimistisch. Ik geloof niet dat er veel gaat veranderen. Maar voor de langere termijn wel. De nieuwe generatie is anders.’

 

Libië

De opstand in Libië begon in februari 2011 en eindigde in oktober 2011 met de moord op kolonel Muamar Khadafi (1942-2011). In maart 2011 greep de NATO in. Een eerste poging om een democratie op te bouwen leidde in mei 2014 tot een ingewikkeld geopolitiek conflict.  Het olierijke land viel uiteen in een westelijk deel, geleid door een door de Verenigde Naties erkende regering, en een oostelijk deel dat in handen kwam van krijgsheer Khalifa Haftar. Haftar kon rekenen op steun van onder andere de Emiraten, Saoedi-Arabië en Frankrijk. Beide kampen gingen in oktober 2020 akkoord met een door de Verenigde Naties geïnitieerd vredesproces.  Sinds maart 2021 heeft Libië weer één interim-regering. Voor 24 december 2021 staan nieuwe presidentsverkiezingen gepland.  Tariq Lamlum is 37 jaar oud en oprichter van BElaady, een organisatie die zich inzet voor de rechten van migranten. Lamlum zat in 2011 in Benghazi, de stad waar de opstanden begonnen en die als eerste van Khadafi bevrijd raakte.

Tariq Lamlum. Foto via Faïrouz ben Salah

Hoe zagen de dagen vóór de opstand eruit?

‘De situatie was stabiel. Veel mensen voelden zich ontevreden over de kwaliteit van het onderwijs en zorg. Mensen gingen naar Tunis om betere medische zorg te krijgen. Maar opstanden had ik nooit verwacht, ook niet na de opstanden in Egypte en Tunesië, en de oproepen tot protest op internet. Tot op de dag dat het begon dacht ik: dit is bij ons niet mogelijk. Het systeem is onwankelbaar. Hoewel mijn moeder het er niet mee eens was ging besloot ik mee te doen. “Mam, als mensen op straat doodgaan moet ik iets doen.”‘

Wat was het doel?

‘Er waren er verschillende. De meeste mensen wilden betere economische omstandigheden, maar de elite vocht voor een democratie. Ik wilde een beter politiek systeem, ik kom uit een familie van politiek activisten. Eerst deed ik niet mee, maar toen Khadafi de demonstranten de oorlog verklaarde kon ik niet meer thuisblijven.’

Hoe zag de strategie eruit?

In die tijd was er niet echt een strategie.  Advocaten en schrijvers waren de aanvoerders. Ik herinner mij vooral de woede, mede door de doden die er vielen. En er brak al snel strijd uit tussen verschillende groepen.’

En hoe was die periode na de bevrijding?

‘Toen Khadafi weg was, ontstond er een andere sfeer. In hotels vonden bijeenkomsten plaats. De eerste politieke partij werd opgericht, er ontstonden organisaties, nieuwe kranten en tijdschriften. De vraag was: hoe kunnen wij vakbonden oprichten? En hoe politieke partijen? Ik had gemixte gevoelens over de sfeer waarin dit allemaal gebeurde. Er waren veel vrijwilligers en onderlinge solidariteit. We maakten ons zorgen over de oorlog in de rest van het land, iedereen wilde een steentje bijdragen.’

Hoe beoordeel je het ingrijpen van de NAVO?

‘Weinig mensen hadden wapens, maar Khadafi gooide bommen. Iedereen was verschrikkelijk bang. Wij waren blij dat er ingegrepen werd, ik ook. Ik hoopte dat het zou stoppen. De revolutie verliep in fasen. Pas nu zijn wij toe aan reflectie en kunnen we terugkijken op de consequenties van het ingrijpen en de slachtoffers.’

Hoe kun je de burgeroorlog uitleggen?

‘Tijdens de verkiezingscampagne van 2012 waren er al signalen dat het misging. Veel politieke partijen werden gesteund door gewapende groepen. Ik denk dat het “normaal” is. Ieder ander land, in dezelfde situatie, waar zoveel landen geopolitiek belang bij hebben, en wapens, zou in een dergelijke situatie vervallen. Aan de andere kant, als de internationale gemeenschap eensgezind was geweest, en een duidelijke visie had gehad, had het heel anders kunnen lopen.’

‘De oorlog en het geweld maakte dat ik in contact kwam met de zachte kant van mijzelf. Ik wilde ik iets tegenover het geweld stellen.’

Hoe is de samenleving veranderd?

‘Er is meer verdeeldheid, meer criminaliteit. Ook de kwaliteit van overheidsvoorzieningen is achteruit gegaan. Dit veroorzaakte nieuwe problemen. Allerlei meningsverschillen en conflicten die onder Khadafi verdrongen werden, kwamen bovendrijven. Ook private mediabedrijven voedde dit omdat zij elk een bepaald kamp steunden. Positief is dat individuele vrijheden en mensenrechten op de agenda kwamen. Mensen gingen ruimte claimen om te zijn wie ze zijn, minderheden en bijvoorbeeld ook staatlozen. Ze laten van zich horen.’

Wat is er voor jouw persoonlijk veranderd?

‘De oorlog en het geweld maakte dat ik in contact kwam met de zachte kant van mijzelf. Ik wilde ik iets tegenover het geweld stellen. Ik ging mij inzetten voor migranten door de geschiedenis van mijn zusje, die in 2000 gedwongen werd te vluchten. Wat zij moest meemaken, haar kwetsbaarheid in Europa, heeft mij diep geraakt.’

Als je nieuwe organisaties vergelijkt met organisaties van voor de opstanden, wat valt je dan op?

‘Voorheen was er geen strategie. Maar de nieuwe generatie organisaties heeft een visie, een strategie en zijn beter georganiseerd. Vastberaden. Ondanks geweld, moorden en onderdrukking gaan ze door. Ik ben trots daar deel van uit te maken. Voor politieke partijen is het een heel ander verhaal. Onder Khadafi waren alle politieke partijen verboden, er was een totale leegte. Humanitaire organisaties bestonden toen wel al. Daardoor hebben politieke partijen een heel slecht imago in Libië. In de schoolboeken van voor 2011 stond dat politieke partijen “landverraders” waren. Dat beeld krijg je er niet zomaar uit.’

Waarom denk je dat het zo moeilijk is om in deze regio, Noord-Afrika/ West Azië een democratie op te bouwen?

‘Dat heeft een lange geschiedenis, de meeste landen in de regio hebben een koloniaal verleden. Dat heeft nog steeds consequenties. Ook onder Khadaffi werkte die afhankelijkheid door, en tot op de dag van vandaag zijn zie je de sporen ervan. Wij hebben nog te weinig tijd gehad om een omgeving te creëren voor de democratie. In ieder geval geloven mensen nu dat niemand in zijn eentje kan regeren.’

Wat moeten partijen in Libië doen om het vertrouwen terug te winnen?

‘Zij moeten in algemeen belang gaan denken. Zij zijn nu alleen nog gericht op zichzelf en hun eigen doelgroepen. Als zij gaan denken in programma’s, strategieën dat zou ontzettend helpen.’

Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door een werkbeurs van Het Steunfonds Freelance Journalisten.

Faïrouz ben Salah woont en werkt in Tunesië en is analist en journaliste.

Meer lezen?

Deze website gebruikt cookies om uw ervaring te verbeteren. Door op de 'accepteer' knop of andere links in de site te klikken, geeft u aan hiermee akkoord te gaan.