Groene professionals op bezoek – Take aways
Tijdens een warme week in juni kreeg het Grote Midden Oosten Platform bezoek van een tiental activisten, boeren en onderzoekers uit Tunesië, Palestina, Libanon, Irak en Syrië. Dit was in het kader van het Green MENA Network; een netwerk dat het Grote Midden Oosten Platform initieert en waar mensen en organisaties zijn aangesloten die zich in de regio bezighouden met alles wat leidt tot een groenere (en eerlijkere) regio.
Drie dagen lang voerden zij gesprekken en hadden ze ontmoetingen met collega’s in Nederland. Centrale thema’s op het programma waren voedselsoevereiniteit, vervuiling als gevolg van zware Europese industrie en grondstoffenextractie.
Nadat we onze gasten weer hadden uitgezwaaid, was het tijd om met onderzoeksjournalist Eline Derakhshan te reflecteren. Eline was er alle dagen bij geweest, en zij heeft veel ervaring in de regio. Een aantal onderwerpen sprongen er de drie dagen met Green MENA mensen uit.
Europa is geen buitenstaander bij misstanden (ook al lijkt dat misschien zo)
Hoewel het niet altijd zichtbaar is, blijkt Europa vaak betrokken bij vervuiling van land, lucht en water in landen als Tunesië en Irak. Een voorbeeld van die betrokkenheid kregen we van de Tunesische activist en onderzoeker Saber Ammar.
De kustregio Gabès, in zuidoost Tunesië, lijdt al decennia onder ernstige bodem-, lucht- en kustvervuiling vanwege de fosfaatindustrie. In plaats van gehoor te geven aan oproepen en campagnes van de lokale bevolking en de industrie stil te leggen, is recent besloten dat deze juist wordt uitgebreid en dat de productie van groene waterstof aan de zware industrie in Gabès zal worden toegevoegd. De productie van groene waterstof is, ondanks het woordje “groen”, helemaal niet schoon. Sterker nog, het levert heel veel milieuschade op. Daarnaast is het grootste deel van de groene waterstof bestemd voor de Duitse markt. Het energiearme Tunesië wordt zo gebruikt om de ‘klimaatvoetafdruk’ van Duitsland te verkleinen.
De productie van groene waterstof vergt heel veel (koel)water. “Waarom zou je in godsnaam zo’n productie op gang zetten in een land wat enorme watertekorten heeft?” vraagt Ammar zich af. Er wordt extra water beschikbaar gemaakt door ontzilting van zeewater. Maar dat kost veel energie, en het kustwater wordt daardoor nog zouter, boven op de fosfaatvervuiling die er al was. Vissers moeten hierdoor almaar verder de zee op om vis te vinden. Dat kost niet alleen tijd maar is riskant omdat ze daar de Libische kustwacht tegen kunnen komen, die met instemming van Europa gewelddadig optreedt tegen alles wat vaart om potentiële migranten tegen te houden.
Het is een optelsom van vervuiling die ertoe leidt dat de lokale bevolking lijdt onder het Europese “klimaatbeleid”. Hetzelfde geldt overigens voor Nederlandse bedrijven die actief zijn in de tuinbouw in Tunesië. Dat is een water-intensieve vorm van voedselproductie, waarbij het schaarse water via groenten als tomaten, naar Europa wordt geëxporteerd. Het is, net als die groene waterstof eigenlijk een vorm van neokolonialisme, waar Europa schaarse middelen gebruikt buiten haar eigen grenzen en waar Tunesië feitelijk de prijs betaalt, zeker als het gaat lokale gemeenschappen.
Dat brengt ons bij het tweede punt dat veelvuldig aan de orde kwam in de gesprekken met onze bezoekers: Europese en Nederlandse overheden en financiers werken regelmatig met corrupte regimes en overheden.
‘Gepaste zorgvuldigheid’ en mazen in de wet
Wil je in Europa ondernemen (binnen of buiten de Unie) dan moet je bij het inrichten van een productieplek, zoals een fabriek, altijd goed opletten dat je dat doet zonder schade aan de directe omgeving aan te richten. Hoe deze ‘Due Diligence’ (gepaste zorgvuldigheid) in de praktijk buiten de Unie vaak niet werkt, of hoe bij vastgestelde schade de herstelbetalingen gewoon in de diepe zakken van corrupte regimes terechtkomen, werd uitgelegd door de Irakese activist en onderzoeker Jamal Al Sayegh (omwille van veiligheidsredenen gebruikt hij een pseudoniem).

Hij deed onderzoek naar de vernietiging van moerasgebieden door oliebedrijven in zuid-Irak. Dit landschap van ruim 35.000 kilometer vormde een uniek ecosysteem, de zogenaamde Marshes[1]. Met de drooglegging van uitgestrekte gebieden verdwijnt ook een eeuwenoude cultuur die draait om een landschap van riet, water, buffels en de lokale moerasbevolking die zelfvoorzienend was. Iraanse en Irakese overheden faciliteren de drooglegging van moerasland, opdat oliebedrijven putten kunnen slaan en olie kunnen oppompen. Lokale vissers mobiliseren de bevolking om hier een eind aan te maken, met gevaar voor eigen leven. En hoewel de bedreiging komt van Irakese autoriteiten en lokale milities, zijn de internationale oliebedrijven die hier hun olie oppompen zeker niet onschuldig.
De immense impact en vervuiling waarmee lokale gemeenschappen het leven onmogelijk is gemaakt, is overal zichtbaar. Dat lokale burgers gevaar lopen, voor de rechter moeten verschijnen of het land ontvluchten is bepaald geen geheim. Maar omdat de oliebedrijven in conglomeraten functioneren, is directe verantwoordelijkheid lastig te bewijzen.
Shell
Een grote Europese partij in dit gebied is het Franse bedrijf Total. Maar Jamal vertelde dat tot 2018 Shell (toen nog een Nederlands bedrijf) actief was in dit gebied, en daar zeven á acht jaar heeft bijgedragen aan de vervuiling en een infrastructuur heeft gebouwd om de vervuiling voort te zeten. Een oliebedrijf kan zich terugtrekken, maar die infrastructuur wordt overgenomen en verkocht. Het is niet zo dat Shell alles weer netjes in oorspronkelijke staat heeft teruggebracht en toegebrachte schade heeft hersteld.
We werden er door onze gasten uit Irak ook nog fijntjes op gewezen dat Irakezen niet vrij zijn om hun eigen leiders te kiezen. In dit land kan alleen een president worden benoemd die de goedkeuring heeft van zowel de VS als Iran. Bovendien hebben de Amerikanen controle over de olie-inkomsten van Irak – dat is over 90% van de Iraakse begroting. Deze inkomsten worden sinds 2003 beheerd via de Federal Reserve Bank van New York. Er is dan ook geen sprake van een autonoom land waar lokale gemeenschappen het voor het zeggen hebben en waar toezicht en inspraak is en waar je je kan beroepen op “due diligence”.
Ook als er goede bedoelingen zijn (zoals zorgen voor werkgelegenheid in het gebied, of het inzetten van de warmte en zon in de regio), wordt er vaak niet holistisch gekeken naar een gebied of een zakelijk project. Het gevolg is dat bevolking noodgedwongen wegtrekt uit landelijke gebieden in landen als Tunesië en Irak, richting steden, waar geen werk voor ze is. Soms vertrekken ze dan naar plekken waar het beter is, de tomaten achterna. Dan worden het ‘gelukzoekers’.
Wie zijn de experts?
Een derde punt dat steeds naar voren kwam was hoe lokale kennis van land, ecologie en oplossingen soms over het hoofd wordt gezien door buitenlandse partners. In de meest extreme vorm is dat het geval in Palestina. Margarita Kharoufah van het Applied Research Institute in Jeruzalem merkte op hoe bizar het is dat Nederland en Europa Palestijnse boeren proberen te steunen, terwijl de belangrijkste reden dat die boeren het moeilijk hebben is dat ze leven onder de Israëlische militaire bezetting. Ze hebben te maken met vernietiging van hun watersystemen, bomen die uit de grond worden getrokken, en groeiende onbereikbaarheid van hun akkers. Wat die boeren echt zou helpen is als Europa zou stoppen Israël de hand boven het hoofd te houden, maar dat doet het niet.
Een ander voorbeeld van hulp die vraagtekens oproept, werd gegeven door journalist Faïrouz Ben Salah uit Tunesië. Het betreft een zadenbank in Europa waar zaden worden bewaard uit diverse landen, waaronder Tunesië. Als puntje bij paaltje komt en er beroep wordt gedaan op die zaden door boeren zelf, krijgt 90% van hen daar geen toegang toe. Voor wie bewaart men dan de zaden als mensen hun eigen zaden niet eens kunnen bereiken?
Over zaden had Ansar Al Jasim nog meer te melden. Zij is een Duits-Irakese onderzoeker en activist die in Syrië en Irak werkt met boeren en landbouworganisaties. De hele internationale zadenmarkt is in handen van een aantal grote zadenbedrijven, en die produceren hoofdzakelijk hybride zaden die zichzelf niet voortplanten. Boeren kunnen die één seizoen gebruiken. Dat betekent dat een boer elke jaar nieuwe zaden moet kopen, met bijbehorende pesticides. Dus dat is een goed verdienmodel voor zadenbedrijven. “De hulp van internationale hulporganisaties aan boeren in Syrië, bestaat uit hybride zaden. Zo worden die boeren meteen het systeem binnengeleid en worden ze afhankelijkheid van buitenlandse zaden-, mest- en pesticidebedrijven.”
Terwijl het ook anders kan, duurzamer, zoals de Syrische boer Azzat ElMohamed laat zien. Hij was uitgenodigd voor het programma, maar Nederland weigerde hem een visum te geven. Azzat is een sleutelfiguur in lokale initiatieven om inheemse zaadsoorten te vermeerderen en te behouden. De afgelopen jaren heeft hij boeren opgeleid, zaaduitwisselingen tussen regio’s ondersteund en geholpen bij de wederopbouw van de landbouw in door oorlog getroffen gemeenschappen. Toen recent boeren in de Syrische kuststreek hun akkers en boomgaarden vernietigd zagen bij lokaal geweld, hebben hij en andere boeren zaden en stekjes uitgedeeld om ze weer op weg te helpen. En dat zijn zaden van gewassen die al honderden, duizenden jaren in het gebied worden verbouwd, die bij de cultuur horen en die bestand zijn tegen de weersomstandigheden.

Onze gasten benadrukten stuk voor stuk dat we het niet over voedselzekerheid moeten hebben, maar over voedselsoevereiniteit. Voeding is niet een kwestie van voldoende calorieën binnen kunnen krijgen om te overleven. Het is ook het doorgeven van cultuur, van geschiedenis, van verbinding met het land. Erika Akkari, boer en activist uit Libanon, heeft op haar arm een tatoeage van het oergraan salamouni, ze heeft het zelf verbouwd in de Bekkaa-vallei. Voor haar betekent het graan zo veel meer dan voedsel.
Lokaal en holistisch
Concluderend stellen we vast: Van moerasbewoners die het opnemen tegen oliegiganten, tot jongeren die besluiten dat ze biologisch willen boeren en eerlijk voedsel willen verbouwen voor de lokale gemeenschap, in het Green MENA Network zijn genoeg mooie voorbeelden. We kunnen vanuit Nederland een verschil maken in de West-Azië en Noord-Afrika regio door niet met partijen in zee te gaan die over lokale gemeenschappen heen kijken, maar juist lokale initiatieven te ondersteunen die met een holistisch perspectief te werk gaan. Dat is soms kleinschalig, maar door samenwerking en bundeling van krachten versterken we hun positie en impact.
Lees meer over de situatie in Gabès in dit artikel.
Lees meer over de olie-industrie in zuid-Irak in dit rapport.
Het bezoek van de activisten, onderzoekers en boeren maakte deel uit van ons Green MENA Network-project, dat tot doel heeft groene actoren een centraal te maken in de Nederlandse ontwikkelingshulp en handelsbetrekkingen met West-Azië en Noord-Afrika. Het werd mogelijk gemaakt dankzij de steun van deze organisaties.

[1] https://en.wikipedia.org/wiki/Mesopotamian_Marshes
Deel dit bericht via


