Stichting Het Grote Midden Oosten Platform

Stichting het Grote Midden Oosten Platform is een feit! Met de vastlegging van de statuten bij notariële akte is de transformatie van een vrijwilligersinitiatief naar een professionele organisatie vandaag bezegeld.

Deskundigheid en humanisering

Het Grote Midden Oosten Platform nuanceert en humaniseert het beeld van het Midden-Oosten. Ons gereedschap daarbij zijn objectiviteit en deskundigheid. Niet angst en stereotypen zouden onze relaties met het Midden-Oosten moeten bepalen, maar kennis, begrip en menselijkheid. Als Grote Midden Oosten Platform geloven wij namelijk dat het in ieders belang is de tegenstellingen in onze samenleving, en tussen binnen- en buitenland, te verkleinen.

Vanaf oktober 2015 is het Grote Midden Oosten Platform al actief in nieuwe vorm, en bieden wij iedereen onze expertise aan die beter wil begrijpen wat er in het Midden-Oosten speelt en hoe dat zich verhoudt tot mondiale ontwikkelingen.

Bundeling van krachten
Het Grote Midden Oosten Platform bundelt de krachten van de vele Midden-Oosten experts die Nederland rijk is. Deze deskundigen zijn gepassioneerd en betrokken. Wij benutten hun brede ervaring rond verschillende thema’s door middel van trainingen, analyses, en publicaties. Alles op maat, de juiste deskundige bij het juiste vraagstuk.

Inmiddels hebben negentien Midden-Oosten deskundigen zich bij het Grote Midden Oosten Platform aangesloten. Onze database met een grote variatie aan deskundigen is gegroeid tot meer dan honderd namen en biedt ruime ervaring op landen- en themagebied.

Diensten van het Grote Midden Oosten Platform
Een selectie uit ons aanbod:

  • Ontwikkelen, beheren of evalueren van (ontwikkelings)programma’s in het Midden-Oosten
  • Analyses (politiek, cultureel, sociaal) van ontwikkelingen in (landen in) het Midden-Oosten
  • Adviseren over markt- en bedrijfscultuur in de regio
  • Informeren over achtergronden van asielzoekers en vluchtelingen in de vorm van presentaties, masterclasses of beleidsadvies

 

Opvang en integratie vluchtelingen uit Syrië en Irak
Op dit moment wordt het Grote Midden Oosten Platform regelmatig benaderd over de opvang en integratie van vluchtelingen uit het Midden-Oosten. Wij hebben een methode die uitgaat van de ‘urban village’ en die duurzame integratie als doel heeft. Maar we adviseren ook over het selecteren en begeleiden van mensen die in de arbeidsmarkt worden opgenomen, en we bieden begeleiding aan werkgevers, gemeentes en scholen (motiveren van vluchtelingen, training organisatieculturen, landen-specifieke lezingen, omgaan met weerstand, Masterclass vluchtelingen of islam, training non-identity).

Samenwerking
Het Grote Midden Oosten Platform werkt actief samen met organisaties op het gebied van kunst en cultuur, media, vluchtelingen, mensenrechten, en opinievormers om een breder en vollediger beeld van het grote Midden-Oosten te laten zien.

Website
Op onze website www.hetgrotemiddenoostenplatform.nl publiceren wij regelmatig achtergrondverhalen over cultuur en samenleving in de regio die loopt van Marokko tot Afghanistan. Onze experts publiceren daarnaast regelmatig in de media. Zie bijvoorbeeld het artikel deze week op de Correspondent.nl over de Syirsche dichter Adonis en burgemeester Aboutaleb.

 

“Revolutie is geen voetbalwedstrijd van negentig minuten”

Hij maakt makkelijk vrienden in Nederland, en looft het Nederlandse gevoel voor rechtvaardigheid.
“Jullie zijn maatschappelijk betrokken. Wat nieuw is, vergeleken met mijn laatste bezoek, is de vluchtelingenkwestie. In het Europese debat wordt geen onderscheid gemaakt tussen vluchtelingen en overige migranten. Een vluchteling komt uit een oorlogsgebied waar hij zijn leven niet zeker is. Om humanitaire redenen moet hij met familie worden opgevangen tot de oorlog voorbij is, dan teruggaan. Andere migranten willen naar Europa voor betere leefomstandigheden. Het gastland beoordeelt of het je nodig heeft. Als een Syriër al drie jaar in Egypte heeft geleefd en zijn kinderen daar naar school zijn gegaan, en hij komt dan naar Europa, is hij geen echte vluchteling. Het verwarren van deze termen is schadelijk voor echte vluchtelingen.”

De aanrandingen in Keulen met Oud en Nieuw doen denken aan de seksuele intimidatie op het Tahrirplein tijdens de Egyptische revolutie.
“De aanrandingen op het Tahrirplein waren in scène gezet door de regering om het imago van de revolutie te beschadigen. Ik bivakkeerde er ook tijdens de 18 dagen-revolutie. Een derde van de demonstranten was vrouw. Ze sliepen op straat, er is niet één geval van seksuele intimidatie gemeld. Daarna stuurde het veiligheidsapparaat betaalde knokploegen, baltagiya, om vrouwen lastig te vallen.
“Ik ben als individu ook niet verantwoordelijk voor wat mijn etnische groep doet. Natuurlijk heb je Arabieren die zich vreselijk gedragen, maar je kunt niet zeggen dat alle vluchtelingen verantwoordelijk zijn voor wat er in Keulen gebeurde. Terroristen redeneren op dezelfde manier: Alle westerlingen zijn verantwoordelijk voor misdaden van een handvol Amerikaanse soldaten in de Iraakse gevangenis Abu Ghraib. Rechts in Europa hanteert diezelfde logica, ze mag het terroristen dus niet verwijten als zij beweren dat alle westerlingen aansprakelijk zijn voor de misstanden in het Midden-Oosten.”

De Automobielclub van Cairo vertelt het verhaal van de familie Ga’afar, die als bedienden voor de Britse rijwielclub werken in de jaren veertig als het nationalisme tegen de Britse bezetting in Egypte ontluikt. Niet alleen in de samenleving broeit het, ook in de Automobielclub. Meerdere verhaallijnen verweven zich kleurrijk en gedetailleerd tot een onderhoudende roman van bijna 600 pagina’s. Hoe moeilijk was het deze roman te schrijven?
“Tien jaar geleden had ik De Automobielclub niet kunnen schrijven. Ik voel dat ik als auteur nu op mijn best ben. Recensenten slaan De Automobielclub artistiek gezien hoger aan dan Het Yacoubian. Ik beschrijf nu in twee uur waar ik vroeger een dag voor nodig had.”

U werkt nog steeds als tandarts. Hoe combineert u dat met het schrijverschap?
“Het bijt elkaar niet. Veel schrijvers hadden medische beroepen: Zola, Tsjechov, Duhamel. Medicijnen en literatuur gaan over hetzelfde onderwerp: menselijk leed, pijn. Maar ze hebben een ander doel. De arts probeert menselijke pijn te begrijpen om die te kunnen genezen. De romanschrijver wil menselijke pijn begrijpen om die te kunnen beschrijven. Een moment van pijn is een moment van waarheid. Als je pijn lijdt, ben je jezelf. Ook als belangrijk persoon. Ik geef om mensen, of het nu is door te schrijven of door hun gebit te behandelen.

“Daarnaast moeten veel schrijvers in Egypte een beroep hebben om te kunnen leven. Onze Nobelprijswinnaar Nagieb Mahfoez werkte tot aan zijn pensioen voor de regering. Mijn tandartspraktijk stelt me in staat onafhankelijk te zijn. Ik ben nooit door de Egyptische regering betaald. Ik word betaald door mijn patiënten en mijn lezers.”

“Een gebruikelijk spel in een dictatuur is dat het ministerie van Cultuur intellectuelen koopt. Je wordt benoemd op een post in een aantal comités die nooit iets zullen produceren. Je krijgt je salaris, zolang je maar je mond houdt.”

Dat werkt niet met een tandarts die zijn patiënten vraagt hun mond te openen.
Al-Aswany schatert het uit. “Ja, dat kan je zo zeggen.”

Hoe staat Egypte ervoor, vijf jaar na de revolutie?
“Ik ben niet blij, we hebben het oude regime terug. Er zitten activisten in de gevangenis, de politiestaat is prominenter aanwezig dan tevoren, er zijn rapporten over martelingen en doden in gevangenissen en er is minder vrijheid van meningsuiting dan onder Moebarak. Ik heb dat aan den lijve ondervonden. Sinds vijftien maanden tolereert het regime mijn artikelen niet langer. Ik schrijf voor buitenlandse media: La Republica, Financial Times, New York Times. We zijn verder verwijderd van democratie dan voorheen.”

Wat gaat goed?
“Als een heerser ondemocratisch is, kan ik me niet concentreren op iets positiefs. De geschiedenis wijst uit dat een dictatuur altijd tot grote problemen leidt, zelfs als er sprake is van goede prestaties. Nasser was een groot leider én de grondlegger van de Egyptische dictatuur. Hij verbeterde het onderwijs, schiep banen voor de armen, maar na zijn overlijden stortte alles in omdat er geen democratisch systeem was dat zijn prestaties kon voortzetten.”

Maar er zijn toch wel positieve ontwikkelingen?
“We hebben geleerd dat een heerser veel zwakker is dan we dachten. Het volk was in staat in drie jaar tijd twee presidenten in de gevangenis te krijgen. We hebben ook geleerd dat je religie van politiek moet scheiden. Het volk weet nu dat de moslimbroeders, net als andere politici, alles doen om aan de macht te komen en dat ze religie gebruiken voor politieke doeleinden. Al deze zaken waren voorheen niet duidelijk in de hoofden van Egyptenaren.”

Hoe is de samenleving veranderd?
“De revolutie heeft geen politiek resultaat gehad, maar heeft wel mensen veranderd. Ze biedt een nieuwe wereldvisie. Nu kun je in de samenleving reactionaire en revolutionaire visies onderscheiden. Voor de revolutie was het wahhabisme populair, nu geloven veel Egyptenaren dat religie iets persoonlijks is, niet van de staat. Ook salafisten hebben minder aanhang, terwijl sommige sjeiks vroeger erg populair waren. Politieke resultaten komen wel, we hebben tijd nodig.”

Hoeveel tijd?
“De revolutie is geen voetbalwedstrijd van negentig minuten. Tijdens een wedstrijd kun je in de 88ste minuut zeggen: ‘Je hebt verloren’. Je kunt niet vijf doelpunten scoren in twee minuten. Kijk naar de Franse en de Russische revolutie: ook die hadden tijd nodig. Bij de Fransen was er een tegenrevolutie: het oude regime kwam weer aan de macht, iedereen werd uitgemoord, jarenlang chaos. Uiteindelijk bereik je je doel. Natuurlijk stoor ik me aan de huidige ontwikkelingen, maar ik blijf erg optimistisch.
“De revolutie is door de jeugd tot stand gebracht. Nu kun je in één en hetzelfde huis twee verschillende meningen aantreffen: die van de ouders en die van de jongeren. Zestig procent van de Egyptenaren is onder de veertig, zij hebben de toekomst.”

Jongeren zijn gefrustreerd.
“Natuurlijk. We hebben ons verlost van religieuze fascisten, maar hebben het oude regime ervoor teruggekregen. De jeugd heeft kameraden in de cel zitten. Er geldt een protestwet: schrijf iets op een stuk papier, en je kunt voor tien jaar de gevangenis in. Veel jongeren proberen het land te verlaten. Ik probeer ze ervan te overtuigen dat frustratie erbij hoort.”

De ontwikkelingssector en de civil society staan onder grote druk onder Sisi.
“Het idee van een civil society kan nooit helder zijn onder een dictatuur. Nu worden revolutionairen er in de media van beschuldigd dat ze agenten zijn die buitenlands geld aannemen. Ook NGO’s hebben het bijzonder zwaar.

“Susan Moebarak, echtgenote van de toenmalige president, was een boegbeeld van het maatschappelijk middenveld. Ze organiseerde prachtige evenementen, waar iedereen in vijfsterrenhotels over democratie, burgerschap en feminisme praatte. Dat was een toneelstuk. Zonder democratie bereik je geen gevoel van burgerschap. Het staatsonderwijs is slecht, de gezondheidszorg rampzalig. Hoe selecteer je een minister van Onderwijs? Vanwege zijn efficiëntie? Nee, om zijn loyaliteit. Daarmee kun je geen democratie bouwen. Eerst een regime change.”

Welke balans maakt u op, vijf jaar na de ‘Arabische Lente’?
“Een smetteloze revolutie, waarbij alle gevolgen zijn ingecalculeerd, bestaat niet. Alleen in Tunesië heeft de revolutie tot democratie geleid. Iedereen speelt een spel: in Libië, Syrië en Irak. Ik houd westerse en Arabische regeringen verantwoordelijk voor het lijden van de mensen in die landen.”

Welke bijdrage kan Europa leveren?
“Geen. Mensen die zich onbehaaglijk voelen onder de vluchtelingenstroom in Europa moeten zich afvragen of hun regeringen voldoende doen om een oplossing te bereiken zodat inwoners terug kunnen naar hun eigen land. Jullie regeringen praten mooi over principes, maar interesseren zich alleen voor hun eigen belangen. Ik vertrouw op intellectuelen, die waren ook tijdens de revolutie solidair. Westerse regeringen kunnen helpen door zich verre te houden van het conflict. Iedereen voedt het conflict, en wie betaalt de prijs? De arme bevolking. Laat ze zelf een oplossing vinden, dat is nooit gebeurd.”

Werkt u alweer aan een nieuw boek?
“Ja, het is het verhaal van de revolutie. Het heet: The republic as if. Het idee erachter is dat in een dictatuur alles eruit ziet alsof het echt is, maar het is nep. Als je geduld hebt, zal je zien of het qua onderwerp dichter bij Het Yacoubian komt of niet.”

Een laatste kwinkslag: Do you need patience or patients?
Al-Aswany schatert het opnieuw uit en bedankt voor het gesprek.

Lees hier meer over De Automobielclub.

Twee jongens uit een bergdorp en wat er verder van kwam

Het was 1944, de Tweede Wereldoorlog was nog niet afgelopen, maar had het Syrische bergdorpje Al-Qassabin, waar Ali Ahmad Saïd Esber opgroeide, amper bereikt. De eerste president van het pas onafhankelijke Syrië, Shukri al-Quwatli, bezocht de streek en de 14-jarige Ali had het ondanks protesten van zijn vader in zijn hoofd gehaald een zelf geschreven gedicht aan het nieuwbakken staatshoofd voor te dragen.

Zulks geschiedde en het werd gewaardeerd. ‘’Kan ik iets terugdoen?” vroeg de president aan de straatarme dorpsjongen. ‘’Ik wil leren,” kwam er zonder aarzeling uit. En zo werd Ali Ahmad Saïd Esber naar een school in de havenstad Tartous gestuurd en groeide hij uit tot de belangrijkste moderne dichter in het Arabisch taalgebied – onder het nom de plûme ‘’Adonis,” de eeuwig wedergeborene.

Ruim 70 jaar later, in een Spartaans ingerichte artiestenkleedkamer in het Haagse Theater aan het Spui, rakelt Adonis de ontmoeting die zijn leven zou veranderen nog zichtbaar geëmotioneerd op. ‘’Een mythisch moment, en het mooie is: het is werkelijk gebeurd, het maakt deel uit van mijn leven. Wellicht hebben velen van ons verschillende vaders. Slechts zeer weinigen zullen op meer dan één moeder kunnen bogen. Ik ben wat dat betreft een van de bevoorrechten. De dag dat ik dat gedicht voordroeg werd ik wedergeboren, en heette mijn tweede moeder de poëzie.”

Ook Ahmed Aboutaleb groeide op in een simpel bergdorp, niet Arabisch maar Berbers, en ook hij had al op jonge leeftijd de brandende wens zich geestelijk te ontwikkelen. En ook in zijn geval kwamen zijn ambities uit: hij is op dit moment de spraakmakendste bestuurder van Nederland – en tevens een groot bewonderaar van Adonis, met wie hij een persoonlijke affiniteit voelt. Een bekentenis die aan Adonis een gulle lach en de al even grootmoedige verzuchting ‘’we zijn nu al vrienden voor het leven” ontlokt.

Tien dagen geleden, op het festival Winternachten in Den Haag, hadden de twee eindelijk de gelegenheid uitgebreid met elkaar van gedachten te wisselen. Esseline van de Sande en Carl Stellweg van het Grote Midden Oosten Platform mochten er bij zijn. Een verslag van het gesprek kunt u lezen in De Correspondent.

Caleidoscopisch Midden-Oosten in beelden gevat

De Frans-Marokkaanse fotografe en videokunstenaar Leila Alaoui was een van de slachtoffers van de aanslagen van afgelopen zaterdag op een hotel en een restaurant in Ouagadougou, de hoofdstad van Burkina Faso. Daarbij kwamen in totaal 32 mensen om.

Op uiterst wrange wijze is haar dood symbolisch. Diversiteit was een belangrijk thema in het werk van Alaoui, zoals ook duidelijk op deze biënnale in Parijs was te zien. Laat diversiteit nu net datgene zijn wat de extremisten van Al-Qaeda, die verantwoordelijke waren voor de aanslag, verafschuwen.

Alaoui, (1982, Parijs), wier werk nog in 2012 was te bewonderen op de Amsterdam Fotography Biennale, was in Ouagadougou om in opdracht van Amnesty International foto’s te maken voor een vrouwenrechtenproject. Samira Daoud, Amnesty’s plaatsvervangend directeur voor West- en Centraal Afrika, roemde Alaoui’s vermogen om een gezicht met een zekere ernst af te beelden en tegelijk de verbluffende schoonheid ervan bloot te leggen. Hoewel zij zich in haar werk veelal op vluchtelingen en migranten richtte, zette zij die nooit als slachtoffer neer. Eerder probeerde zij met haar foto’s een identiteit op te bouwen en culturele verscheidenheid te tonen. Haar foto’s zijn van een indringende menselijkheid en vertellen met een simpel beeld een heel verhaal, zonder de gefotografeerde tot exotisch object te maken.

De foto’s op de biënnale waren uit de serie Les Marocains: portretten van mensen in hun dagelijkse kleding tegen een zwarte achtergrond. In deze serie laat ze zo de verschillende gezichten van Marokko zien – een etnisch en cultureel divers Marokko dat voor de toerist en westerling vaak verborgen blijft.

De biënnale bood een uiterst diverse kijk op het Midden-Oosten, radicaal anders dan het eendimensionale beeld dat je doorgaans krijgt voorgeschoteld. Jack Lang, president van het Institute du Monde Arabe en in een vorig leven minister van cultuur en minister van onderwijs, schrijft in het voorwoord van de catalogus dat hij juist met deze tentoonstelling de verschillende gezichten van de landen in het Midden-Oosten wil laten zien, een Midden-Oosten dat volgens hem tegenwoordig ‘slachtoffer is van vooroordelen en oppervlakkige meningen’. Volgens Lang kan alleen een camera een objectiever perspectief op de Arabische wereld bieden.

Naast Leila Alaoui boden nog 42 fotografen dit objectievere perspectief op de regio, verdeeld in vier thema’s: Landschappen, Binnenwerelden, Cultuur & Identiteit en Lente.

Zo hangen er van de Libanese fotograaf en architect Joe Kesrouani epische foto’s van Beiroet. De aanblik van de wolkenkrabbers met een strakke zee op de achtergrond doet denken aan de vele manieren waarop New York gefotografeerd is en geeft de stad een enorme aantrekkingskracht.

Van de fotograaf Emy Kat (geboren in 1959 in Jeddah, Saoedi-Arabië) hangen foto’s uit de serie The Everlasting Now,waarin eenzame ruimten een vergane glorie laten zien die appelleren aan het sentiment om te behouden wat schoonheid uitstraalt, als een soort erfgoed .

De zwart-wit foto’s van de Italiaanse World Press Photo winnaar Massimo Berruti beelden Gaza en de constante zorg om schoon drinkwater uit. De fotoreeks valt onder het thema Lente. Vooral aangrijpend is de haast Escheriaanse foto van een gebouw met half ingestort trappenhuis waar twee kinderen met een jerrycan op weg zijn om water te gaan halen.

Heel anders zijn de foto’s van de Tunesiër Amine Landoulsi. Die vangen op een hele bijzondere manier de hoop en volharding van jongeren die tijdens de Arabische Lente de straat op gaan om te demonstreren voor vrijheid. Hoe hard “rock-bottom” ook is, er blijft hoop in de regio.

Een prachtige collectie van fotografen met uiteenlopende stijlen, die op een uiterst gevarieerde manier het dynamische Midden-Oosten laat zien. En het mooie van een biënnale is dat er over minstens twee jaar opnieuw een extra goede reden is om naar Parijs te gaan.

Hoe de sjeik van Jenin de derde intifada voorspelde

Een beetje onderuitgezakt zit hij op de bank. Dichtgeritst ski-jack aan, een zilvergrijs pistool (Browning) aan zijn riem. Vlak naast hem, schuin tegen de rugleuning, een zwartglanzend automatisch geweer (M-16). Askleurige vlekken op zijn gezicht: herinnering aan een bedrijfsongelukje met een voortijdig ontplofte bom.

De jongeman is Zakaria Zubeidi, commandant van de Al-Aqsa martelarenbrigades en de op dat moment door Israël meest gezochte terrorist. Zijn schuilplaats is het vluchtelingenkamp van Jenin, een roerige provincieplaats in het noorden van de Westelijke Jordaanoever, destijds de wereldhoofdstad van het zelfmoordterrorisme genoemd.

Na drie dagen intensief bellen met tussenpersonen mag ik Zakaria komen opzoeken. Ons vraaggesprek vindt plaats op drie locaties in het kamp. Hij heeft ten minste vier liquidatiepogingen door Israël overleefd en blijft nooit langer dan een half uur op één plek.

Desondanks komt hij niet nerveus over. De 28-jarige “topstrateeg van zelfmoordaanslagen” maakt met zijn slaperige oogopslag, lieve glimlach en zachte stem een meer ontspannen en ook minder ongure indruk dan zijn bodyguards, die mij aankijken alsof ze niet veel voorwendselen nodig hebben om mij om te leggen.

Toch schijnt hij met ijzeren hand over het kamp te regeren. Wie hem weerstaat kan op zijn minst rekenen op een paar gebroken vingers. Een knieschot behoort ook tot de mogelijkheden. Zelf ziet hij zich als ordebewaker en beschermer van de bevolking tegen Israëlische terreur.

Yasser Arafat is dan nog geen twee maanden dood. Over een paar dagen zijn er Palestijnse presidentsverkiezingen die vrijwel zeker zullen worden gewonnen door Mahmoud Abbas, leider van Fatah, de grootste Palestijnse politieke beweging. Abbas heeft opgeroepen tot beëindiging van de tweede intifada, die vijf jaar eerder losbarstte en door zijn zeer gewelddadige karakter de Palestijnse samenleving heeft ontwricht. De strijd om zelfbeschikking moet voortaan met geweldloze middelen worden voortgezet, is de boodschap van Arafats beoogde opvolger. Wat vindt Zakaria hiervan?

Zijn antwoord verrast me niet. Hij respecteert Abbas. Hij respecteert Fatah, waarvan hij zelf deel uitmaakt, omdat de Al Aqsa-martelarenbrigades de officieuze gewapende vleugel van Fatah zijn. Maar of hij zijn wapens neerlegt? Hij kan niets beloven.

’’Ik ben geen soldaat, maar een burger die gedwongen is afstotende keuzes te maken,” zegt hij zacht, en even legt hij zijn hand voorzichtig op zijn M-16.

Wie hem weerstaat kan op zijn minst rekenen op een paar gebroken vingers. Een knieschot behoort ook tot de mogelijkheden.

Ik vraag me af of hij die frase zelf heeft verzonnen. Iedereen die ik in Jenin spreek noemt hem zo nadrukkelijk een held dat ik het mijne van Zakaria blijf denken.

Het interview is verder niet zo opzienbarend. Minuten verstrijken zonder dat er iets bijzonders wordt gezegd. Af en toe een grapje, bijvoorbeeld wanneer ik hem vraag of hij nog tijd en gelegenheid overhoudt voor een gezinsleven: ‘’Ik heb een kind van zes maanden. Hoe denk je dat ik dat heb gemaakt? Per fax?”

Zelfs op dat soort momenten valt het me op hoe doods zijn blik is, en hoe toonloos zijn stem, hoe afgestompt hij moet zijn, alsof niets hem nog wat kan schelen, behalve zijn eer. Wat me zal inspireren tot de volgende openingszin van het interview: “De wandelende dood is 28 jaar maar ziet eruit als 18.”

Zijn moeder stierf door een Israëlische kogel, die haar trof toen ze bij een raam stond. Zijn broer kwam om in het puin van een huis dat het leger had opgeblazen. Zelf lijkt hij zich te hebben verzoend met de gedachte dat hij onder een Israëlische raket zal eindigen. Maar als ik Jenin ruim acht jaar later, in februari 2013, opnieuw bezoek, is hij nog springlevend en heeft hij naar verluidt de gewapende strijd ingeruild voor een “culturele intifada”.

Dat heeft duidelijk te maken met zijn achtergrond. Als kind speelde hij mee in het huiskamertheater van een idealistische Israëlische vrouw, Arna Mer Khamis. Daaraan kwam een einde toen zij in 1995 aan kanker overleed. Haar zoon Juliano blies haar initiatief in 2003, midden in de Tweede Intifada, nieuw leven in en bouwde het uit tot een professioneel theater, in samenwerking met niemand minder dan Zakaria, die in 2007 de gewapende strijd opgaf.

De flamboyante, niet altijd even verstandig of voorzichtig opererende Juliano Mer Khamis werd in 2011 door gemaskerde mannen doodgeschoten in zijn auto, met zijn jongste kind op schoot. De moord kan zowel door Israëliërs als door Palestijnen zijn gepleegd: in Jenin houden ze niet van indringers, en zo zag een aantal inwoners Juliano waarschijnlijk. Hij had misschien net iets te veel van een filmster – hij was ook een succesvol acteur geweest in Israël –, identificeerde zich als jood mogelijk net iets te opzichtig met de Palestijnen, wat argwaan en zelfs haat kan oproepen.

Het Freedom Theatre bestaat overigens nog steeds en gedijt goed, en dat blijft een indrukwekkende erfenis. Bij mijn weten kent geen enkel ander Palestijnse vluchtelingenkamp een professioneel theater, al zijn er wel culturele centra. Het is een van de meest aansprekende monumenten van geweldloos Palestijns verzet.

Israël zal daar anders over denken: acteurs van de eerste generatie – Zakaria’s generatie – sloten zich aan bij de al-Aqsa martelarenbrigades of de Islamitische Jihad, pleegden terreurdaden en liggen nu op het kerkhof. De meesten zijn niet ouder geworden dan 25 jaar. Het is een onwezenlijk idee dat Zakaria, hun prins der duisternis, er nog is; dat hij een nieuw bestaan als cultureel vredesactivist is begonnen en zonder M-16 en Browning door het leven gaat, in geleende tijd.

Ik zou hem best weer willen spreken, al was het maar om zijn wonderlijke carrière van kindacteur tot autodief tot meest gezochte terrorist tot theaterdirecteur met hem door te nemen, maar hij blijkt gevangen te zijn gezet – niet door Israël maar door de Palestijnse Autoriteit, die zegt hem te willen beschermen omdat Israël de amnestie die het hem had verleend, weer zou hebben ingetrokken. Zelf zal hij klagen dat de Palestijnse Autoriteit hem heeft gemarteld en hem de schuld voor de moord op Juliano Mer-Khamis in de schoenen heeft proberen te schuiven.

Deze keer dus geen Zakaria, maar wel een andere grote vis, mede gevangen door bemiddeling van Amina, een bevriende Palestijnse journaliste. De afspraak is in ieder geval gemaakt. Nu nog kijken of hij wordt nagekomen.

Als we Jenin binnenrijden, stel ik tot mijn verbazing vast dat het door oorlog gezandstraalde getto van weleer, dat ik mij alleen in sepia-kleuren herinner, is veranderd in een vriendelijk provinciestadje met een levendige middenstand.

Het ruige, rurale, onverschrokken imago van Jenin heeft me altijd geboeid, maar in 2005 deprimeerde de plaats me. De macabere kaalslag van de Tweede Intifada was schrijnend zichtbaar. De straten lagen bezaaid met afval, de muren waren bedekt met leuzen en spuitbustekeningen van kalasjnikovs en granaatwerpers, en beplakt met posters van hele families die behangen met dit wapentuig strak en wezenloos de lens in keken: van opa en oma tot en met de kleinkinderen. Sloeg je een zijstraat in, dan liep je kans oog in oog te staan met een Israëlische pantserwagen. Of met soldaten die je soms in Arabisch toeschreeuwden dat je moest oprotten: “Yalla roegh!”

Het ruige, rurale, onverschrokken imago van Jenin heeft me altijd geboeid.

Dat Jenin mede door buitenlands geld zo is opgeknapt zien sommigen als het afkopen van de Palestijnse strijd. Ik gun de inwoners wel een beetje voorspoed. En wanneer ik in winkels, bij straatverkopers en in een eetzaakje die ongeveinsde, weekmakende Arabische hartelijkheid voor de zoveelste keer onderga, vergeet ik wat Amina mij heeft gezegd: als ze in Jenin zeggen dat je weg moet gaan, kun je dat maar beter heel erg snel doen.

We zetten koers naar het vluchtelingenkamp, draaien een steegje in en betreden een zeer bescheiden woning. Op een formica tafel, een bijzettafeltje en wat kussens en matrassen na is de huiskamer leeg. Het is er steenkoud. Met dit soort grondige armoede ben ik vaker geconfronteerd, maar het went niet. Ik realiseer me dat honderdduizenden mensen zo wonen op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook, opgesloten in hun kampen, hun krotten, zonder stem, zonder toegang tot de publieke opinie, zonder middelen zich kenbaar en zichtbaar te maken.

Ik begroet twee oude mensen en twee jonge kinderen. Alle vier maken een erg verlegen indruk. Eén van de kinderen, een jongetje, wordt aangespoord mij te laten zien hoe goed hij al kan schrijven. Zijn iets oudere zusje houdt zijn hand vast en lacht hem bemoedigend toe.

Veel kinderen in vluchtelingenkampen worden min of meer getraumatiseerd geboren. Dat maakt ze soms tot monsters, en soms tot schepsels die een raadselachtige, tot bijna religieuze deemoed stemmende weerloosheid aan de dag leggen.

Na een kwartier komt er een man binnen. Hij gaat bij ons zitten, negeert mij, begint een gesprek met Amina dat klinkt als een ondervraging, knikt af en toe in mijn richting. Ik hoor Amina de naam zeggen van de krant waarvoor ik vroeger werkte: Aggemeejn Dagbjat.

Ineens ontspant de man zich. Het is of er een weldadige rimpeling over hem heen trekt. Kennelijk hebben Amina’s antwoorden zijn zorgen over mij weggenomen. Glimlachend richt hij zijn blik nu op me en hebben we een Golland-Goelliet-Van Basten-gesprekje.

Daarop vertrekken we in een oude Opel. Bij een T-kruising verschijnt een andere auto waar we achteraan gaan rijden. ‘’Ik zeg niks, OK?” fluister ik in het Engels tegen Amina. “Very good,” antwoordt ze zacht en indringend.

Vervolgens rijden we een uur lang rondjes door Jenin. Enkele malen nemen we de rotonde met het bekende kleurige standbeeld van een paard vervaardigd van schroot – afkomstig van auto’s die Israëlische tanks en bulldozers hebben geplet. Eén keer maken we op een brede doorgaande weg plotseling gevaarlijk rechtsomkeert.

De man achter het stuur belt ondertussen aan één stuk door. De toon is soms dringend, meestal gemoedelijk, geroutineerd. Midden op een kruispunt staan twee mannen die kennelijk mee moeten, een wringt zich op de achterbank naast mij. ‘Hi,’ zegt hij met een vlotte grijns, alsof we samen een leuk uitstapje gaan maken.

Ik vraag me af hoe lang deze rijdende poppenkast nog moet duren en kijk Amina verstoord aan. ‘’Stay quiet,” fluistert ze streng.

Uiteindelijk stoppen we bij een restaurant. De auto voor ons rijdt door. De deur van de uitspanning is open, maar er zijn geen klanten. We lopen een trap op en komen in een tweede ruime eetzaal, leeg op één tafel na. Daar zit een kaalgeschoren veertiger die ons wat terughoudend begroet.

Onze chauffeur verlaat ons, de twee andere mannen zijn al eerder verdwenen, Amina en ik schuiven aan. De kaalgeschoren veertiger begint te praten, op een landerige toon, alsof we voorlopig nergens naartoe gaan. Ik begrijp al snel dat hij niet de grote vis is.

Ik vraag me af hoe lang deze rijdende poppenkast nog moet duren en kijk Amina verstoord aan. ‘’Stay quiet,” fluistert ze streng.

Hij heeft het over zijn broer, die hij onlangs voor het eerst in dertig jaar heeft gezien. De broer zat in Syrië en daar kon de man niet komen. En vice-versa. De pan-Arabische solidariteit strekt zich niet uit tot visumvrij reizen. Vooral Palestijnen hebben grote moeite een reisvergunning te krijgen. Het onderdrukte, over diverse landen uitgestrooide broedervolk wordt kennelijk nogal gewantrouwd.

Ik moet denken aan wat mij ooit is verteld door Gayath Almadhoun, een Palestijns-Syrische dichter met Gazaanse wortels die lang in Damascus woonde en asiel kreeg in Zweden: “Vanuit Damascus was het onmogelijk naar Gaza te bellen. De netwerken zijn niet aangesloten. En dus kon ik pas hier in Stockholm mijn grootmoeder, die ik nooit heb gezien, voor het eerst spreken. Omdat je vanuit Zweden namelijk wel met Gaza kunt bellen, hoe bizar het ook klinkt. Zo kon ik dus ook met één telefoon mijn grootmoeder bellen, en met een andere mijn vader in Damascus, en ze via een versterker met elkaar laten praten, voor het eerst in meer dan 40 jaar.”

Met dit soort Palestijnse familiegeschiedenissen, deze absurde verhalen van ontworteling en ontheemding, is ongetwijfeld een hele bibliotheek te vullen.

Dan komt er een sms-je binnen en is het klaarblijkelijk tijd om te gaan. We verlaten het restaurant aan de achterkant, stappen in een nieuwe auto, rijden weer een stukje, stoppen in een armzalige winkelstraat.

Een deur naast een falafeltent gaat open, een smalle trap leidt naar een ruime sombere kamer. Gesloten gordijnen, een bank en een aantal reusachtige versleten fauteuils, crapauds voor King Kong.

Er hangen wat jongemannen rond die mij een glaasje sinas inschenken, een reep Twix aanbieden en over Sneijder, Van Persie en Robben beginnen. Er zit ook een jongetje bij dat een jack aan heeft waar USA op staat – dezelfde letters die op veel door Israël afgeworpen bommen en granaten prijken.

Een poster toont een man van middelbare leeftijd met een ringbaardje en naar mijn smaak professorale trekken. Hij wordt aan beide zijden geflankeerd door een jongen met een geweer. De jongens lijken erg veel op elkaar. Zoals zo vaak op dit soort posters, is de Rotskoepelmoskee in Jeruzalem op de achtergrond te zien, met daarboven gekalligrafeerde letters. Met die jongens is het waarschijnlijk niet goed afgelopen.

Daarop komt de man met de professorale trekken binnen. Hij draagt een eenvoudige trui en een modderkleurig colbert. Geen stropdas. Het islamisten-uniform. Hij knikt mij toe, gaat tegenover mij zitten, richt het woord tot Amina, die naast mij zit. Zijn stem is zacht, een tikje zalvend. Ik hoor haar zeggen dat ik een sahafi hollandi, een Nederlandse journalist, ben. Hij knikt genadig. Tenslotte kijkt hij mij aan, met ingetogen, ernstige blik.

Ahlan-wa-sahlan, welkom, zegt Sjeik Bassem al-Saadi, een van de kopstukken van de Islamitische Jihad – een organisatie die ouder en (nog) radicaler is dan Hamas en op gespannen voet leeft met laatstgenoemde beweging. Hamas distantieerde zich in 2012 in Gaza van de Islamitische Jihad omdat die maar raketten bleef afschieten. Op zijn beurt neemt de Islamitische Jihad, waarvan de Egyptische moederbeweging is opgegaan in al-Qaeda, het Hamas kwalijk dat die heeft deelgenomen aan de parlementsverkiezingen in 2006. Omdat, zo luidt het oordeel, een radicale verzetsbeweging zich niet mag laten inkapselen door een politiek proces.

Bassem al-Saadi is net uit de Israëlische gevangenis ontslagen. Vandaar al die omwegen: om de Israëlische en waarschijnlijk ook de Palestijnse geheime dienst niet meteen op de koffie uit te nodigen. Hij heeft 21 maanden vast gezeten. In totaal bracht hij bijna negen jaar van zijn leven in Israëlische gevangenissen door. Zijn vrouw is drie maanden geleden gearresteerd. Volgens Bassem is haar enige misdaad dat ze arme mensen bijstaat.

Ik wijs naar de poster waarop hij door die twee jongens wordt geflankeerd, en krijg te horen dat het zijn zonen Ibrahim en Abdelkarim betreft. Een tweeling, allebei door het Israëlische leger gedood toen ze 16 jaar oud waren, tijdens de zogeheten slag om Jenin in 2002, waarbij Israël een deel van het vluchtelingenkamp met de grond gelijk maakte. Het waren geen strijders maar vrijwilligers voor de Rode Halve Maan, licht Bassem al-Saadi onaangedaan toe.

Ik kijk nog eens naar de poster en verzuim de sjeik te vragen wat 16-jarige vrijwilligers voor de Rode Halve Maan met automatische geweren aanmoeten.

‘’U bent onze gast,” vervolgt Al-Saadi, ‘’maar dat mag mij niet beletten u voor te houden dat uw land de kanker van het zionisme moet afzweren. De uitzonderlijke loyaliteit die Nederland jegens Israël aan de dag legt vinden wij volkomen misplaatst.”

De toon is kalm, de blik blijft bescheiden. Ik zeg hem dat ik zijn grieven zal overbrengen en vraag wat hij vindt van de zogeheten popular resistance: de betogingen tegen de door Israël op de Westelijke Jordaanoever gebouwde Muur, en de beweging BDS (Boycot, Desinvesteringen en Sancties) tegen Israël. Ik ben erg benieuwd wat een man die tal van terroristische operaties zou hebben gefinancierd, vindt van het Palestijnse verzet dat sinds de Tweede Intifada een uitgesproken vreedzaam karakter kent.

‘’Ik respecteer en steun onze broeders en zusters van het vreedzaam verzet,” zegt Al-Saadi. ‘’Maar hun inspanningen volstaan niet. Was het verzet tegen de Duitse bezetters in Holland louter vreedzaam? Of het verzet tegen het Frankrijk van Pétain?”

Daar weet ik wel een antwoord op: de Nederlandse en Franse verzetslieden hadden machtige bondgenoten, waarvan ze mochten hopen dat die hen ooit te hulp zouden schieten. Voor de Palestijnen ligt dat anders. Is het dan niet verstandiger je te beperken tot vreedzaam verzet, maar dat wel massaal, eendrachtig te plegen? Met een dergelijke tactiek kreeg Mahatma Gandhi de Britten toch ook op de knieën?

De sjeik verwerpt mijn propositie. Het zou mij hebben verbaasd als hij dat niet had gedaan. Ik wil wel weten wat zijn argumenten zijn. En wat blijkt? Die zijn het aanhoren meer dan waard.

‘’De situatie op de Westelijke Jordaanoever is niet te vergelijken met die in India,’’ zegt Bassem al-Saadi. ‘’De Britten wilden het Indiase subcontinent wel exploiteren en gebruikten hiervoor de bevolking en haar leiders, maar lieten het land verder min of meer ongemoeid. Israël heeft het op ons territorium voorzien. Er is hier gelijktijdig sprake van een militaire bezetting, een agressieve kolonisering en een langzame etnische zuivering. Voor de Palestijnen is feitelijk geen plaats. Israël wil ons niet gebruiken maar verjagen, ons het leven zo zuur maken dat we zelf onze biezen pakken. Onder dergelijke omstandigheden is het onmogelijk het massale protest op touw te zetten dat u voorstelt. We zijn versplinterd. Overigens heeft Mahmoud Abbas, de meest gematigde Palestijnse leider die Israël zich kan wensen, al jaren geleden voor een vreedzame strategie gekozen. Wat heeft het opgeleverd? In Israël is het politieke klimaat alleen maar extremer en onverzoenlijker geworden. Het beleid van Abbas heeft dus kennelijk averechts gewerkt.”

Er zit wat in. Want inderdaad: hoe kunnen de Palestijnen als één man opstaan wanneer hun grondgebied bestaat uit tientallen eilandjes, omringd door een infrastructuur van onderdrukking? Wanneer ze alleen in hun eigen getto’s bewegingsvrijheid hebben, en soms zelfs daar niet eens? Misschien ligt dan de tactiek van de hinderlaag, van gewelddadige subversie, van terreurcellen, domweg meer voor de hand.

De sjeik is nog niet klaar. ‘’Israël heeft door de ongebreidelde bouw van nederzettingen een tweestatenoplossing begraven. En een eenstatenoplossing ligt minstens even ver achter de horizon. Er is geen enkele opening. Een patstelling? Dan stelt u het nog te rooskleurig voor. Er is geen status quo, Israël laat de zaak doelbewust escaleren. In de Arabische wijken van Oost-Jeruzalem, die almaar verder worden gemarginaliseerd. In de Jordaanvallei, waar de bedoeïenen worden weggetreiterd. Door de voortzetting van onteigeningen en de uitbreiding van nederzettingen. Door niet op te treden tegen het steeds agressievere gedrag van kolonisten. Door de Palestijnse Autoriteit voor schut te zetten tegenover haar eigen bevolking. Wanneer de EU en de VS Israël niet dwingen zijn extremistische koers bij te stellen, zal het vroeg of laat tot een explosie komen. Een ongecontroleerde, spontane intifada.”

Voordat Bassem al-Saadi zich terugtrekt om te bidden, zegt hij nog: “Stelt u zich eens voor dat er geen Israël was. Hoeveel beter zouden de betrekkingen tussen de Arabische wereld en de VS en de EU dan niet zijn? Maar kennelijk zijn de VS en de EU daar nauwelijks in geïnteresseerd.”

***

Wanneer de EU en de VS Israël niet dwingen zijn extremistische koers bij te stellen, zal het tot een explosie komen. Een ongecontroleerde, spontane intifada.

De voorspelling van sjeik Bassem al-Saadi lijkt ruim twee jaar later aardig te zijn uitgekomen. Een messen-intifada noemen de Israëliërs het, een ongeorganiseerde (maar wel door al-Saadi’s organisatie aangemoedigde), suïcidaal aangedreven opstand, waarbij Palestijnse jongeren willekeurige Israëliërs met primitieve steekwapens aanvliegen in het volle besef dat ze grote kans maken hun actie niet te overleven; en waarbij Israëliërs – soldaten, politie, kolonisten, burgers – bij het minste onraad de trekker overhalen: en dan vaak niet één of twee keer, maar zes, zeven, acht keer. Dus niet om te neutraliseren, zoals ze zelf zeggen maar om te liquideren.

De manier waarop Israëliërs en Palestijnen elkaar doden is nog nooit zo persoonlijk, zo intiem, zo rauw en existentieel geweest.

Toen Zakaria Zubeidi mij vertelde dat hij een burger was die afstotende keuzes moest maken, zette ik daar mijn vraagtekens bij. Nu geloof ik dat hij oprecht was, zonder dat ik zijn methodes goedkeur. Hoe dan ook denk ik niet langer dat hij in de kern een misdadiger is.

Zou Zakaria, in het licht van recente ontwikkelingen, weer naar zijn M-16 en Browning willen grijpen om het Palestijnse verzet wat meer structuur en vuurkracht te geven? Hij heeft die M-16 en Browning vast nog ergens liggen. Een Palestijnse man doet geen afstand van zijn wapen, als hij het helpen kan.

Ik vermoed dat hij zijn tijd heeft gehad. Hij loopt tegen de veertig, hij gelooft het wel. De testosteronspiegel is gedaald, en als zoveel metgezellen is hij gehavend. Ik denk ook niet dat het nodig is. Want als ik mijn oor goed te luisteren heb gelegd, staat er een nieuwe generatie Zakaria’s klaar.

Het wachten is op de door sommige Palestijnen openlijk bepleite ontmanteling van het Jurassic Park dat ‘Palestijnse Autoriteit’ heet. In nauwe samenwerking met Israël heeft die Autoriteit het Palestijnse militantisme de laatste tien jaar gesmoord zonder er politiek iets voor terug te krijgen. Materieel heeft de samenwerking wel wat opgeleverd, en de zelfverrijking van Palestijnse dignitarissen heeft Israël ook hartelijk aangemoedigd – om daarvan weer schande te kunnen spreken als het zo uitkwam.

Wanneer hij de vernederingen van Netanyahu zat was, wilde de 81-jarige president Abbas nog wel eens zeggen dat hij de Palestijnse Autoriteit overwoog op te heffen. Loze dreigementen, die in een nabije toekomst onbedoeld toch kunnen uitkomen wanneer hij aftreedt of overlijdt, want de Palestijnse Autoriteit is moreel en ideologisch volledig uitgewoond, een karkas dat de laatste adem van legitimiteit al een tijd geleden heeft uitgeblazen. “Hoeren,” heeft Zubeidi de Autoriteit genoemd.

En sjeik Bassem al-Saadi, die zijn leven heeft gewijd aan gewapend verzet? Het Israëlische leger was laatst naar hem op zoek. Met tientallen pantserwagens trok het Jenin binnen. Voor het eerst in lange tijd woedde er weer een hevig vuurgevecht in de traditioneel roerige provincieplaats.

Sjeik Bassem, de sjeik met de vooruitziende blik, bleef onvindbaar.

Sprankelende verhalen uit het Midden-Oosten

Idealisten zijn het, die soms bewust de professionaliteit mijden. Creatieve geesten die grotendeels buiten het gezichtsveld van de massamedia opereren. Dromers én sceptici, van wie velen een reguliere journalistieke achtergrond missen, en die misschien juist daarom de voorhoede vormen van een nieuw soort journalistiek, voor een nieuw Midden Oosten.

Deels behoren ze tot een bredere trend: een stille Arabische Lente, die standhoudt ondanks het geweld en de chaos, de ontgoocheling over wat er van de rebellie tegen de autocraten terecht is gekomen, de bittere tragiek.

In Libanon, Egypte, Tunesië, Jordanië, Bahrain, zelfs in Syrië en de Gazastrook: sinds het begin van de Arabische revoluties is er een sterke toename waarneembaar van vernieuwende initiatieven, van bewegingen en organisaties, van creatieve startups in de digitale sector en nog veel meer. Dat constateert althans Maryam Jamshidi, een Amerikaans-Iraanse juriste, die er een boek aan wijdde: The future of the Arab Spring.

Nee, harde cijfers voor haar beweringen zijn er niet, maar evenmin ontbreekt het in haar boek aan concrete voorbeelden: burgerraden, campagnevoerders, filmmakerscollectieven, medische hulpdiensten, carpoolers, muziekgroepen en radiostations, app-ontwikkelaars, om er een handvol te noemen. ‘’Er zijn eerder revoluties geweest waarbij mensen zich organiseerden, zoals in 1979 in Iran,’’ zegt Jamshidi. ‘’Maar de schaal waarop dat nu gebeurt is naar mijn idee toch tamelijk ongekend. Ook al zijn politieke en economische veranderingen uitgebleven, er zijn nu een actief burgerschap en ondernemerschap ontstaan die zich kennelijk niet meer de kop laten indrukken.”

Is de wens hier een beetje de vader van de gedachte? In ieder geval staat Jamshidi niet alleen in haar zienswijze. De sociale ondernemer Gilbert Doumit, groot kenner van de regio, constateert een bloei van sociaal activisme en ondernemerschap, waarvoor hij de Arabische revoluties als oorzaak ziet. De Amerikaanse internetondernemer Christopher Schroeder is al een tijd enthousiast over de ondernemersmogelijkheden die het Midden-Oosten biedt, schreef er een zeer lezenswaardig boek over, en is al jaren als een zendeling bezig de regio te promoten. Ook 500 Startups, een Californisch initiatief dat beginnende bedrijven wereldwijd ondersteunt, heeft het over een ‘’exponentiële groei van start-ups in het Midden-Oosten gedurende de afgelopen jaren.

Blijft de vraag waaraan deze revoluties hun uitzonderlijke karakter te danken hebben. Technologie heeft er ongetwijfeld veel mee te maken. Het internetgebruik in de Arabische wereld is de laatste tien jaar vervijfvoudigd. Begin 2004 waren slechts 28 miljoen mensen online, nu zijn dat er 140 miljoen. Volgens een onderzoek, uitgevoerd door de Qatarese telecommunicatieprovider Ooredoo, vindt inmiddels 90 procent van de Arabieren tussen 18 en 30 jaar oud – een dominante leeftijdsgroep in het Midden-Oosten – dat ’toegang tot het internet en mobiele digitale technologie hen kan helpen hun persoonlijke ambities te realiseren op het gebied van werkgelegenheid, ondernemen, onderwijs, bankzaken en gezondheidszorg.’

Met andere woorden: het Midden-Oosten bruist van jonge mensen die op het gebied van digitale technologie volkomen bij de tijd zijn, weliswaar uitgesproken cynisch oordelen over de toestand waarin hun samenleving verkeert, maar toch hoopvol zijn gestemd over hun eigen toekomst.

Het internetgebruik in de Arabische wereld is de laatste tien jaar vervijfvoudigd

In dat kader is de gelijktijdige toename van onafhankelijke, op het Midden-Oosten gerichte media met een afwijkend karakter interessant. Het hoeft daarbij geen verbazing te wekken dat vele van Libanese oorsprong zijn, want dat kleine, verscheurde land loopt van oudsher cultureel voorop in de regio.

Neem Jadaliyya, een e-zine dat de afgelopen vijf jaar grote faam verwierf – wat des te opmerkelijker is omdat de academische inhoud niet zo gemakkelijk verteerbaar lijkt voor een breed publiek, en de opmaak buitenissig valt te noemen. Jadaliyya is in de eerste plaats een gezamenlijk initiatief van een groep academici van Arabische afkomst die hun werk toegankelijker willen maken. Die de kloof willen dichten tussen snelle maar oppervlakkige media enerzijds en wetenschappelijke publicaties anderzijds.

En het moet gezegd: ze zijn op spectaculaire wijze in hun missie geslaagd. Hun site, een eclectische mix in vier talen van academische analyses, recensies, reportages en poëzie, wordt dagelijks door tienduizenden mensen wereldwijd gelezen, en de facebookpagina kan op gemiddeld 2 miljoen views per week bogen.

Genoeg om een leuk inkomen te genereren, maar dat zou indruisen tegen de doelstelling van Jadaliyya. ‘’We zijn bewust geen zakelijke onderneming,’’ zegt Bassam Haddad, 45, een academicus van Libanese afkomst en redacteur van Jadaliyya. ‘’We willen alternatieve analyses en kennis aandragen en anderen helpen die hetzelfde doel voor ogen hebben. Dankzij de ruime aanlooptijd die we hebben genomen om Jadaliyya te realiseren, beschikken we nu over een stevig in de regio geworteld netwerk van mensen die werkelijk dichtbij het vuur zitten, dus geen gecoiffeerde types met internationale contacten die weten hoe ze op de vooringenomen opvattingen van buitenlanders kunnen inspelen. Van een dergelijk netwerk kunnen ook anderen profiteren. Concurreren is namelijk het laatste wat we willen: dat zou het gevaar met zich meebrengen dat we zelf mainstream worden en we de mensen van ons vervreemden die van ons houden om wat we nu zijn. ‘’

De vraag is wie die ‘mensen’ zijn. Spreekt Jadaliyya ‘de Arabische straat’ aan? Onwaarschijnlijk. Maar een verschil met gewone elitaire publicaties is wel de zeer succesvolle wijze waarop de website zijn doelgroep van hoogopgeleiden vanuit het niets heeft weten te mobiliseren. Daarnaast heeft het e-zine de belangstelling van de internationale mainstream media weten te wekken: ook die zien het als bron van hoogwaardige informatie. ‘’Ze volgen ons op de voet, retweeten en delen ons materiaal,” zegt Haddad. “En dat zien we graag.”

“Concurreren is het laatste wat we willen: dat zou het gevaar met zich meebrengen dat we zelf mainstream worden”

Eenzelfde streven naar diepgang en afwijkende verhalen is te vinden bij The Outpost, een Engelstalig, drie jaar geleden in Libanon opgericht papieren tijdschrift, dat overigens ook in de Amsterdamse boekhandel Athaeneum te koop is. ‘Een tijdschrift van mogelijkheden’ zo prijst het zichzelf aan. Dat betekent dat de Arabische wereld die het beschrijft niet helemaal – soms zelfs helemaal niet – natuurgetrouw is. Veeleer gaat het om een Arabische wereld die de makers zich verbeelden, zich zouden wensen, en tot leven trachten te brengen in liefdevol vervaardigde, stijlvol en vindingrijk geïllustreerde producties, bedoeld om de fantasie te prikkelen.

Zo wordt in een van de edities gesteld dat de Arabische wereld op het eerste gezicht homogeen lijkt, maar dat de mogelijkheden om elkaar fysiek te ontmoeten beperkt zijn. Vanwege politieke obstakels – zo heeft Ibrahim Nehme (29), hoofdredacteur van The Outpost en een Libanees burger, een visum nodig om de meeste Arabische landen te bezoeken – maar ook door de slechte infrastructuur. En dus wordt er in The Outpost een imaginair netwerk van hogesnelheidstreinen voor de gehele Arabische wereld ontworpen en kleurrijk in beeld gebracht.

Net als bij Jadaliyya zijn de lezers van The Outpost niet van de straat. Anderzijds richt het tijdschrift zich ook niet op een traditionele elite. Het lezerspubliek lijkt vooral te bestaan uit jonge mensen die tot een gestaag groeiende middenklasse behoren, die voor een belangrijk deel de Arabische opstanden hebben aangezwengeld en gesteund, maar zich nog steeds niet vertegenwoordigd en gehoord voelen.

‘’The Outpost zorgt voor een frisse wind in een medialandschap waar middelmatigheid troef is’’, zegt de 25-jarige Sami Serhan uit Beiroet, die milieuwetenschappen studeert. ‘’Wat mij trekt is niet alleen de inhoud op zich, maar waar het blad voor staat: hoop.”

Wat er precies mis is met dat medialandschap? ‘’Ik denk dat iedereen die van onafhankelijke media houdt genoeg heeft van de status quo,’’ zegt Sami. ‘’Er heeft hier al zo lang een culturele kaalslag geheerst, en die zie je terug in de Arabische media. Roddelrubrieken en steeds weer dezelfde politieke retoriek: meer hebben de meeste kranten en tijdschriften niet te bieden.’’

Over westerse mainstream-media is Sami overigens ook niet erg te spreken. “De ideeën over de Arabische wereld lopen daarin op bijna komische wijze uiteen: we liggen ofwel aan het liefdadigheidsinfuus en zijn een voorwerp van westers schuldgevoel, of een bedreiging voor onszelf en de zogeheten vrije wereld. Een Engelstalig blad als The Outpost, dat ook buiten het Midden-Oosten wordt gelezen, doorbreekt dat patroon.”

‘’Er heeft hier zo lang een culturele kaalslag geheerst, en die zie je terug in de Arabische media.”

Laatste voorbeeld is Mashallah News: een drietalig e-zine, eveneens in Libanon opgericht door jonge mensen die vonden dat sommige stemmen te weinig werden gehoord. Een collectief van bloggers en journalisten dat net zo vastbesloten is als The Outpost en Jadaliyya om stereotypen te bestrijden. Speels noemen ze zich een platform ‘for disORIENTed news’ en verklaren ze een broertje dood te hebben aan ‘Lawrence of Arabia, CNN, kamelen, Samuel Huntington, en vliegende tapijten’.

De remedie van Mashallah News tegen oriëntalistische clichés is zowel eenvoudig als subtiel: ‘’Het is niet ons streven een samenhangend beeld van het Midden-Oosten te presenteren. Dan zouden we onszelf schuldig maken aan simplificatie, een verschijnsel dat we nu net willen bestrijden” zegt Sophie Chamas, 27. “In plaats daarvan bieden we ons publiek een meerduidiger perspectief, juist door schijnbaar eenvoudige, lokale, persoonlijke verhalen te vertellen. Verhalen die veel meer nuance in zich bergen.”

Goed voorbeeld is een artikel dat Chamas enige jaren geleden een journalistieke prijs van de Anna Lindh Stichting opleverde. Ani Mi Levanon, Smiling Through Hebrew Class: een stuk over de Hebreeuwse lessen die zij ooit als Libanese volgde; over het leren van de ’taal van de vijand’, een persoonlijk onderzoek naar verwrongen percepties, in een situatie waarin geen sprake is van openlijke vijandschap, zoals een taalklas.

Er zijn meer van dit soort online of offline magazines: onder andere Kalimat (internationaal) The State (Dubai) of Mada Masr (Egypte). Wat hen bindt is een betrokkenheid bij die verbreding van het maatschappelijk middenveld die Maryam Jamshidi in haar boek beschrijft.

Hoofdredacteur Ibrahim Nehme van The Outpost beaamt dat hij zich deel voelt uitmaken van ‘een dynamiek die onontkoombaar is en toch vaak over het hoofd wordt gezien’. Als hij niet met The Outpost was begonnen, zou hij Libanon de rug hebben toegekeerd. Nu peinst hij er niet over zijn project in de steek te laten. En hoewel hij een somber beeld schetst van de Arabische samenleving, is hij tegelijkertijd hoopvol gestemd. ‘’De Arabische wereld biedt weinig vrijheid, maar is geen Noord-Korea. Mensen die verandering willen wordt net genoeg speelruimte gegund om zich te manifesteren. Het is aan hen om die ruimte steeds groter te maken. En dat is wat op dit moment aan de hand is. Wat dat betreft ben ik inderdaad optimistisch. Dat de Arabische lente op een winter is uitgedraaid is een gemeenplaats. Er is een sterke groei van sociaal en innovatief ondernemerschap, van maatschappelijk en politiek activisme. Homoseksualiteit en transseksualiteit worden niet langer verzwegen, vrouwen in Saudi-Arabië eisen hun recht op om auto te rijden. En er zijn de laatste jaren veel meer tijdschriften als het onze uit de grond gestampt, ook dat is een teken. De Arabische lente gaat dus door. Ondergronds, sluipend, maar voor mij daarom niet minder tastbaar.”

Bassam Haddad maakt zich wel zorgen over de ’toekomst van de Arabische Lente’, een term die hij eigenlijk altijd heeft verafschuwd, omdat die associaties bij hem oproept met ‘iets bloemrijks en zinloos’. ‘’Activisten in onze regio zijn eilanden van hoop, maar het komt niet vanzelf goed met ze omdat we van ze houden. Soms zijn ze verwikkeld in een complexe strijd: denk aan de bevrijde gemeenschappen in Syrië, die nu te maken hebben met jihadisten. En er zijn andere actoren binnen en buiten de regio die het niet goed met hen voor hebben.’’

Hoe kunnen nieuwe media dan helpen om de toekomst zeker te stellen van wat we gemakshalve toch maar even de Arabische Lente blijven noemen? Er zijn vele wegen, maar niet een ervan is gemakkelijk. ‘’Wij willen een bres slaan in het bastion van corruptie en onderdrukking door het te bestoken met verhalen die een alternatief bieden,” klinkt het strijdvaardig uit Nehmes mond. ‘’Natuurlijk is dat een kwestie van lange adem.” En Haddad: “Ach, we hebben zo veel plannen. Zo gaan we een podcast op onze site installeren die activisten uit, laten we zeggen, Tunesië, Jemen en Libanon bijeen zal brengen. Eén ding zullen we pertinent niet doen: welgemeend advies geven. Aan welgemeend advies is geen gebrek: wel aan mogelijkheden je stem te laten horen.’’

 

De ene Al-Baghdadi is de andere niet

Iyad el-Baghdadi vertaalt al sinds het begin van de Arabische Lente social media-uitingen vanuit het Arabisch naar het Engels. Niet alleen van ISIS-leiders, maar ook van leiders van de Arabische Lente en mensenrechtenactivisten. Zo vertaalde hij de oproep van Asmaa Mahfouz op YouTube die leidde tot de demonstraties op het Tahrir-plein en de daaropvolgende val van Mubarak.

Iyad is uitgegroeid tot een belangrijke online activist, vooral dankzij zijn droge humor en scherpe analyses, maar de Verenigde Arabische Emiraten, waar hij als stateloze Palestijn woonde, vonden zijn tweets blijkbaar niet zo grappig: in 2011 werd hij het land uitgezet. Sindsdien woont hij in Oslo.

Van Abu Bakr al-Baghdadi, die in werkelijkheid Ibrahim Awad Ibrahim al-Badri al-Samarra heeft, was al een tijd niets vernomen. De geluidsopname was bedoeld om te laten weten dat hij nog in leven is. De ISIS-leider roept moslims op tot de gewapende strijd en aansluiting bij het kalifaat. De vertaling leverde wereldwijd op Twitter hilarische reacties op van moslims die geen tijd hebben voor de jihad:

  • “Ik ga zondag naar Star Wars. Misschien een andere keer”;
  • “Sorry, ik zit Netflix te kijken”;
  • “Sorry jongens, ik heb een tomatentuintje dat ik moet onderhouden”;
  • “Moet nog afwassen”;
  • “Is er gratis pizza?”;
  • “Hebben jullie een tandartsverzekering?”;
  • “Het is kerst, hebben jullie geen vrij deze week?!”;
  • “Ik heb net Fifa 16 van de Kerstman gekregen. Misschien over 20 jaar”;
  • “Sorry, ik organiseer een nieuwjaarsfeest met vrienden en moet daar echt bij zijn”.

De tweets gingen viral en dat werd opgepikt door een groot aantal journalisten en nieuwszenders.

Al-Baghdadi is de herkomstaanduiding in de opbouw van een Arabische naam. Die bestaat vaak uit vijf onderdelen: een voornaam, een bijnaam (meestal verwijzend naar het oudste kind), een verwijzing naar de vader of moeder (voorafgegaan door het woord Ibn, zoon of Bint, dochter), een herkomstaanduiding (vaak een verwijzing naar de geboortestad of -regio) en een eretitel. Abu Bakr al-Baghdadi is een “nom de guerre”: hij verwijst naar de eerste kalief (Abu Bakr) en naar Bagdad (al-Baghdadi). De oprichter van ISIS en meest gezochte persoon ter wereld wordt ook wel Kalief Ibrahim, Abu Du’a of de Onzichtbare Sjeik genoemd.

Een aantal journalisten kon de ene Baghdadi kennelijk niet van de andere onderscheiden en zo werd de activist met de ISIS-leider verward. Het begon met de New York Post (niet te verwarren met de New York Times) die Iyad aanzag voor Abu Bakr en het resulteerde erin dat Twitter het account van Iyad blokkeerde voor zijn 70.000 volgers. Hij kreeg een vaag mailtje dat hij de “Twitterregels had overtreden” en kon geen bezwaar maken. Op de laatste dag van het jaar werd het Twitteraccount weer vrijgegeven.

Dit soort onzorgvuldigheid kan er tegenwoordig toe leiden dat je op een “no-fly” lijst wordt gezet, je door veiligheidsdiensten in de gaten wordt gehouden en zelfs wordt omgelegd.

Iyad el-Baghdadi wacht nog steeds op uitleg van Twitter en excuses van de New York Post. Hij heeft niet alleen een Twitteraccount , maar ook een Facebook account, Instagram, een YouTube kanaal en een website. Zoals een van zijn volgers tweet: even checken wie Iyad el-Baghdadi is kost ongeveer 6 seconden. Maar daar hadden ze bij Twitter blijkbaar geen tijd voor.

Ondertussen gaat het belachelijk maken van ISIS vrolijk door. Deze Israëlische komieken weten er wel raad mee:

Recente berichten

Recente reacties

    Archieven

    Categorieën

    Meta

    Deze website gebruikt cookies om uw ervaring te verbeteren. Door op de 'accepteer' knop of andere links in de site te klikken, geeft u aan hiermee akkoord te gaan.