Vacature stagiair(e) Communicatie

Wat is het Grote Midden Oosten Platform?

Het Grote Midden Oosten Platform is een onafhankelijke stichting die zich richt op het vergroten van kennis en begrip over de Arabische wereld en Noord-Afrika in Nederland. Het Grote Midden Oosten Platform is een transparante, ‘lichte’ organisatie. Dankzij ons vaste kernteam en de flexibele inzet van deskundigen zijn wij weinig plaats- en tijdgebonden. Hierdoor kunnen we diensten leveren die volledig aansluiten op de vraag, van Randstad tot regio, en zijn we in staat de expertise van diverse deskundigen optimaal te benutten. Het Platform biedt de Midden-Oosten deskundigen verder alle ruimte voor eigen initiatieven.

Sinds twee jaar zetten we actief in op social media om ook via deze kanalen het beeld van de MENA-regio te nuanceren, ons netwerk uit te breiden, en onze artikelen, podcasts, evenementen en overige content te delen. We zijn hierin altijd op zoek naar creatieve ideeën en initiatieven. Daarom zijn wij op zoek naar een stagiair(e) die voor ons onder andere de volgende taken uit kan voeren:

  • Het beheren van de social mediakanalen,
  • Het maken en plannen van content voor onze social mediakanalen,
  • Het bedenken van creatieve marketingcampagnes.
  • Bijdragen aan het onderhouden van onze website en andere communicatiekanalen,
  • Meedenken over hoe we (nieuwe) doelgroepen kunnen bereiken en onze content kunnen verspreiden.

Wat wij onze stagiaires bieden:

  • Flexibele werktijden en de mogelijkheid om vanuit huis te werken,
  • Persoonlijke begeleiding en ondersteuning bij jouw persoonlijke en professionele ontwikkeling,
  • Mogelijkheid om deel te nemen aan onze evenementen en netwerkactiviteiten.

Wie zoeken wij? Wij zoeken een gemotiveerde en zelfstandige student die:

  • Een relevante opleiding volgt op HBO of WO-niveau (bijvoorbeeld Arabisch, Politicologie, Internationale betrekkingen, Journalistiek, Communicatie of Marketing),
  • Thuis is in social media en/of (marketing)communicatie,
  • Interesse heeft in de Arabsiche wereld en bekend is met de politieke en culturele ontwikkelingen in de regio,
  • Goede communicatieve en schriftelijke vaardigheden heeft, zowel in het Nederlands als in het Engels. (Versta/lees je ook nog Arabisch en/of Frans? Dat zou helemaal geweldig zijn)
  • Creatief, zelfstandig en proactief is en graag nieuwe uitdagingen aangaat.

Wij kunnen geen stagevergoeding bieden, wel een reiskostenvergoeding indien van toepassing.

Geïnteresseerd? Check of je opleiding de stage goedkeurt en stuur je cv en motivatie naar info@hetgrotemiddenoostenplatform.nl.

 

Irak wil maar geen democratie worden, kijk maar hoe het met verdedigers van mensenrechten omgaat

Deze mensenrechtenverdedigers houden zich bezig met het promoten van politieke, economische, sociale en culturele rechten van burgers. Op deze manier willen zij bewustwording over mensenrechten als vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering en betoging creëren. Het rapport benadrukt dat deze rechten moeten worden gewaarborgd, maar dat degenen die hiervoor opkomen voor risicovolle uitdagingen staan en worstelen met de restricties die hen worden opgelegd en met de schendingen van hun rechten. Dit rapport documenteert het buitensporige gebruik van geweld tegen mensenrechtenverdedigers en eindigt met een aantal aanbevelingen.

Het rapport onthult dat mensenrechtenverdedigers in Irak te lijden hebben onder repressieve overheidsmaatregelen, juridische intimidatie, lastercampagnes en sociale stigmatisering. Daarnaast is er ook meer digitale surveillance en zijn er cyberaanvallen om veilige communicatie te beperken. Het vaakst zijn mensenrechtenverdedigers die opkomen voor gemarginaliseerde groepen, zoals vrouwenrechtenactivisten, doelwit. Dit brengt de positie van deze groepen verder in gevaar. Het oogmerk is om activisten het zwijgen op te leggen en hun werk in diskrediet te brengen. Wat de situatie volgens Hoqoq Observatory for Human Rights Defenders verergert,, is dat er een cultuur van straffeloosheid groeit rondom de aanvallen op mensenrechtenverdedigers. Hiervoor moet verantwoordelijkheid worden genomen, zodat burgers voor mensenrechten kunnen blijven opkomen zonder in angst te hoeven leven.

De cultuur van straffeloosheid wordt mogelijk gemaakt door restrictieve wettelijke kaders. Doordat wetten vaak vaag zijn is er veel ruimte voor bijvoorbeeld willekeurige arrestaties en rechtszaken tegen de activisten.

Hoqoq Observatory for Human Rights dringt er in het rapport op aan dat de Iraakse autoriteiten actie ondernemen en het werk van mensenrechtenverdedigers beschermen. De voornaamste aanbevelingen zijn een uitgebreidere wetgeving in overeenstemming met internationale normen voor mensenrechten om zo de rechten van activisten te waarborgen. Wat de cultuur van straffeloosheid betreft, dringt de organisatie erop aan een onafhankelijk mechanisme in te stellen die de aanvallen op de activisten onderzoekt en uiteindelijk ook berecht. Het recht op vrijheid van meningsuiting is een belangrijke terugkerende component, het vormt volgens de organisatie de basis voor een veilige omgeving voor mensenrechtenverdedigers.

Ook de internationale gemeenschap speelt een rol. Internationale partnerschappen moeten worden versterkt om activisten te ondersteunen en solidariteit te stimuleren. Het is cruciaal dat internationale organisaties erkennen dat Irak wordt beïnvloed door milities die ongevoelig zijn voor maatregelen tegen corruptie.

De uitvoerend directeur medeoprichter* van de Tigris River Protectors Association, die nauwe banden heeft met de mensenrechtenorganisaties, voegt toe dat Irak voor meerdere uitdagingen staat. Momenteel wordt er een gerichte campagne gevoerd tegen het gebruik van de term ‘gender’, die wordt afgeschilderd als een morele bedreiging. Het gevolg van deze campagne, die wordt geleid door invloedrijke mensen binnen de Iraakse overheid, is dat de term wordt verwijderd uit officiële documenten. Deze kwestie wordt niet genoemd in het rapport, maar laat wel zien dat de aanpak van dit soort kwesties moet veranderen – namelijk dat juist de stemmen van mensenrechtenverdedigers en activisten moeten worden versterkt. En daar kunnen wij vanuit Nederland ook aan bijdragen.

*naam bij de redactie bekend.

Het volledige rapport is hier te lezen: https://www.iraqicivilsociety.org/wp-content/uploads/2023/07/Iraqi-Defenders-after-twenty-Years-of-Change.pdf

Een bitterzoet bezoek aan Palestina

Voor het eerst realiseer me ik hoe bang ik ben. Is het te laat om terug te gaan? Maryem, jjij wílt dit. Onderweg naar de gate probeer ik naar zoveel mogelijk mensen te glimlachen, niet te overdreven, maar precies genoeg. Als hijab dragende moslima in Nederland heb ik deze kunst onder de knie. Maar zo oncomfortabel heb ik mij nog nooit gevoeld, en eenmaal bij de gate aangekomen vermijd ik oogcontact met iedereen. In het vliegtuig val ik in slaap, ik huil achter mijn slaapmasker. Ik voel me misselijk, ik wil overgeven, ik wil terug. Waar ben ik in ‘s hemelsnaam aan begonnen?

Eenmaal geland verwacht ik het ergste. De ondervraging. Ik ontmoet een Nederlandse vrouw, ze is hier om haar zus te bezoeken. Ik ben hier als toerist, om dit prachtige land te zien. Bijna begin ik het te geloven wat ik mijzelf de afgelopen maanden heb verteld. Bij de paspoortcontrole vraagt de man mij maar liefst vier keer naar papa’s naam. Ik blijf cool, heb niets te verbergen. Of nou ja, ook weer wel. Of ik moslim ben, ja. Of ik even in de hoek wil wachten. Ik ga op de oranje stoelen zitten, kijk een aflevering van Wie is de mol, en wacht braaf de ondervraging af. De rest hou ik voor mezelf.

Ik wil zo snel mogelijk weg. Ik negeer de taxichauffeur in de eerste instantie: ‘Tel Aviv or Jerusalem?’ Geen van beiden, ik wil zo snel mogelijk naar Ramallah. Risico. Ik kan niet meer helder nadenken.
‘Ramallah?’ zeg ik.
‘Follow me!’
Oké, ik doe wat hij zegt en volg hem. We lopen terug het vliegveld binnen en even schiet ik in de stress. Tijdens mijn ondervraging had ik nog zo gezegd alleen in Tel Aviv en Jeruzalem te blijven. Had ik toch maar eerst naar Jeruzalem moeten gaan, met de trein, en vanuit daar met de bus. Was beter geweest. We lopen gelukkig naar een taxi en hij belooft me helemaal naar Ramallah te brengen. Ik schaam me nog steeds voor het bedrag dat ik hem betaalde. Mijn vrienden weten nou eenmaal hoe makkelijk ik te ‘scammen’ ben. We kletsen een beetje, vriendelijke man. Hij vertelt me over het ‘conflict’, maar onder de mensen is het absoluut niet te merken– ze leven in vrede. Ik knik, vertel niet over mijn studieachtergrond, ik weet wel beter.

We stoppen bij een soort overgang, hij zegt niet te mogen doorrijden. Ik kan gewoon om hulp vragen aan de soldaten, en weg is hij. Het dringt tot me door: ik sta bij een checkpoint. Qalandia checkpoint. Ik weet niet waar ik heen moet. Om hulp vragen? Voordat ik überhaupt een richting in kan bewegen zie ik een soldaat, met zijn geweer op mij gericht. Ik verstijf. Ik sta hier met twee grote koffers. Ik hoor niet wat hij zegt, besluit toch van hem weg te lopen. Juiste beslissing, nóg wel.

Hekken, kooien, draaideuren, camera's voor gezichtsherkenning. Dagelijkse realiteit voor Palestijnen in de bezette gebieden.

‘Je bent nu hier, de plek waar je al jaren naartoe wilde,’ zeg ik tegen mezelf. Ik heb nog niet stil kunnen staan bij wat ik hier écht kom doen. Mijn droom om Arabisch te studeren in het Midden-Oosten, Palestina of all places. Ik ben er nu écht. Ik ontmoet mijn huisbaas op de universiteit, een vriendelijke christelijke Palestijn. Hij brengt mij naar mijn nieuwe thuis, in Birzeit, een stad dichtbij Ramallah. Het is op loopafstand van de universiteit, waar ik de komende drie maanden Palestijnse en Arabische studies ga volgen. We kletsen nog wat, een beetje een mix van Engels en Arabisch. Mijn Algerijns-Marokkaanse dialect valt hier niet te verstaan, dus probeer ik het in een mix van Fusha (klassiek Arabisch) en Engels. Hij zegt te hopen dat ik hem  binnenkort ‘gewoon’ in het Palestijnse dialect kan aanspreken.

Het uitzicht vanuit mijn huis in Birzeit.

Die avond videobel ik naar huis: “Het is allemaal goed gegaan!” De soldaat die met zijn geweer op mij richtte voeg ik toe aan het niet-aan-thuis-vertellenlijstje, inmiddels geen lijst-je meer. Mama zegt: “Ik ben zo trots, je droom is uitgekomen.”

Tijdens de oriëntatiedag loop ik richting het gebouw waar ik de komende maanden les zal hebben. Heuvel af en dan weer op. Iets waar ik niet aan zal wennen. Onderweg naar de campus kom ik kleine lokale winkeltjes tegen, Abu Yaqoob zal de man worden die mij koffie aanbiedt wanneer ik haast heb en die mij verbetert als ik de verkeerde verbuiging gebruik. De campus is prachtig, ik word vrolijk begroet en ik krijg er een warm gevoel van. Overal hangen Palestijnse vlaggen en hoor je de adhaan, de gebedsoproep, vanuit de minaretten klinken. Ik voel me thuis. Iets wat mij in de afgelopen 4,5 jaar aan de Universiteit Leiden nooit is gelukt. Ik ontmoet enkele professoren en we krijgen een presentatie van de Right to Education Campaign. Een vrouw vertelt ons over het belang van educatie, juist onder de Israëlische bezetting waar politiek actieve studenten met regelmaat bedreigd en zelfs ontvoerd worden.

Die avond ontmoet ik mijn huisgenoot. We praten tot in de late avonduren, en zo wordt ons nieuwe thuis gevuld met hoopvolle geluiden. We bevinden ons op de twee banken die er al stonden. We zijn geen fan van het kleedje, bruine vierkanten omringd met beige rechthoeken. Maar deze banken zullen de plek worden waar mijn huisgenoot en ik al onze emoties kunnen uiten. Deze bruine vierkanten omringd met beige rechthoeken zullen  ons troosten wanneer we denken dat  dit onmogelijk is. Deze bruine vierkanten omringd met beige rechthoeken zullen geheimen bewaren die we niet mee kunnen meenemen  naar huis. De keuken, waarin we uren doorbrengen met het maken van traditionele Algerijnse recepten, bevindt zich in de woonkamer, gescheiden door de eettafel waar ik de komende tijd mijn woordjes Arabisch zal oefenen. Op de kale witte muren hangen we snel een kaart van Palestina, van voor 1948.

We willen allebei naar de heilige stad Jeruzalem. We willen bidden in de Al-Aqsa Moskee, waar één gebed gelijk staat aan 500 gebeden. We kijken op tegen de weg er naartoe. Niet zozeer voor onszelf, maar omdat we weten dat Palestijnen hier met regelmaat onmenselijk behandeld worden. Nu ervaar ik het zelf. Het is vrijdag en er staan tientallen mensen bij het checkpoint Qalandia, degenen met toestemming om naar Jeruzalem te gaan. Het is kil. Ik hoor stemmen die er niet zijn. Het checkpoint is zo ingericht om je te verwarren. De apartheidsmuur is goed te zien, een grote muurschildering van Arafat met een Keffiyeh, FREE PALESTINE en een heleboel sleutels zij erop geschilderd. Die staan symbool voor de terugkeer van vele Palestijnen die de sleutels van hun huis hebben bewaard. Ik denk: het is 75 jaar geleden sinds de Nakba, hoeveel meer Palestijnen zullen sterven zonder deze sleutel ooit nog te kunnen gebruiken?

Een schildering van de Palestijnse journaliste Shireen Abu Akleh, die vorig jaar werd vermoord, op de apartheidsmuur in Bethlehem.

Na de muur komen we in een rij terecht, in grote letters staat ‘Welcome to Qalandia Crossing.’ Ja, crossing, geen checkpoint dus. Zo noemen ze het liever niet. Op elke hoek staat een zwaarbewapende soldaat. De ijzeren draaideuren staan op enkele plekken, het is altijd een verrassing of je erin vast komt te zitten. Ik kijk omhoog, camera’s, o ja gezichtsherkenning. Maar ook automatische wapens zijn op ons gericht. Geen verkeerde beweging maken, zeg ik tegen mezelf. Ik vraag me af hoe vaak deze wapens zijn afgegaan, hoeveel Palestijnen hier hun laatste adem uitbliezen.

Duizenden vrouwen proberen Qalandia Checkpoint te oversteken op de tweede vrijdag van de Ramadan. Met de twee witte smalle deuren in het midden moesten we het doen.

Aan de andere kant van het checkpoint duwt een soldaat iedereen die in haar weg staat bruut aan de kant. Leeftijd maakt geen verschil.

Een oudere man staat voor ons in de rij, hij vertelt ons dat hij slecht ter been is, maar de wekelijkse reis naar de Al-Aqsa moskee voor het vrijdaggebed is wat hem – en vele andere Palestijnen – hoop geeft. Als hij aan de beurt is, wordt hij bruut geweigerd. Papieren zogenaamd niet op orde. Onze paspoorten worden gecontroleerd en we lopen via een soort brug naar de bussen. De rest van de reis naar Jeruzalem zijn mijn huisgenoot en ik stil.

Door de Islamitische wijk in de oude stad lopen we richting de moskee. Ik heb deze plek zo vaak voorbij zien komen, op instagram-filmpjes. Ik heb zo veel verhalen gehoord en gelezen  over de heilige stad, en elke keer hoopte ik dat ik hier ook ooit mocht rondlopen. Het ruikt naar falafel, iets wat ik de afgelopen dagen als ontbijt, lunch en avondeten heb gegeten. De verkopers drinken Arabische koffie en verkopen bijna allemaal hetzelfde; Palestijnse vlaggen, Keffiyehs en geborduurde Palestijnse jurken. Het borduurwerk heet Tatreez en is een politiek symbool voor de Palestijnse identiteit. Het is magisch.

Mannen ruimen de overblijfselen van de inval in de Al-Aqsa moskee op.

Ik koop een keffiyeh en de verkoper vertelt mij hoe ik me gelukkig mag prijzen dat ik de kans heb gekregen deze stad te bezoeken. Ik denk aan alle Palestijnen die hier niet heen mogen. Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever, die Jeruzalem nooit zullen zien. Palestijnen in vluchtelingenkampen buiten Palestina, in Jordanië, Libanon, en Syrië – die Palestina nooit zullen zien. Ik sta voor de ingang, er staan een heleboel zwaarbewapende Israëlische soldaten voor mij. Ik zie ze haast niet. Ik loop door, en zie langzamerhand de goudkleurige rotskoepel — ik begin te huilen. Alles wat er het afgelopen jaar wel en niet is gebeurd, begrijp ik eindelijk. Ik ben zo intens dankbaar dat ik hier mag zijn.

De gouden rotskoepel verlicht het plein waar honderden families hun vasten onderbreken.

Die droom verandert langzaam in elke dag slecht nieuw. De magie verdwijnt als je elke ochtend daarmee wakker wordt. Elke dag wordt de Palestijnen onrecht aangedaan. Zo staakt de gehele Westelijke Jordaanoever een dag na mijn aankomst na een inval van het Israëlische leger in Nablus waarbij tien Palestijnen omkomen en honderden gewond raken. Nog vaker dan ‘incidenten’ met het leger, komen die met kolonisten voor. We raken bevriend met een Palestijn, hij weet ons meer nieuws te geven over wat er waar gebeurde.

Stelregel: je praat niet met kolonisten, je kijkt niet naar kolonisten, je komt niet in de buurt van kolonisten, want wat er ook gebeurt – je zal altijd verliezen van kolonisten. Ondanks de illegale nederzetting, zwijgt de wereld. Nee, niet waar. De voorzitter van de Europese Commissie feliciteert het regime dat verantwoordelijk is voor deze gruweldaden. De wereld zwijgt, luid. Ik denk dat het niet meer goed komt. De wereld is stil, en nog nooit heb ik stilte zo luid ervaren.

Ramallah is een bubbel, zo noemt onder anderen mijn professor het. Daarom bezoeken we met de universiteit een aantal andere plekken. Mijn professor, een man uit Jenin, heeft een hoop ervaring. Als jongentje werd hij gevangen genomen nadat hij zich bij een groep demonstranten voegde, na de begrafenis van iemand die door het Israëlische leger werd vermoord. Wist hij veel. Dit is dan de enige democratie in het Midden-Oosten. ‘Deze bezetting,’zegthij,‘is persoonlijk.’

In Salfit bezoeken we in het dorp Masha of wat ervan over is gebleven – het gezin van Hani Al-Amer, moge God hem genadig zijn. Tijdens de bouw van de apartheidsmuur, moest hij plaatsmaken voor 1) de muur, en 2) de illegale nederzetting Elkana. Alle Palestijnen zijn het dorp uit verdreven, zijn huis is het enige wat er nog staat.

Zelf is hij er niet meer. ‘Welkom in het land van Hani Al-Amer’ staat er op de muur die om zijn huis heen is gebouwd. Zijn vrouw ontvangt ons. Ze hebben als gezin ontzettend veel moeten doorstaan om in hun huis te blijven wonen. Er moet altijd iemand thuis zijn, anders komen de kolonisten. Volgens Israëlische wetgeving zijn de soldaten verplicht deze te beschermen. Ze ziet er moe uit. Ik vraag me af of ze nog hoop heeft.

“Welkom in het land van Hani Al-Amer” — geschilderd op de apartheidsmuur die zijn huis omringt in het dorp Masha in Salfit.

In Hebron bezoeken we een gezin waarvan het huis verwoest is door de komst van een nederzetting, wat vaker wel dan niet gebeurt. Bushra woont er met haar man en vijf kinderen. We lopen door een smalle gang naar boven. In de woonkamer, een van de twee kamers in het huis, eten we de maqluba, het Palestijnse gerecht dat bestaat uit laagjes gefrituurde groenten, geweekte rijst en desgewenst vlees of vis. die ze voor ons heeft gemaakt. Het is de lekkerste Maqluba die ik ooit op heb.

De afgesloten Al-Shuhada straat alias Apartheid straat in de oude stad van Hebron. Palestijnen rijden en lopen nu minstens 30 minuten langer om naar de andere kant te komen. Ook ik werd geweigerd, voor mijn eigen veiligheid. De soldaat in kwestie kon er niet voor instaan als ik werd aangevallen.

Door middel van een fundraiser hebben ze tot aan het Israëlische hooggerechtshof kunnen vechten tegen de verwoesting van hun huis. Het mocht niet baten. En zo belanden we bij hen op de bank en op de vloer. Op een matras in de smalle gang tussen de keuken en de woonkamer, reciteert haar dochter een vers uit de Koran voor mij. We zijn hier omdat Bushra wil dat zoveel mogelijk mensen het echte verhaal horen. De kinderen laten mij TikTok-video’s zien van hun oude huis. De herinnering aan hun oude leven zorgt voor een glimlach op hun gezicht, maar die verdwijnt ook snel. Ze missen thuis. Dit is de realiteit, dit is het échte verhaal.

We proberen er het beste van te maken. We bezoeken Nablus nu de weg naar de stad  eindelijk weer veilig is. Wekenlang was het onveilig door kolonistengeweld in Huwara, het dorp dat volgens de Israëlische topminister Smotrich had moeten worden uitgeroeid. De oude  stad kunnen we ook kort niet bezoeken. Degenen die het daar voor het zeggen hebben — de militante groep   Lions’ Den — kwamen erachter dat een van hen informatie naar de Israëliërs doorspeelden en schoten hem midden in de oude stad dood. Het Israëlische leger had een video in handen gekregen waarop te zien is hoe de man een seksuele relatie heeft met een andere man. Israël dwong hem praktisch een verrader te zijn. Maar in Tel Aviv wordt de Pride elk jaar uitbundig gevierd. Israël is het enige LHBTI- vriendelijke land, behalve als je Palestijn bent.

De kloktoren in de magische oude stad van Nablus.

Ik loop vol ongeloof door de oude stad van Nablus. Het is prachtig. We eten knafeh, een heerlijk nagerecht dat je eigenlijk wel moet eten als je in Nablus bent, kopen olijfzeepjes en genieten ‘s avonds van het uitzicht vanaf Sama Nablus. Anders dan in Jeruzalem zijn hier geen Israëlische soldaten gestationeerd. En anders dan de vele posters van Arafat in Ramallah, hangen hier posters van martelaren, degenen die hun leven verloren aan de bezetting. De Israëlische overheid ziet het als propaganda, de Palestijnen zien het als een manier om geëerd te worden. De soldaten zitten weliswaar niet in de oude stad, maar vinden vaak redenen om hier gerichte aanvallen uit te voeren. Even voelt het als een film, maar ook daar komt een eind aan. Iemand loopt naar ons toe, er gaat geen vervoer meer Nablus uit. Kolonisten hebben de weg geblokkeerd en gooien met stenen en traangas, en uiteraard worden ze beschermd door het leger. We besluiten een uurtje te wachten en gaan dan de weg op. Het duurt nog uren voordat we thuis zijn, maar het weerhoudt ons er niet van deze stad vaker te bezoeken.

Ik spreek inmiddels een aardig woordje Palestijns dialect, kan aardig met de winkeleigenaren en taxichauffeurs praten. Ik word bij mensen thuis uitgenodigd, vaak vanwege mijn deels Algerijnse achtergrond. ‘Het land van een miljoen martelaren’ wordt Algerije vanwege de bloedige onafhankelijkheidsoorlog genoemd. Het geeft Palestijnen hoop. Ik merk dat ik uit  mijn bubbel kom. Ik ben thuis. Tijdens de Ramadan leer ik een groepje vrouwen kennen in de moskee, ze brengen mij ‘s avonds lekkernijen, vooral van atayef, weer zo’n heerlijk Arabisch nagerecht, kan ik genieten. Als ik door de stad loop, hangt er een opgewekte sfeer, iedereen is blij dat de heilige maand is aangebroken. Voor het eerst voel ik mij gevierd.

Onze eerste iftar tijdens mijn eerste Ramadan in Palestina.

De heilige maand Ramadan betekent voor Palestijnen helaas ook chaos. Op vrijdagen — de enige dag dat de meeste Palestijnen naar Jeruzalem kunnen zonder vergunning — is het zo druk bij het checkpoint dat honderden vrouwen proberen door een deurtje naar de andere kant van de muur te komen. De soldaten lachen, maken foto’s, schreeuwen, spugen en duwen. Een oude vrouw die slecht ter been is loopt in haar eentje richting de deur, ze is de enige van haar familie met een vergunning om naar Jeruzalem te gaan. Ze is bang. Ik beloof haar om bij haar te blijven. Plots wordt er geduwd. De soldaten hebben het deurtje geopend en iedereen wil hun kans pakken – soldaten zijn onvoorspelbaar. Ik help haar een muurtje over  te klimmen, maar er wordt aan mij getrokken door een soldaat, ik mag niet helpen, ik moet doorlopen. Ik ben de wanhoop nabij.

Inmiddels ben ik terug in Nederland en wordt mij — door vrienden, familie en collega’s — gevraagd hoe het nou écht was. Ik kom vaak niet verder dan “het was zo bijzonder”. De waarheid is: niets dekt de lading. Het is bitterzoet. Hoe leg ik uit dat het de meest bijzondere periode uit mijn leven is én dat de realiteit is dat de situatie alleen maar verslechtert? Hoe leg ik uit dat ik woedend ben, maar ook weer hoopvol? Het niet-aan-thuis-vertellen lijstje geldt niet alleen voor thuis. Er zijn nu eenmaal dingen waar ik nog niet over kan praten. Één ding is duidelijk: het is niet ingewikkeld. Palestijnen leven onder een brute bezetting. Dat is te zien aan alles. En onder deze bezetting hebben zij het volste recht zich te verzetten.

Recente berichten

Recente reacties

    Archieven

    Categorieën

    Meta

    Deze website gebruikt cookies om uw ervaring te verbeteren. Door op de 'accepteer' knop of andere links in de site te klikken, geeft u aan hiermee akkoord te gaan.