Een lid van de Popular Mobilization Forces in Bagdad ©Mohammad Mehdi Dara/Tasnim News Agency

Na de dood van generaal Soleimani: Irak, Iran en sji’itische milities

De moordaanslag op de Iraanse generaal Qassem Soleimani, nu iets meer dan een jaar geleden, heeft internationaal veel stof doen opwaaien. De spanningen tussen Iran en de V.S. namen ongekend toe, CNN en AlJazeera berichtten wekenlang over vergeldingsacties en op internetfora werd er zelfs gespeculeerd over een derde wereldoorlog. Maar de droneaanval die Soleimani en zijn Iraakse compagnon Abu-Mahdi al-Moehandis het leven kostte zorgde nergens voor zoveel ophef als in Irak zelf. Anti-Amerikaanse (én anti-Iraanse!) sentimenten laaiden op en Bagdad was wederom het toneel van massademonstraties en een roep om meer soevereiniteit. Eén van de groepen die de gevolgen van deze binnenlandse sentimenten sterk ondervond was de Hashd’ al-Sha’bi, de de facto door al-Moehandis geleidde parapluorganisatie van milities gelieerd aan Iran, grootayatollah al-Sistani en andere lokale actoren.

Het onderzoek naar deze groep en de gevolgen van de moord op Soleimani en al-Moehandis is, met uitzondering van enkele journalistieke artikelen, echter karig te noemen. Aangezien al-Moehandis’ het hoofd was van de Hashd’, is het voor Midden-Oostenkenners meer dan interessant om te kijken naar de effecten van de moordaanslag. Zijn de Iraakse sji’itische milities bijvoorbeeld agressiever geworden? Hebben ze hun doelen aangepast? Heeft Soleimani’s Iraanse Revolutionaire Garde de teugels nog steeds strak in handen of hebben minder Irangezinde actoren als de sji’itische warlord en politicus Moqtada al-Sadr of grootayatollah al-Sistani meer voor het zeggen gekregen? Kortgezegd, wat is de invloed van de dronestrike op de rol van Iran in Irak?

Martelaars en Muqawamma: de strijd van de PMU

Nadat de Islamitische Staat medio 2014 in korte tijd grote delen van Irak in handen had gekregen leek de situatie voor de sjiitische gemeenschappen steeds nijpender te worden. Het soennitische IS, bekend om zijn wandaden jegens aanhangers van andere sekten binnen de Islam, haalde zich al snel de angst en woede van Iraks sjiieten op de hals. In hun wijdverspreide propagandavideo’s lichtten ze hun gruweldaden breed uit. Iraakse sjiieten werden gechoqueerd met executievideo’s, gedwongen bekeringen en andere marteldaden. Dit op sjiieten gerichte geweld bereikte haar toppunt in 2014, bij het bloedbad van Camp Speicher. Hier werden meer dan duizend sjiitische rekruiten van de Iraakse luchtmacht genadeloos afgemaakt in wat wordt beschreven als het één-na-dodelijkste terroristische incident in de wereldgeschiedenis. De reactie van de Iraakse sji’a was niet mild en veel van hen sloten zich aan bij bestaande strijdgroepen om wraak te nemen op de Islamitische Staat.

Een punt van belang is dat de sjiitische gemeenschap van Irak niet uniform is. In beschouwingen van de Iraakse burgeroorlog is nog wel eens sprake van ‘de sjiieten’ of ‘de sji’a’ als monoliet blok. In werkelijkheid kent de miljoenen tellende groep sjiitische Irakezen tientallen, zo niet honderden afsplitsingen. Groot en klein, ouder en nieuwer, elk met hun eigen leiders, affiniteiten, ideeën en gebruiken. Een figuur dat zich tot 2014 echter redelijk politiek neutraal had weten te houden – en daardoor door alle Iraakse sjiieten geëerd en gerespecteerd werd – is grootayatollah Ali al-Sistani. Een van Iraks voornaamste sjiitische geestelijken.

Poster van de Iraakse sjiitische voorman ayatollah Ali al-Sistani in Bagdad. © AP

Al-Sistani brak na het bloedbad van Camp Speicher met zijn apolitieke houding en vaardigde een politiek Fatwa uit. Hierin riep hij Irakezen op zich op te geven voor de veiligheidsdiensten”. Deze uitspraak werd over het hele sjiitische politieke spectrum nageleefd: 2014 zag een enorme toename van het aantal sjiitische rekruten die gehoor gaven aan de roep om Muqawamma, de heilige taak de sjiitische gemeenschap te verdedigen. Het gros van deze nieuwe soldaten kon je echter niet in het Iraakse leger vinden, maar in milities die aanvankelijk veelal specifiek tegen de Islamitische Staat waren gericht. Dit was mede doordat veel sjiieten zich verraden voelden door hun soenitische medesoldaten, die vaak halsoverkop voor de Islamitische Staat op de vlucht waren geslagen. Om orde aan te brengen in de chaos van deze nieuw ontstane militiestructuur, en om de overheid nog enige inspraak te geven in het reilen en zeilen van de strijd tegen IS, richtte Bagdad onder premier al-Maliki de Popular Mobilization Units (PMU), de Hashd’ al-Sha’bi op.

De hierboven genoemde pluriformiteit van de Iraakse sjiitische gemeenschap werd ook binnen deze verzamelgroep echter al snel zichtbaar. Nog tijdens de strijd tegen de Islamitische Staat toonden de groepen binnen de PMU al verschillende ideologieën en ideeën voor de toekomst van het land. De scheidslijnen binnen de organisatie kwamen grotendeels overeen met de al bestaande scheidslijnen in het Iraakse sjiitische landschap. Aanhangers van invloedrijk warlord Moqtada al-Sadr verenigden zich bijvoorbeeld in de Sarayat al-Salam. Strijders op de loonlijst van de Islamic Revolutionary Guard-Quds Force (IRGC-QF) -het elitekorps van de Iraanse Revolutionaire Garde- schaarden zich achter Kata’ib Hizb’Allah, Asa’ib Alh al-Haq of verscheidene andere kleine groepen. Volgelingen van de gematigde, apolitieke al-Sistani richtten hun eigen groepen op.

De pas gecreëerde PMU kenmerkte zich dus al vrijwel direct door verdeling en potentiële frictie. Discussies over welke geestelijke de voornaamste leidende rol moest hebben, of welke vorm van politiek sjiisme moest worden aangehouden, vonden hun weg naar het militaire en vervolgens ook politieke landschap. Dit werd versterkt door de vele politieke partijen die door de verschillende milities opgericht werden en de interne concurrentiestrijd die kwam te ontstaan.

De Interne Split: de strijd ín de PMU

Irak-kenners Renad Mansour en Faleh Jabar beschrijven in hun artikel over de toekomst van de PMU hoe Iran, voor de dood van Qassem Soleimani en zijn luitenant al-Moehandis, de loyaliteit van de Hashd’ waarborgde. Met giften in de vorm van wapen- en drugleveranties, maar ook door staatssubsidies oneerlijk te verdelen, hield de Islamitische Republiek pro-Iraanse milities sterk en de interne oppositie zwak. Zo was al-Moehandis bijvoorbeeld het laatste woord gegund bij de verdeling van subsidies. Daardoor kregen er in dat slechts drieduizend van de veertienduizend aan al-Sadr gelieerde strijders in 2017 hun loon. Ook andere tactieken werden niet geschuwd: Hakim Zamili, lid van het Iraaks parlement in naam van Moqtada al-Sadr’s politieke partij, klaagde bijvoorbeeld over het feit dat het hoofdkantoor van de PMU slechts vierduizend van de achttienduizend geleverde Sarayah al-Salam-rekruten officieel erkende.

Begrafenis van Qasem Soleimani, op 6 januari 2020 in Teheran. In het midden de Iraanse geestelijk leider Khamenei, naast hem, met de witte tulband, president Rohani ©Foto khamenei ir./Wikimedia commons

Deze feiten leiden tot een tweetal observaties. Ten eerste wordt duidelijk dat Iran er alles aan doet om de positie van pro-Iraanse milities te bevorderen, zelfs als dat ten koste gaat van de slagkracht van de PMU als geheel. Iedere rekruut telt in de strijd tegen de Islamitische staat en andere anti-sjiitische groeperingen, dus het weigeren van veertienduizend potentiële strijders is ongebruikelijk en zeer waarschijnlijk politiek gemotiveerd. Ten tweede bewijst dit het belang van niet alleen Qassem Soleimani, maar vooral ook van Abu-Mahdi al-Moehandis. De leider van de Quds Force en de topman van Kata’ib Hizb’Allah zijn juist degenen die aan het hoofd van de fondsenverdeling staan. Het verlies van deze twee figuren is dus zonder twijfel een enorme klap voor de belangen van de Islamitische Republiek Iran op het Iraakse strijdtoneel.

Daarbij komt ook nog dat de Iraanse missie in Irak praktisch geheel stoelde op het persoonlijke netwerk van Qassem Soleimani. Al-Sistani is door zijn relatief neutrale positie een algemeen gerespecteerd figuur, en al-Sadr haalt veel van zijn legitimiteit uit zijn familiegeschiedenis en uit het feit dat hij als een van de eersten tegen de Amerikanen in opstand kwam. De Iraniërs worden, ondanks Khamenei’s claims dat hij alle sjiieten wereldwijd representeert, door veel Irakezen toch als vreemdelingen, als buitenlanders gezien. Iraanse inmenging in Iraakse binnenlandse aangelegenheden is ondanks het gedeelde sjiitische geloof alsnog een buitenlandse inmenging, en dus niet altijd even welkom. Het uiterst persoonlijke netwerk van Soleimani en de gevestigde macht van al-Moehandis vormden tot de dronestrike dé basis van de Iraanse macht. Het uitvallen van deze twee figuren betekent dus in theorie het verlies van het netwerk dat de PMU, door fondsen selectief te verdelen en anti-Iraanse groeperingen bewust klein te houden, standvastig pro-Iraans hield.

Post-Dronestrike: de PMU na Soleimani

In een in januari geschreven artikel op AlJazeera blikt Farima Alsmadi terug op een jaar zonder Soleimani. De Islamitische Republiek is volgens haar gespitst op voorkoming van een directe confrontatie met haar steeds agressiever wordende tegenspelers. Dit leidt tot een situatie waarin Iran niet direct kan reageren op aanvallen uit angst voor vergelding. De numerieke en materiele kracht van de Islamitische Republiek is na een jaar corona en een lange periode van internationale sanctiepolitiek afgenomen. Niets doen zet het prestige van het regime op het spel. Dit maakt het opgebouwde netwerk aan milities en politiek clientisme dus belangrijker dan ooit.

Soleimani werd opgevolgd door zijn strijdmakker Esmail Qaani. Hoewel Qaani net als Soleimani een veteraan is binnen de Quds Force, geniet hij niet de bekendheid en het respect van zijn voorganger. Zowel binnen als buiten Iran is Qaani tot zijn meest recente promotie een relatief onbekend figuur gebleven. Deze opvolging is daarom, om Qaani’s positie te versterken, gepaard gegaan met veel publiek vertoon, zowel in de Islamitische Republiek als in zijn vazalstaten. Ook in Irak waren afgelopen jaar veel grootse parades van aan Tehran gelieerde strijdgroepen. Tegelijkertijd moesten dergelijke parades en vergeldingsacties vanwege de voorgenoemde lastige positie waarin Iran zich bevindt voorzichtig worden uitgevoerd. Ondanks een retorische zwaai naar Jihad tegen autoritaire regimes en internationale interventie konden Qaani en de Quds Force nou eenmaal niet zélf het vuur openen. Officiële retaliatie is daarom in de praktijk, met uitzondering van de raketaanval begin 2020 waarin de Iraniërs een Amerikaanse basis beschoten, grotendeels uitgebleven.

Het afgelopen jaar was er wel een toename van schermutselingen en aanvallen  op doeleinden gelieerd aan het Westen en hun partners. De aanval op Soleimani en al-Moehandis heeft geleid tot een veelheid aan directe repercussies, gewelddadige vergeldingsacties en harde klappen aan het adres van de tegenstanders van de Hashd’. Kort door de bocht gesteld lijkt het uitschakelen van Abu-Mahdi al-Moehandis en Qassem Soleimani dus niet te hebben geleid tot een verzwakking van de positie van pro-Iraanse groepen in Irak, maar juist eerder tot een veel hardere tegenbeweging. Je zou dus kunnen beargumenteren dat de dronestrikes, bedoeld om de Iraniërs te verzwakken, uiteindelijk hebben geleid tot een verdere versterking van de Iraanse macht in Irak.

De Toekomst: Pro-Iraans Arabistan of een Zwakker Iran?

In zijn speech op 31 juni 2020 greep Khamenei terug op de aanval op Soleimani. De Grootayatollah zette uiteen hoe de Verenigde Staten met onder andere deze aanval een poging hadden gedaan om Iran fysiek af te scheiden van de aan haar verwante Arabische verzetsbewegingen. Hoewel Khamenei hier niet lang bij stil stond toont het wel het belang van Irak aan, en van de activiteiten van onder andere de Quds Force in dit land. In de Iraanse buitenlandpolitiek vormt Irak de schakel tussen Tehran en haar bondgenoten. Het behouden van en de bescherming van de Iraanse suprematie in Irak is dus noodzakelijk.

Moqtada al-Sader in 2019 in Teheran, geflankeerd door geestelijk leider Khamenei en Qasem Soleymani ©khamenei.ir/Wikimedia Commons

Moqtada al-Sadr bracht eind januari 2020 een een bezoek aan de Iraanse heilige stad Qom om de toekomst van de PMU te bespreken. Het bezoek toont volgens analist Seth Frantzman aan dat zelfs deze machtige warlord, die zich vóór de Amerikaanse aanval nog bezig hield met het steunen en beschermen van de anti-regeringsprotesten, nu voorzichtiger handelt en potentieel zelfs meer open staat voor Iraanse invloeden in zijn organisaties. Al-Sistani daarentegen profileert zich, met zijn korte ontmoeting met de paus afgelopen maart, wederom als een verbindende factor voor alle Iraakse sjiieten én als concurrent van Khamenei. De aanval op Soleimani en al-Moehandis heeft dus zeker invloed gehad op de onderlinge verhoudingen tussen de verschillende sjiitische groeperingen en hun geestelijk leiders.

Binnen academische kringen wordt nog volop gespeculeerd over de daadwerkelijke gevolgen van de drone-aanval op de toekomst van de PMU. Over één ding zijn ze het wel eens: de luchtaanval waarbij Abu-Mahdi al-Moehandis en Qassem Soleimani werden gedood heeft de spelregels voor groepen gelieerd aan de PMU grotendeels veranderd. Volgens Robin-D’Cruz en Mansour kan de luchtaanval de pro-Sadr en pro-Sistani-groepen binnen de organisatie hebben gedwongen om een ​​minder anti-Iraanse houding aan te nemen. Aan de andere kant speculeren academici als Michael Knights dat de luchtaanval juist weer een positief effect kan hebben op de positie van anti-Iraanse groepen.

Hoe dan ook heeft de luchtaanval de Iraanse leiderschapsstructuren in Irak vrijwel volledig omvergegooid. Dit heeft geleid tot een vacuüm, waar minder pro-Iraanse groeperingen gretig gebruik van zouden kunnen maken. Moqtada al-Sadr kan bijvoorbeeld zijn numerieke superioriteit, de sterke sociale basis van zijn beweging, zijn banden met zowel internationale als binnenlandse spelers en het einde van al-Moehandis’ macht over de verdeling van PMU-fondsen in zijn voordeel gebruiken om de overhand te krijgen. Aan de andere kant kan de versterkte slagkracht van pro-Iraanse groepen binnen de PMU wijzen op een verdere pro-Iraanse neiging en een versterking van de positie van de Islamitische Republiek.

Na de luchtaanvallen hebben groepen als die van al-Sadr volop steun betuigd aan Iran. Zo heeft Muqtada al-Sadr zijn hulp aan de protestbewegingen ingetrokken en met zijn militie het Turkish Restaurant, het hart van de protesten in Bagdad in 2019, bezet. Dergelijke acties gingen begrijpelijkerwijs ten koste van de steun van Bagdads protestbewegingen aan al-Sadr en zijn groepering. Om te begrijpen waarom al-Sadr zo’n controversiële zet zou nemen kunnen we, aldus Knights, teruggrijpen op diezelfde aanvallen die bedoeld waren om Iran te verzwakken. Die hebben volgens hem namelijk bewezen dat de Verenigde Staten praktisch zonder directe consequenties tegenstanders kunnen en zullen liquideren wanneer dat hen zo uitkomt. Als de VS de leider van de IRGC-QF in Irak zo kan aanvallen, kunnen ze dat dus ook doen bij andere groeperingen. Het inleveren van autonomie en achterban voor Iraanse bescherming en het lidmaatschap van een grote en machtige organisatie als het PMU, zou een pragmatische, zo niet noodzakelijke stap kunnen zijn om als militie te kunnen overleven.

De kern van het verhaal is en blijft dus dat we gewoon nog niet kunnen weten wat de precieze invloed van de moordaanslag is op de positie van Iran in Irak. De ontwikkelingen van het afgelopen jaar tonen een complex beeld van een complex land, en de dronestrike en de daaropvolgende gebeurtenissen laten zien dat de positie van Iran zowel is versterkt als verzwakt. De toenemende agressiviteit van pro-Iraanse groepen in de PMU kan een teken zijn van zowel zwakte als kracht. De luchtaanval op Soleimani en al-Moehandis heeft de Islamitische Republiek de belangrijkste spil in hun zo nodige netwerk ontnomen, maar tegelijkertijd bewees de aanval hoe belangrijk zo’n sterk netwerk is, ook voor de Iraakse groepen. Het ontstane machtsvacuüm is duidelijk nog niet opgevuld en Qaani heeft nog niet de prestige en het respect dat Soleimani had, maar ook potentiële tegenspelers, ook al-Sadr en al-Sistani, hebben nog geen duidelijke greep naar de macht gedaan. Wel kan geconcludeerd worden dat het uitschakelen van individuen als Soleimani en al-Moehandis géén directe doodsklap betekent voor een organisatie als de PMU. Er liggen dus nog mogelijkheden open, voor zowel Iran als voor andere landen en groeperingen. De controle van de Hashd’ op de Iraakse politiek is onmiskenbaar, maar de race voor controle op de PMU – en dus invloed in Iraks sji’a gemeenschap – is nog lang niet gewonnen.

Stefan Hageman is student Midden-Oostenstudies aan de Rijksuniversiteit Groningen. Voor zijn masterscriptie en specialisatie onderzoekt hij de rol van de Popular Mobilization Units en de sji’itische gemeenschap in Irak. Daarnaast is hij geïnteresseerd in Iraanse buitenlandpolitiek en politiek sji’isme.

Deze website gebruikt cookies om uw ervaring te verbeteren. Door op de 'accepteer' knop of andere links in de site te klikken, geeft u aan hiermee akkoord te gaan.