‘Vrij ondernemerschap is niet de oplossing voor Arabische jongeren’

Wat volgde was extreme teleurstelling. Linda Herrera, een in het Midden-Oosten gespecialiseerde sociaal-antropologe die 17 jaar in Egypte woonde, kreeg de indruk dat de Arabische opstanden van 2011 grotendeels aan de tientallen auteurs van het rapport voorbij waren gegaan. Het bood in haar optiek geen enkel nieuw inzicht. Het grossierde in vertrouwde, holle aanbevelingen. Jonge mensen moesten ‘empowered’  worden. Ze moesten de kans krijgen hun lot in eigen handen te nemen. Daartoe diende het onderwijs drastisch aan de eisen van de markt te worden aangepast. Vrij ondernemerschap was het sleutelwoord. Jonge Arabische ondernemers waren immers de architecten van een vreedzaam Midden-Oosten, een Midden-Oosten waarin de lokroep van het moslimextremisme definitief zou verstommen.

Het is volgens Herrera een valse boodschap, en een recept voor nog meer instabiliteit, ongelijkheid en extremisme. De adviezen van het UNDP zullen Arabische jongeren in haar ogen veroordelen tot het precariaat: deze betrekkelijk nieuwe term, waarin de woorden ‘precair’ en ‘proletariaat’ zijn samengetrokken, slaat op een nieuwe sociale klasse van relatief hoogopgeleide jonge mensen die veel in hun toekomst hebben geïnvesteerd, maar voor het merendeel gedoemd zijn van een kille kermis thuis te komen: kortlopende arbeidsovereenkomsten, lage inkomens, weinig sociale zekerheid, weinig sociale banden, en weinig politieke zeggenschap.

De toenemende arbeidsonzekerheid van de middenklasse is een wereldwijde ontwikkeling. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de middenklasse  in het Midden-Oosten, of wat daarvoor doorgaat, bijzonder kwetsbaar is, vanwege de overbekende kwalen als mismanagement, corruptie en despotisme in dit deel van de wereld. ‘Ik vind de boodschap van het UNDP daarom wreed en schadelijk,’ zegt Linda Herrera. ‘Het is een boodschap die stoelt op het idee dat de vrije markt de remedie is voor alles. Neo-liberalisme? Dat is een term die ik niet graag gebruik, omdat niet iedereen er hetzelfde onder verstaat, maar laat duidelijk zijn dat het UNDP-rapport het paradigma van vrij ondernemerschap, menselijk kapitaal en de privatisering van markten volledig heeft omhelsd. Daarmee zou de empowerment van jongeren gediend zijn. Los van het feit dat ik dit niet geloof, gaan de auteurs er vrijwel volledig aan voorbij dat jongeren tijdens de Arabische opstanden al bezig waren zichzelf te empoweren. Je hoeft ze niet voor te schrijven hoe ze dat moeten doen, dat is nogal bevoogdend: ze deden dat al in een fascinerend alternatief universum, dat aanvankelijk bestond uit smartphone-netwerken, en later uit de blogosphereen sociale media. Ze leerden elkaar daarin zaken die het onderwijs hun had moeten bieden maar niet deed en ook niet zal doen als de extreem op de markt gerichte aanbevelingen van het UNDP ten aanzien van het onderwijs navolging vinden. De jongeren leerden elkaar burgerschap, gemeenschapsvorming, solidariteit. ‘

Herrera wijst erop dat er in dit alternatieve universum, dat al jaren vóór de opstanden bestond, bruisende bewegingen ontstonden, zoals, in Egypte, de Beweging van 6 april, en de anti-martelingscampagne ‘Wij zijn allemaal Khaled Saïd’, in nagedachtenis van de blogger die in 2010 door de Egyptische politie werd doodgeslagen. Daarnaast wijst ze op de vele andere moedige initiatieven die corruptie en wangedrag van gezagsdragers aan de kaak stelden. ‘Door de contrarevolutie zijn deze bewegingen zwaar in de verdrukking geraakt ,’ zegt ze, ‘maar vergis je niet, ondergronds blijven jonge mensen zich roeren. Zo stellen Koptische jongeren het establishment in hun eigen gemeenschap aan de kaak, en hetzelfde gebeurt binnen de Moslimbroederschap. Dat proces was trouwens al gaande vòòr de val van Moebarak, maar werd tijdelijk gestuit toen de oudere, conservatieve garde binnen moslimbroederschap progressievere elementen het zwijgen wist op te leggen omdat de politieke macht in het land voor het grijpen leek.’

Wat u zegt lijkt los te staan van de behoefte aan werk. Wat levert al dat ontluikende burgerschap en sociale activisme, hoe hartverwarmend het ook is, concreet op?

‘Dat zal ik je zeggen: uitzicht op een samenleving die niet gekenmerkt wordt door corruptie, onderdrukking en onvrijheid. Zolang die corruptie, onderdrukking en onvrijheid blijven bestaan is het onzin om veel heil te verwachten van vrij ondernemerschap. Als je daarop mikt in een onvrije maatschappij, krijg je een door vriendjespolitiek beheerst kapitalistisch systeem: crony capitalism. Je kunt toekomstige jonge Arabische ondernemers wel de rol van vredesarchitecten in de maag splitsen, maar als ze helemaal geen politieke vrijheid genieten, als ze binnen de bestaande machtsverhoudingen weinig tot niets hebben in te brengen, is dat een last die ze niet kunnen dragen. Bovendien is het helemaal niet realistisch om te veronderstellen dat iedereen ondernemer kan worden als-ie maar een goed idee heeft, een beetje hulp krijgt, en zijn stinkende best doet. Weinig mensen slagen als ondernemer, dat is een axioma. Het is dus niet alleen onjuist, maar ook nogal hardvochtig om vrij ondernemerschap als de oplossing voor politieke en maatschappelijke problemen aan te prijzen.’

U verzet zich erg tegen de opvatting dat onderwijs vooral tot werk moet leiden. Blijft het niet logisch te streven naar een goede aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt als de jeugdwerkloosheid zo hoog is als in de Arabische wereld?

‘Ik heb mij jarenlang intensief met onderwijs beziggehouden en verzet mij tegen die functionele benadering. Ik erger me ook, in het verlengde daarvan, aan de overmatige aandacht voor exacte vakken. Het lijkt wel of die aandacht het enige overgebleven kwaliteitscriterium is. Het vormend aspect van onderwijs vind ik veel belangrijker, al was het maar omdat hoge cijfers voor exacte vakken al lang geen garantie meer zijn dat je er beter voor zult staan op de arbeidsmarkt. De correlatie tussen onderwijs en werk is al lang niet meer vanzelfsprekend. Dat zie je wereldwijd. Door kunstmatige intelligentie, automatisering en outsourcingis de arbeidsmarkt aan het veranderen in een tempo dat wij niet eens kunnen bevatten, en waar het reguliere onderwijs dus ook steeds minder een antwoord op heeft. Ik zeg niet dat het nutteloos is als voorbereiding op de arbeidsmarkt. Technische scholen leiden je op tot ingenieur en ingenieurs zijn nodig. Maar het is onzin om de waarde van onderwijs terug te brengen tot hoge cijfers voor exacte vakken omdat die je een goed betaalde baan bezorgen. Het eerste doel van onderwijs is mijns inziens meer dan ooit om een goede burger van je te maken,  om je te leren kritisch na te denken  over maatschappelijke veranderingen. Het UNDP-rapport zegt juist dat jongeren enkel aan zichzelf moeten denken, individuele doelen moeten nastreven. En als ze dan mislukken, is het hun eigen schuld. Je opleiding had je immers het gereedschap gegeven om te slagen. Ik vind dat onbarmhartig.’

Utopia bestaat niet. Is een precariaat, dat nog een beetje kansen biedt, uiteindelijk niet het minste kwaad? Is het niet beter dan een proleteriaat, waarin iedereen tot armoede veroordeeld is? De gemiddelde Arabier heeft het toch nooit breed gehad?

‘Nee, maar voorheen op nationalistisch-socialistische leest geschoeide Arabische landen als Egypte, Syrië, Jemen en Soedan waren toch een stuk socialer. Ze kenden vrij uitgebreide stelsels van sociale voorzieningen. De omvangrijke overheidssector maakte de vorming van een bescheiden middenklasse mogelijk. Natuurlijk, het waren politiestaten, de politieke vrijheid was nihil, maar de sociale mobiliteit was een stuk groter dan nu. Pas toen die landen flinke schulden kregen, werd de middenklasse uitgehold, mede onder invloed van een door IMF en de Wereldbank voorgeschreven beleid.’

Als deze regimes maatschappelijk zo succesvol waren, waarom gingen ze dan ten onder?

‘Omdat economische liberalisering een enorme welvaartsgroei beloofde. Die belofte is ook waargemaakt, maar dan vooral in Westerse landen, in Europa, waar de sociaaldemocratie het kapitalisme in goede banen leidde. In de meeste ontwikkelingslanden heeft de liberalisering vooral corruptie en maatschappelijke ongelijkheid tot gevolg gehad. En religieus radicalisme, vanwege de verontwaardiging hierover. Het is nu eenmaal zo dat in de meeste dictaturen, het vooral een elite is die van privatisering profiteert.’

Vindt u het niet vreemd dat de auteurs van het UNDP-rapport – deskundigen, naar men mag aannemen – alle zaken die u noemt over het hoofd hebben gezien?

‘Het UNDP is een bolwerk van deskundigheid. Het kan ruim putten uit lokale expertise. Daarom was ik juist zo teleurgesteld. Het lijkt erop dat een aantal Arabische ambassadeurs zich met de inhoud van het rapport heeft bemoeid en ervoor heeft gezorgd dat enkele aspecten waar zij niet op zaten te wachten niet aan bod kwamen. Drie auteurs van het vierde hoofdstuk, waarin werd ingegaan op online-activisme en op jonge vrouwen als dragers van culturele verandering, hebben geklaagd dat ze weinig van hun tekst hebben teruggevonden in de eindversie. Het is sowieso niet erg transparant hoe zo’n eindversie tot stand komt. Ik erken overigens dat mijn verwachtingen misschien niet zo realistisch waren. Dat is wat collega’s mij hebben voorgehouden. Een rapport waaraan zo veel mensen werken, levert natuurlijk altijd een compromistekst op. En het was te verwachten dat politiek gevoelige zaken er voor een groot deel uit zouden worden gelaten. Vandaar dat  hele belangrijke factoren als wapenhandel  en door het Westen gesteunde oorlogen helemaal onvermeld blijven. Aan de andere kant: wanneer niemand zijn nek uitsteekt, wat kan je dan überhaupt nog verwachten?’

Uw kritiek staat. Maar moet u dan ook geen alternatief bieden?

‘Natuurlijk, ook al is dat moeilijk. Waarvoor ik pleit is een hervorming van het onderwijs. Want ik ben het er absoluut mee eens dat het nu niet voldoet. Dat het volkomen verouderd is. Maar ik zou niet in de eerste plaats investeren in exacte vakken, maar in geschiedenis, menswetenschappen, kunsten. Dat zijn vakken die de verbeelding stimuleren, de creativiteit aanwakkeren, en dat is nodig om de problemen van de Arabische wereld te lijf te gaan. Begrijp me goed: ik vind exacte vakken wel degelijk heel belangrijk, maar het hele idee dat die onontbeerlijk zijn om de mondiale markt te bedienen, is niet meer geldig. Daarnaast denk ik dat het goed is om onderwijs meer toe te snijden op lokale behoeften.

Verder is een herbezinning op arbeid noodzakelijk. Er zijn niet genoeg banen en die zullen er ook niet meer komen. Dus moet je als samenleving gaan nadenken over het toekomstige karakter van arbeid. Accepteer niet dat arbeidskrachten veroordeeld worden tot het precariaat, want de maatschappelijke prijs daarvoor is te hoog. Het is een recept voor instabiliteit. Bied bescherming. Neem mensen hun waardigheid niet af. Zoek samen naar manieren om het gebrek aan werk te ondervangen. Ik denk daarbij aan experimenten met het basisinkomen. Die zijn er bij mijn weten nog niet geweest in het Midden-Oosten, maar wel in andere niet-westerse delen van de wereld, zoals India en Latijns-Amerika, en de resultaten waren bemoedigend. Het belangrijkste is misschien dat we beter, nauwkeuriger en geduldiger luisteren naar wat jongeren in het Midden-Oosten te zeggen hebben en geen oplossingen van bovenaf opleggen.’

Herrera is Professor of Education Policy, Organization and Leadership aan de universiteit van Illinois. Haar onderzoek richt zich op onderwijs en en ‘critical democracy’, ’the sociology of generations’, internationaal ontwikkelingsbeleid, jongeren, mondiale jeugdbewegingen, en burgerschap en bestaansmiddelen in een tijdperk van sociale media, ‘precarity’ en massa-immigratie. 

Khadija Hamouchi trekt ten strijde tegen de ‘mediocratie’ in het Midden-Oosten

Ageren, in plaats van reageren, dat is wat de jonge Arabieren van deze tijd moeten doen. Met dat doel wil Hamouchi via de app ‘Sejaal’ een nieuw sociaal netwerk  creëren, waarmee jongeren in het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA) de beschikking krijgen over kwaliteitsonderwijs.

‘In welke taal zullen we het interview doen’, vraagt Khadija in het Nederlands tijdens een bijeenkomst in Den Haag waar ze op uitnodiging van het Grote Midden-Oosten Platform (GMOP) spreekt over de kansen en uitdagingen voor jongeren in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Zonder het antwoord van de interviewer af  te wachten, gaat ze in accentloos, op een Londense universiteit gekneed Engels verder: ‘De Arabische millennials moeten ongecensureerd geschreven teksten kunnen uitwisselen over allerlei onderwerpen en op alle gebieden.’
En na twee telefoontjes te hebben afgehandeld, één in het Frans en één in het Arabisch: Young people can change middle power authorities.’

Het is pauze en het programma van het GMOP is hectisch. Wat ‘Middle power authorities’ zijn? De bestuurders van landen van middelgrote machten. Vergeleken met grootmachten, hebben ze ingewikkelder gedragsthema’s en prioriteiten dan vaak wordt aangenomen. De meeste landen in de MENA-regio  zijn ‘middle powers’, en volgens Khadija Hamouchi  wordt hun politiek niet alleen bepaald door omvang of militaire of economische macht, maar ook door zogeheten probleemgebieden waarin middelen en kennis worden geïnvesteerd. ‘Middelgrote machten zijn normaal gesproken drijvende krachten in het proces van transnationale institutionele opbouw,’ zegt Hamouchi, ‘althans: in het zogeheten Westen.  In de MENA-regio is dit nog niet zo, maar we zijn wel op weg daar naartoe.’

Tegen het systeem waar middelmatigheid wordt beloond

In het Midden-Oosten en Noord-Afrika wordt de politiek beheerst door middelmatigheid. En Khadija Hamouchi heeft een grote hekel aan ‘mediocracy’, het systeem waarin middelmatigheid wordt beloond. Als ze spreekt is het dan ook niet in makkelijk behapbare staccato-zinnetjes, maar in grammaticaal perfect geconstrueerde volzinnen, die een aandachtig gehoor verdienen.

Taal is belangrijk voor Khadija: ze studeerde Germanistiek aan de Facultés universitaires Saint-Louis  in Brussel en Duitse taalkunde, letterkunde en cultuurkunde aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Met haar Master van de Goldsmiths University of London op zak werd ze in 2015 geselecteerd voor het ‘Executive Education Programme in Leadership, Business, and Innovation’ aan de Graduate School of Business van de Stanford University in de Verenigde Staten. Zeker gedurende dit laatste verblijf is ze het idee van ‘probleemgebieden’ waarin landen hun middelen en kennis investeren, gaan combineren met haar studies op het gebied van taalkunde en onderwijs.  Ze is dan ook blij met nieuwe initiatieven in de MENA-regio op het gebied van educatie, zoals die van de Jordaanse Koningin Rania Al Abdullah tijdens de ‘Arab Education Summit’ in maart. ‘Het is belangrijk dat zo’n conferentie nu plaatsvindt en dat de focus wordt gelegd op wat relevant is.  Tot het jaar 2020 komen er zo’n 100 miljoen millennials op de arbeidsmarkt. Het is belangrijk dat die ook werk vinden en een opleiding hebben genoten die hen daarop goed voorbereidt.’

Hamouchi verbleef enige tijd in Egypte en kon daar het onderwijs van het land met binnenkort 100 miljoen inwoners onder de loep nemen. ‘De leerkrachten zijn daar goed en heel betrokken en de jongeren talentvol, maar het onderwijssysteem ligt er aan diggelen.’ En die kloof tussen het talent van de bevolking en de gebrekkige structuur van het onderwijssysteem zette haar aan het denken.

Veel jongeren zoeken verder op het internet en vinden daar dan alleen middelmatigheid. ‘De millennials zijn niet dom,’zegt Kadija. ‘De producenten van digitale platforms komen niet langer weg met inhoud van lage kwaliteit.  Daarmee kunnen ze de interesse van de jonge generatie niet langer behouden. De industrie moet nieuwe normen, hogere standaards, betere kwaliteit en grote relevantie aanbieden, zodat ze jonge doelgroepen beter kunnen bedienen.’ Khadija heeft een duidelijke mening.  Is ze als Arabische jonge vrouw een uitzondering.? ‘Nee,’ zegt ze. ‘Natuurlijk kan ik bouwen op mijn ervaringen uit Brussel, Londen, Berlijn, San Francisco, Cairo, Parijs en nu Beiroet, maar de Arabische millennials zijn hoog gemotiveerd.’

 Met digitale inhoud tegen het achtergebleven formele aanbod van schoolonderwijs

 Met haar eigen idee voor een nieuw sociaal netwerk –de app ‘Sejaal’–  wil Hamouchi kwalitatief onderwijs beschikbaar stellen voor jongeren in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. ‘De sleutel is om digitale inhoud zoveel mogelijk te onderscheiden van het achtergebleven formele aanbod van schoolonderwijs.’

Aanbieders van digitale inhoud en uitgevers zouden in gedachten moeten houden dat de meeste Arabische millennials hun aanbod gebruiken als een mogelijkheid voor levenslang leren. Volgens Hamouchi hebben deze millennials verder moeite met de onaantrekkelijkheid van de gebruikersinterface van Arabische websites. Ze worden afgeschrikt door irrelevante advertentiepop-ups, overvolle tekst en onduidelijke kleuren. ‘Er is weinig onderzoek gedaan naar de gebruikersinterface en gebruikerservaring voor websites in het Arabisch’, zegt ze. Terwijl dit juist van cruciaal belang is om het intuïtieve rechts-links-patroon – de ‘directionaliteit’ – van de taal voor Arabische consumenten recht te doen. Arabische jongeren zijn volgens Hamouchi erg gevoelig voor digitale identiteiten, het gevoel dat ze bij een gemeenschap horen. ‘Storytelling begint met de kop. Veel millennials zeggen dat ze besluiten een verhaal te lezen op basis van de kop. We leven in een wereld van scrollfeeds en mensen klikken op inhoud waarvan ze denken dat die waarde toevoegt aan hun dag. En zou het dan niet mooi zijn als deze waarde ook een echte waarde is, iets van hoge kwaliteit?

Met ‘Sejaal’ wilde Khadija Hamouchi Arabische jongeren tussen 18 en 30 jaar in contact brengen met leermateriaal in de vorm van video’s, infographics en artikelen. Was haar App “Sejaal” in 2015 nog een soort verbeterd Facebook, een platform waar de leden ook echt iets bijleren en waarvan je inhoud die jongeren interessant vinden kon opslaan en notities kon toevoegen, tegenwoordig gaat ze een stuk verder. Ze wil een goed beveiligd platform waarop jongeren zich alleen met tekst kunnen bezighouden. Verhalen – ‘non-fiction tekst’ – zijn een krachtig en machtig middel en leiden tot zinvolle interactie. ‘Kijk ,’ zegt ze, ‘je hebt ‘food-delivery-apps’ die een kant-en-klaar product opleveren dat we opeten. Onze app moet een platform zijn dat leidt tot uitwisseling. Dus geen passieve consumptie van meningen, maar actieve uitwisseling van kennis, op basis van beschreven feiten, en door middel van participatie gekenmerkt door intellect en logica.’

Jongeren in het Midden-Oosten verdienen onze steun

Deze week bezoekt minister Sigrid Kaag (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) het Midden-Oosten. Op haar Twitteraccount zien we foto’s van statige ontmoetingen met hoogwaardigheidsbekleders. Maar ze twittert ook een foto van een ‘inspirerende ontmoeting’ met een paar Saoedische jongeren, die ze een ‘belangrijke gesprekspartner’ noemt. Het is waardevol dat de minister ook met hen spreekt. Maar dit mag niet alleen voor de Twitter-bühne zijn. Binnenkort presenteert minister Kaag haar meerjarenstrategie en daarin moet de prioriteit voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika duidelijk zijn: investeren in de jonge generaties.

De regio kent immers een bijzondere demografische opbouw: bijna 60 procent van de bevolking is jonger dan 30 jaar. Deze jongeren vormen een uniek potentieel: ze zijn beter opgeleid dan alle generaties voor hen, wonen voor het overgrote deel in de stad, en hebben veel beter toegang tot veel meer kennis en informatie dan hun ouders – bijna iedere jongere in het Midden-Oosten heeft immers een smartphone.

Maar dit potentieel wordt slecht benut. De regio kent een van de hoogste jeugdwerkloosheidscijfers ter wereld — gemiddeld zo’n 30 procent, en voor jonge vrouwen zelfs meer dan 40 procent. Geen baan betekent geen inkomen, geen eigen woning, geen huwelijk. Kortom: weinig toekomstperspectief. De stem van jongeren wordt onvoldoende gehoord en zij verliezen het vertrouwen in de overheid.

De landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika staan hiermee voor een historische opgave: hun jonge generaties optimale kansen geven om te bouwen aan een betere toekomst. Nederland is er alles aan gelegen om dit te ondersteunen. Al is het alleen maar omdat twee belangrijke zorgen in de Nederlandse samenleving – immigratie en radicalisering – direct samenhangen met een gebrek aan toekomstperspectief voor jongeren aan de andere kant van de Middellandse Zee.

Dit besef vormde het uitgangspunt van een bijzondere bijeenkomst vorige week met jongeren uit het Midden-Oosten en met vertegenwoordigers van Nederlandse ngo’s, universiteiten, financiële instellingen, bedrijven en overheidsorganisaties. Op uitnodiging van het Grote Midden-Oosten Platform spraken zij over de kansen en uitdagingen voor jongeren in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Zij kwamen tot een lijst van aanbevelingen voor de meerjarenstrategie van de Nederlandse regering. Ik haal er drie uit:

  • Ondersteun lokale netwerken en ngo’s waarin jongeren de kans krijgen om direct invloed uit te oefenen op hun leefomgeving. Geef daarbij financiële ondersteuning aan alternatieve (online) media, waarin jonge mensen – jonge vrouwen voorop –als rolmodellen fungeren voor hun leeftijdsgenoten.
  • Investeer in het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs. Kies daarbij vooral voor het beroepsonderwijs, voor de overgang van school naar werk, en voor innovatieve vormen van onderwijs, zoals virtuele klaslokalen en online cursussen.
  • Stimuleer Nederlandse bedrijven om te investeren in verschillende sectoren in de regio (landbouw, watermanagement, technologie, duurzaamheid), om in de regio vestigingen te openen, en om traineeshipprogramma’s op te zetten voor lokale jonge talenten.

Een paar van die jonge talenten uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika dachten mee over de aanbevelingen voor het Nederlandse beleid. Zij zijn realistisch over de vele uitdagingen, optimistisch over de kansen die er zijn, en hoopvol over de steun die ze hierbij krijgen.

Zoals de 29-jarige Asma uit Libië, waar misschien wel de grootste chaos en ellende heerst. In de afgelopen jaren heeft ze zes vrienden verloren in de gewapende strijd in haar land. Zij ziet dat veel 16-jarige Libiërs er niet voor kiezen om naar school te gaan, maar om met een kalasjnikov een checkpoint te bemannen. Dat wordt immers redelijk betaald. Desondanks blijft Asma strijden voor een einde aan de oorlog, voor beter onderwijs, voor meer zeggenschap voor jonge Libische vrouwen. Nederland moet zich scharen achter Asma, en achter de miljoenen andere jongeren in het Midden-Oosten en Noord-Afrika.

 

Advies van 40 deskundigen – Zo help je jeugd in Midden-Oosten

Op uitnodiging van het Grote Midden-Oosten Platform kwamen onlangs ruim veertig vertegenwoordigers van Nederlandse ngo’s, universiteiten, financiële instellingen, bedrijven en overheidsorganisaties samen in Den Haag. Zij spraken over de kansen en uitdagingen voor de vele jongeren in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Want de regio kent een bijzondere demografische opbouw: bijna 60 procent van de bevolking is jonger dan 30 jaar.

Hoe kunnen we vanuit Nederland deze jonge generatie ondersteunen? Een overzicht van de aanbevelingen aan de Nederlandse regering vindt u in deze pdf:

Youth Employment and Participation in the Middle East

Syrische vluchtelingen maken nieuwe start in Turkije

Elke werkdag voor half acht ’s ochtends stapt Mohamad Sawas (28) uit Aleppo op de bus, de drukke ochtendspits van Istanboel in, om op tijd op zijn werk te zijn: de fabriek van de Brits-Nederlandse multinational Unilever waar onder meer levensmiddelen als Knorr soep en drankjes als Lipton thee worden geproduceerd.

‘Unilever zorgde ervoor dat ik deze werkvergunning kreeg’, zegt Mohamad terwijl hij trots zijn kaart laat zien. ‘Ik heb nu een jaarcontract om als medewerker world class manufacturing bij te dragen aan de kwaliteitsbewaking. Echt geweldig. Ik leer enorm veel bij.’

Na de oorlogsellende die hij en zijn familie in Syrië jaren moesten doorstaan, stapte Mohamad met zijn felbegeerde werkvergunning een totaal andere wereld binnen.

‘Onze flat lag aan de frontlinie. Drie keer ontsnapte ik aan de dood in ons deel van Aleppo dat door het regime wordt gecontroleerd. Een keer trof een raket de derde verdieping van onze flat. Wij overleefden doordat we op de vierde verdieping woonden. Onze buurvrouw en haar dochter, die net was afgestudeerd voor apotheker, vonden de dood bij een raketinslag’, vertelt Mohamad  zacht.

Om aan het gevaar te ontsnappen en verder te kunnen studeren, vluchtte hij in 2015 naar Turkije. ‘Van Aleppo naar de Turkse grensstad Gaziantep was voor de oorlog maar 2 uur. Nu kostte het me drie dagen. Via Damascus naar Libanon en van daar per boot naar de Turkse havenstad Mersin’. Zijn ouders hadden het geld niet om zijn reiskosten van zo’n 400 dollar te betalen. ‘Mijn moeder besloot om een van haar gouden ringen te verkopen. Dat was heel emotioneel. We moesten allebei huilen’.

United Work

Mohamad is een van de ruim 200 Syrische vluchtelingen die dit jaar dankzij een Nederlands project legaal werk heeft gevonden in Turkije. Het gaat om een initiatief van voormalig minister Lilianne Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Het project, dat begin dit jaar van start ging, kreeg de naam United Work en komt voort uit de in Eindhoven gevestigde IP Groep. Dat bedrijf heeft ruim 20 jaar ervaring met arbeidsbemiddeling en re-integratieprogramma’s op de arbeidsmarkt.

United Work haalde zijn doelstelling van 200 banen voor Syriërs in dit eerste jaar al in september. Tien procent van hen is vrouw. Daarnaast zijn er ruim 120 vacatures waar vluchtelingen op kunnen solliciteren.

‘We hebben meer dan 1.800 kandidaten aan bedrijven voorgesteld’, zegt Enis Kösem, general manager van United Work. ‘In onze database zitten zeker 2300 CV’s. Bijna 260 vluchtelingen zijn door ons getraind, van wie 151 met een hogere opleiding en 105 handarbeiders.’

Voor 2018 is met Den Haag een drie maal hogere doelstelling, 600 banen, afgesproken. ‘Binnen een maand van onze nieuwe periode, die eind volgend jaar afloopt, hebben we al weer 77 vacatures vervuld met vluchtelingen’, zegt Kösem opgetogen.

Sinds begin 2016 kunnen Syrische vluchtelingen in aanmerking komen voor een werkvergunning in Turkije. In sectoren als textiel, de bouw, industrie, onderwijs en gezondheidszorg. Het recht op een werkvergunning is een belangrijk onderdeel van het akkoord tussen de EU en Turkije van maart 2016 om de vluchtelingenstroom naar Europa te belemmeren.

Zwart werk

Van de meer dan 3,28 miljoen geregistreerde Syrische vluchtelingen in Turkije hebben er tot begin dit jaar nog geen 14.000 een werkvergunning gekregen, meestal voor een jaar.

Naar schatting 650.000 Syriërs hebben werk in Turkije gevonden. Van deze kwetsbare groep werkt 98 procent in het zwarte circuit, ook kinderen. Dat illegale werk betekent uitbuiting, zes lange werkdagen per week van 10 tot 12 uur, en geen enkele verzekering tegen ziekte of werkloosheid.

Niet alleen grote Nederlandse bedrijven als Unilever, Vanderlande bagagesystemen en distributiecentra, en Rabobank doen mee aan het initiatief van United Work. Ook Turkse bedrijven als Turkcell, de vleesfabriek Bonfilet, tandkliniek MedicaDent, textiel- en meubelbedrijven, en buitenlandse bedrijven als Vodafone, H&M, en Puma hebben Syrische vluchtelingen via het Nederlandse project gerekruteerd.

Belangstelling voor het initiatief is er inmiddels ook van Duitsland, Zwitserland, België, en Japan, aldus de directeur van United Work, Frank Damen. ‘Een delegatie van de Europese Unie uit Ankara kwam bij ons kantoor op bezoek in Istanboel. Ze waren heel enthousiast over de coaching die wij vluchtelingen geven om hen voor te breiden op de arbeidsmarkt’.

Een van de trainers bij United Work is zelf vluchteling, Huda al-Helal. Ook zij liet de oorlog in Aleppo achter zich en begon twee jaar geleden in Turkije een nieuw leven. Als Syrische heeft ze dezelfde taal en cultuur als de mannen en vrouwen die via een intensief leer-werk traject van twee weken worden klaargestoomd voor een baan.

Ze staat dicht bij de leefwereld van de deelnemers die op zoek zijn naar werk. Dat is duidelijk te zien aan de lichaamstaal tussen haar en haar lotgenoten. ‘Ik hou heel erg van mijn baan’, zegt ze. ‘Hier ben ik gelukkig’.

Uit het verkennend onderzoek in Istanboel, dat vooraf ging aan het opstarten van United Work, bleek dat maatschappelijk verantwoord ondernemen voor bijna driekwart van de bedrijven die wilden meedoen de voornaamste reden was om Syrische arbeidskrachten in dienst te nemen.

Dat geldt ook voor Unilever. ‘We hebben 5.000 werknemers in dienst in Turkije en we willen ons steentje bijdragen aan de integratie van vluchtelingen in de Turkse samenleving’, aldus Steven Gross, de regionale vicepresident personeelsbeleid van Unilever.

Brug slaan

‘Met United Work hebben we afgesproken dat we openstaan voor vluchtelingen als kandidaten voor vacatures en kansen voor hen binnen Unilever willen bieden. We zijn blij dat we tot dusverre onze eerste twee vluchtelingen hebben aangenomen en hen konden helpen bij het verkrijgen van de benodigde documenten in Turkije.’

Ook directeur Frank Damen van United Work toont zich tevreden over de huidige resultaten, de uitbreiding van het project naar de steden Izmir en Bursa, en de groeiende belangstelling van andere landen voor het project. ‘Op deze manier kan er een brug worden geslagen tussen vluchtelingen en werkgevers, die moet leiden tot een legale en duurzame arbeidsrelatie, en een zinvol verblijf in Turkije.’

Films uit de Golf: jonge cineast verovert de rode loper

Op het DIFF worden meerdere korte films vertoond. De naam Al-Kuwaiti deed een belletje bij mij rinkelen: Ahmed al-Kuwaiti was de schuilnaam van Ibrahim Saeed Ahmed, koerier en vertrouweling van Osama bin Laden. Hij kwam met Bin Laden in mei 2011 om het leven bij de inval op de compound in Abbottabad waar ze zich schuilhielden. De Bahreinse filmmaker Ahmed al-Kuwaiti (1995) heeft gelukkig een compleet andere achtergrond.

‘Ik ben de jongste van vijf en mijn oudere broers en zus studeerden al toen ik jong was. Zij deden allemaal serieuze studies, zoals business en economie. Mijn vader is zakenman, net als andere mannelijke familieleden. Heel serieus allemaal. Maar ik speelde graag met computers en keek het liefst de hele dag films. Business interesseert me niet, maar verhalen wel.’

Als hij beseft dat hij met films ook verhalen kan vertellen, besluit hij dat hij zelf ook films wil gaan maken. En zo begint zijn leven als maker van korte films. Hij spendeert als nakomertje veel tijd met de vrouwen uit de familie. ‘Ik kom uit een hechte gemeenschap in Bahrein, waar iedereen alles van elkaar weet en waar alle nieuwtjes, problemen en roddels grif gedeeld worden. Ik was vaak alleen met mijn moeder en tantes. Door hun gesprekken kwam ik ook op het idee van het filmscript. Mijn moeder werkte, toen ze jong was, in een fabriek en vertelde dat ze een keer na het werk op een hele warme dag met haar vriendin een duik in zee had genomen. Ze hadden het warm en waren dorstig, maar het was ramadan dus ze konden geen verfrissing nemen. Dus sprongen ze samen in zee.’ Eerst wilde Ahmed hier een film over maken, maar zijn moeder liet hem beloven dat niet te doen. Dus verzon Ahmed een verhaal over twee vriendinnen die zich op een andere manier niet aan de sociale regels houden.

De film die hij heeft gemaakt gaat over twee jonge vrouwen, een Emirati en een Egyptische. De Emiratische is gesluierd en traditioneler, de Egyptische is hoogzwanger en draagt geen hoofdbedekking. Hun auto komt zonder benzine te staan en de mobiel die ze mee hebben, blijkt leeg. Het enige gebouw in de buurt is een verlaten moskee. Daar gaan ze heen, want de hoogzwangere vriendin moet nodig plassen.

De dames stoppen de telefoon met oplader in een stopcontact, trekken hun schoenen uit en gaan naar de wasruimte waar het toilet is. Eenmaal op het toilet, blijkt de moskee toch niet zo verlaten als ze dachten.

De film duurt elf minuten en is erg spannend.  Ahmed lacht: ‘Ik wilde een film maken die zo spannend is dat je de volle elf minuten je adem inhoudt en op het puntje van je stoel zit.’ En het is zo spannend omdat er allerlei sociale taboes in beeld komen en de twee jonge vrouwen allerlei dingen doen die in de Golfregio niet van vrouwen geaccepteerd worden.

‘Ik wilde een film maken die zo spannend is dat je de volle elf minuten je adem inhoudt’

Het filmen zelf was al even spannend. Ahmed vertelt dat hij de ene na de andere afwijzing te verduren kreeg: niemand wilde met hem de film maken, juist vanwege al die sociale taboes. Een geldschieter trok zich terug, een filmster durfde niet in een moskee op te nemen, het ministerie waar hij de vergunningen moest vragen, nam de telefoon niet op en in de moskee mochten geen vrouwen acteren. Het was zo moeilijk om de juiste vergunningen te krijgen, dat hij uiteindelijk zelf een vergunning in elkaar heeft geflanst. ‘Ik wilde per se een echte film maken, met een boodschap en een verhaal. Niet zomaar een afstudeerprojectje maar een film die op het DIFF vertoond kon worden. Dus er stond voor mij veel op het spel. Ik moest en zou het idee uit mijn hoofd op het witte doek krijgen! Maar het waren wel de zwaarste maanden van mijn leven. De crew, die voor meer dan de helft uit vrouwen bestond, was geweldig. Ze waren net zo fanatiek als ik en we konden goed samenwerken’.

Zijn familie heeft de film inmiddels gezien en er stond een lovende recensie in de krant waar zijn moeder heel gelukkig van werd. ‘De vertoning van mijn film op het DIFF is een droom die uitkomt. Elke keer als het DIFF er was, dan droomde ik dat ik over die rode loper liep. Ik zou hierna ook graag de film in Bahrein willen vertonen.’ En uiteindelijk gaat hij, uiteraard, voor een Oscar.

Kijk hier voor de trailer van ‘A Time To Pray’:

Postscriptum: tijdens het schrijven van dit artikel is de moeder van Ahmed overleden. De première is nu voor hem nog bijzonderder. Want hij weet zeker dat zijn moeder bij hem zal zijn bij de eerste vertoning van zijn film.

Nobelprijswinnaar Pamuk over het verdriet van Turkije: ‘Al het seculiere wordt vernietigd’

Piepend komt het paardenkoetsje tot stilstand bij het adres dat Pamuk stuurde. Op het afgesproken tijdstip gaat het roestige hek van de verwaarloosde tuin open. Verontschuldigend zegt de schrijver: ‘Dit is niet mijn huis hoor, ik huur het in de zomer.’ De trappen af, het huis door, naar een ruim terras dat uitkijkt op Sedef, een van de kleinere Prinseneilanden. ‘Daar woont mijn dochter Rüya (26),’ wijst hij.

Voor het raam van de slaapkamer (bed vol boeken) staat een tafel met een groen kleed. Dit is zijn werkplek, zeven dagen per week. Zijn schrijftafel ligt vol pennen, potloden, een rood notitieboekje, een schaar, een leeslamp, zijn horloge, en een schrijfblok A-4 formaat met wit ruitjespapier waarop hij met vulpen en zwarte inkt werkt aan alweer een nieuwe roman.

‘Waarom? Ik hou van de geur van inkt en papier. Verder schreven Jean-Paul Sartre en Thomas Mann, twee van mijn favoriete auteurs, ook op ruitjespapier.’ Hij onthult nog een ander gebruik dat hij overnam van Mann. ‘Die zei dat hij zijn roman Buddenbrooks had geschreven met een groen tafelkleed onder zijn notitieblok. Ik wilde ook romancier worden en nadat ik dat gelezen had begon ik een groen tafelkleed te gebruiken bij het schrijven’.

Pamuk publiceerde 17 boeken, tien daarvan romans. In 63 talen worden ze gelezen en zeker 14 miljoen lezers kochten een of meerdere exemplaren.

Is het proces van schrijven nog altijd hetzelfde?

‘Ik schrijf nu 41 jaar. Nog steeds is elke zin een krachttoer, met dezelfde intensiteit, zoals een nieuwe stap in het leven. Soms schrijf ik drie zinnen achter elkaar. Dan moet ik weer 40 minuten nadenken over de volgende. Ik verscheur waar ik niet tevreden over ben. Per jaar schrijf ik zo’n 180 bladzijden. Ik ben een trage schrijver. Maar ik klaag niet. Ik ben gelukkig wanneer ik schrijf.’

Is de drang om romans te schrijven in de loop der jaren toegenomen?

‘Bij mijn eerste boeken was het een bewuste beslissing. Later werd het een drang. Wanneer ik hier alleen rond vier uur ’s nachts met een beetje whisky op dit balkon zit dan denk ik even na over de zin van het leven, maar al snel borrelen ideeën op over een nieuw boek. Ik maak aantekeningen in dit notitieblokje. Voor de roman die ik nu schrijf, Nights of Play, begon ik in 2013 materiaal te verzamelen in een schrift. Ik heb nu tien projecten in voorraad.’

‘Nog steeds is elke zin een krachttoer, met dezelfde intensiteit, zoals een nieuwe stap in het leven’

Wat is uw werkritme?

‘Vroeger, voor de komst van mijn dochter Rüya, werkte ik tot vier uur ’s nachts terwijl ik rookte en koffie en thee dronk. Ik sliep tot het middaguur. Net als Dostojevski. Toen mijn dochter er was begon ik vroeg op te staan, rond half zes, werkte wat, maakte ontbijt voor haar en mijn ex-vrouw, en bracht Rüya naar school. Wanneer ik net wakker ben is mijn geest het helderst. Ik check niet eerst mijn e-mail. Vermijd de kranten op dat tijdstip, want ik wil mijn hoofd niet vervuilen met het altijd weer droevige, slechte en demoraliserende nieuws over Turkije.

Rond half negen gaat Asli, mijn vriendin, met de veerboot naar haar werk. Voor ze vertrekt tekent ze een roze hartje in de kantlijn van mijn schrift waar ik op dat moment ben met schrijven. Kijk maar, hier’, zegt hij terwijl hij door zijn schrift bladert. ‘Bij thuiskomst doet ze dat weer om te checken hoeveel ik die dag heb geschreven. Zo stimuleert ze mijn discipline.’ Pamuk schatert het uit. En dan met nadruk. ‘Daar gaat het allemaal om, discipline. Schrijver zijn is het beheren van je geest. Het gaat niet alleen om het schrijven van de tekst maar om het managen van jezelf zodat je de tekst schrijft’.

In welk opzicht verschilt deze roman van de vorige?

‘Ik heb mezelf gedwongen om een korte roman te schrijven. Het ergert me soms dat ik die vorm moeilijk vind. Dat komt door mijn encyclopedische verbeeldingskracht. Zo’n 25 jaar geleden sprak een oudere dame mij aan en zei ‘’Ik ken u, ik hou van uw boeken en heb ze allemaal gelezen.’’ Als een kleine jongen zo blij was ik. ‘’Schrijf weer een lange roman,’’ zei ze toen ze afscheid nam. Maar met deze roman heb ik me de zelfdiscipline opgelegd om het kort te houden’.

Cem, de hoofdfiguur, doet vakantiewerk bij een oude puttengraver. Later wordt hij projectontwikkelaar. Is zijn loopbaan een metafoor voor de ontwikkeling van Istanboel?

‘Het is geen metafoor, het is een realistische beschrijving van wat er in de stad gaande is. Als bouwondernemer kan hij alleen maar succesrijk zijn door te doen wat zijn concurrenten doen: smeergeld betalen of aandelen geven aan de autoriteiten. Daar voelt hij zich schuldig over, omdat zijn vader een linkse activist is en hij conservatieve islamisten op de wang zoent en de handen drukt om geld te verdienen. Het was goed om die richting in te gaan, omdat deze roman gaat over schuldgevoelens. Freudiaanse schuldgevoelens uit het oedipuscomplex over de zoon die de vader doodt, en tevens over een vader die zijn zoon doodt, zoals in het Perzische heldendicht Boek der Koningen van dichter Ferdowsi, waarin Rostam zijn zoon Sohrab om het leven brengt.’

De regering lijkt weinig respect te hebben voor gebouwen in Istanboel die niet uit de Ottomaanse tijd zijn. Stoort u dat?

‘De ironie is dat de partij van president Erdogan, die duidelijk conservatief is, onstuitbaar bezig is het oude Istanboel te moderniseren. In een aantal gevallen is dat onvermijdelijk in een snel groeiende metropool. Maar in mijn vorige roman Dat vreemde in mijn hoofd beweer ik dat onze identiteit niet alleen kan worden gebaseerd op onze godsdienst, maar ook op alles wat verband houdt met onze geschiedenis. De autoriteiten vernietigen echter alles wat te maken heeft met ons seculiere tijdperk als ze er geen geld uit kunnen slaan.’

Zoals in het meeste van uw werk graaft u weer in de geschiedenis. Waarom?

‘Er is geen heden en geen identiteit zonder verleden. De geschiedenis geeft betekenis aan wat we nu doen. De Turkse verwestersing van de afgelopen tweehonderd jaar is helaas doordesemd van vergeten. We zijn afgesneden van onze klassieke teksten. In Iran is dat anders. Daar leeft de oude Perzische poëzie en citeren mensen uit alle sociale lagen nog uit de werken van hun nationale dichters. Eigenlijk zeg ik in al mijn boeken dat verwestersing zou moeten gaan om modernisering. Niet om vergeten maar om herinterpreteren en op een moderne manier herschrijven van de klassieke verhalen. Met trots zeg ik dat ik dat in deze roman ook doe. Romans zijn als musea: we willen daarin details van onze levens conserveren’.

Gülcihan, de vrouw met het rode haar, is een sterke, feministische vrouw. Bent u zelf feminist?

‘Hoe kan een Turkse man feminist zijn? Die twee zijn totaal in tegenspraak met elkaar. Ik doe mijn best, in ieder geval in mijn vorige roman Dat vreemde in mijn hoofd en in deze waarin ik laat zien hoe ongelijk vrouwen worden behandeld in de Turkse samenleving.’

Is deze roman ook een poging om de wortels van het autoritaire systeem in Turkije te begrijpen?

‘Dit boek is twee-in-een: een verhaal over ideeën én een verhaal dat de werkelijkheid weerspiegelt. Heel schematisch gezegd, een onderzoek naar de achtergronden van autoritair gedrag in Azië en individualisme in Europa via het verhaal van koning Oedipus van Sophocles uit Griekenland en het Boek der Koningen van Ferdowsi uit Iran.’

‘Hoe kan een Turkse man feminist zijn? Die twee zijn totaal in tegenspraak met elkaar. Ik doe mijn best’

Baart het u zorgen dat de vrijheid van meningsuiting  steeds meer aan banden wordt gelegd?

‘Ik ben niet bezorgd over mezelf. Maar er zijn zoveel journalisten achter tralies verdwenen. Sommigen zijn mijn vrienden. Dat is niet pijnloos. Zeker 130.000 mensen zijn ontslagen en kunnen nooit meer voor de overheid werken. Ongeveer 50.000 anderen zitten in de gevangenis. De regering bouwt nieuwe huizen van bewaring omdat er te weinig ruimte is in de huidige strafinrichtingen. Bovendien zitten er ongeveer 160 journalisten in de cel. Er is geen democratie zonder vrijheid van meningsuiting. Van de veertien nationale kranten worden er twaalf gecontroleerd door de regering. Van de overige twee zitten journalisten in de gevangenis en lopen processen. In de jaren 2009 en 2010 hadden we meer persvrijheid en vrijheid van meningsuiting dan ooit. Sindsdien holt het achteruit. Politici polariseren steeds meer, lokken conflicten uit met landen in Europa. De autoriteiten zeggen nu ‘’wij hebben geen Europese maar een Turkse democratie’’. Ik ben niet optimistisch over de kans van slagen van deze uitvinding. De enige reden dat de journalisten in de gevangenis zitten is hun journalistieke werk. Dat is onaanvaardbaar. Ik heb de verantwoordelijkheid om me daartegen uit te spreken en het geeft me veel schuldgevoel. Net zoals mijn roman vol schuldgevoel zit’.

Recensie

De vrouw met het rode haar (De Bezig Bij €23,-) is een mysterieus verhaal over haat-liefde relaties tussen vaders en zonen, passie en moord, en de vernietiging van een van Pamuks grote liefdes, het oude Istanboel.

In dit boek vervolgt Pamuk de weg die hij insloeg met zijn vorige roman Dat vreemde in mijn hoofd. Welgestelde burgers staan niet langer centraal. Puttengraver Mahmut is een van de conservatief religieuze migranten van het arme platteland, die de afgelopen decennia met miljoenen in Istanbul zijn neergestreken.

Commentaar op de politieke ontwikkelingen in Turkije zit fraai verweven in deze spannende psychologische parabel.

****

De scherpe blik en mateloze eerlijkheid van Mohammed Choukri

Zelf kende ik ook alleen die ene prachtige roman van Mohammad Choukri, waarin hij in een rauwe taal schrijft over zijn moeilijke jeugd in Tanger. Daarom was ik erg enthousiast toen ik “Gezichten” in handen kreeg. Het  is het derde deel van zijn autobiografie. “Hongerjaren” het eerste. Helaas ken ik het tweede deel nog niet, maar dat hinderde me niet tijdens het lezen. “Gezichten” kan heel goed los van de eerste twee delen worden gelezen.

Als slotstuk van de autobiografie gaat “Gezichten” over de late jaren van Choukri. Choukri en de verteller vallen samen. In dit deel van de autobiografie vertelt hij niet zoveel over zichzelf, maar vooral over een paar opvallende mensen in zijn leven: bijvoorbeeld over Fati, de hoer die vriendschap met hem sloot en daarom niet met hem naar bed wilde. Zij stuurde hem in haar plaats een collega-hoer die zij met liefde had uitgekozen. Later gaat Fati trouwen en neemt afstand van iedereen die ze vroeger kende. Na het overlijden van haar man, keert ze terug naar Marokko en ontmoet ze Choukri. En dan mag hij wel bij haar in bed, maar ze blijft niet lang bij hem. Ze moet Marokko weer verlaten uit angst voor de wrede erfgenamen van haar overleden man.

Ik ben onder de indruk van de koesterende manier waarop Choukri zijn personages benadert. Hij schrijft met respect over hoeren, gokverslaafden, oorlogsslachtoffers  en andere mensen aan de onderkant van de maatschappij. Hij geeft hen een gezicht dat zij verdienen.

Choukri leidde blijkbaar een zeer ongewoon leven en was bijvoorbeeld een  hoerenloper. Maar dat deert hem niet en hij vertelt het in zijn autobiografie alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Hij staat bekend om zijn provocerende onderwerpen en de manier waarop hij altijd met succes de grenzen zoekt. De grenzen van de taal, maar ook de grenzen van het verbodene. Niet voor niets was het eerste deel van de autobiografie jarenlang verboden in Marokko.

`Gezichten`is fragmentarisch geschreven. Het vormt geen geheel met een duidelijke plot. Dit kan ik de schrijver vergeven, gezien het autobiografisch karakter van zijn project. Het echte leven is ook maar een aaneenschakeling van gebeurtenissen en ontmoetingen die heel vaak doelloos zijn en zonder plot.  De roman is een verzameling van mijmeringen over mensen die eigenlijk niets met elkaar te maken hebben en hoogstwaarschijnlijk elkaar niet eens kenden. “Gezichten” bestaat over het algemeen uit hoofdstukjes die qua onderwerp totaal los van elkaar staan. De bindende factor is  de verteller (Choukri zelf), zijn stijl , scherpe blik en mateloze eerlijkheid.

Choukri is tot zijn twintigste analfabeet gebleven. Daarom voelt de duidelijke volwassenentaal van Gezichten als een wonder. Toch kan ik niet zeggen dat het als een trein leest. Met weinig woorden probeert Choukri veel betekenis te creëren, de essentie van het gevoel en de gedachten te raken. Hij kan als geen ander de bodem van het leven en de pijn blootleggen.  Choukri is bij vertaalster Djuke Poppinga in goede handen.

Ik begrijp dat Choukri zijn eerste roman moeilijk kan overtreffen. Maar ik begrijp ook zijn frustratie dat zijn ander werk altijd  in de schaduw van die ene roman is blijven bestaan. “Gezichten” verdient een mooie plek.

Boek: Gezichten
Auteur: Mohammed Choukri
Genre: autobiografie
Uitgeverij: Jurgen Maas (2015)
ISBN: 9789491921155
NUR 302

 

Machiavelli in Riyadh: de onstuitbare Saudische kroonprins Muhammad Bin Salman

De zuivering en detentie van tientallen prinsen en zakenlieden (op sommigen zijn beide omschrijvingen van toepassing), als ook (ex-)ministers en andere belangrijke regeringsfunctionarissen maakt twee dingen duidelijk. Allereerst laat MBS zien dat hij voeling  heeft met wat er leeft onder de, merendeels erg jonge, bevolking van Saudi-Arabië ten aanzien van de wijdverbreide corruptie ondere ’s lands elite. Hiermee kan hij bijna niet fout gaan: de gemiddelde Saudi weet heel goed hoe de prinsen en hun entourages aan hun rijkdom komen.

Riskanter is het breken van een oud taboe: publiekelijk de vuile was van de koninklijke familie buiten hangen. De laatste keer dat dit zo openlijk gebeurde was in 1962. Toen stuurde de toenmalige kroonprins en latere koning Feisal een aantal onbesuisde jonge prinsen in ballingschap. Geïnspireerd door Nasser en bekend geworden als de ‘Vrije Prinsen’, hadden die het bestaan om vergaande hervormingen te eisen, hervormingen die te bedreigend werden geacht voor de positie van de regerende dynastie. Het ironische toeval wil dat de leider van die opstandige prinsen de vader is van het meest prominente slachtoffer van deze Saudische bijltjesdag: de miljardair Al-Waleed bin Talal. Het verschil met toen is echter dat de radicale hervormer van nu zelf de de facto heerser van Saudi-Arabië is.

Er is de laatste tijd veel aandacht geschonken aan een reeks van veranderingen en initiatieven die de ondernemende kroonprins heeft aangekondigd als onderdeel van zijn Visie2030 voor een toekomstig Saoedi-Arabië dat het zonder olieinkomsten moet stellen. Niet alleen mogen vrouwen straks auto rijden, de Raadgevende Vergadering heeft ook een voorstel goedgekeurd waarin vrouwen het recht krijgen fatwas (religieus-juridische opinies) uit te vaardigen. En dan is er het ambitieuze plan om een high-tech megastad uit te grond te stampen in het noordwesten van  het land; een strategische locatie aan de Rode Zee, waar Afrika, het Midden-Oosten en het Middellandse Zeegebied samenkomen.

Nu heeft MBS dus ook nog eens persoonlijk de leiding genomen van een anti-corruptie apparaat dat onmiddellijk een aantal opzienbarende zaken kant-en-klaar heeft liggen voor vervolging.  En toch blijft dat alles een beetje schone schijn. Dat geldt tot op zekere hoogte ook voor de aankondiging om geleidelijk een gematigder religieuze toon aan te slaan, een stap die een paar weken geleden werd voorbereid met de arrestatie van een aantal islamitische activisten en predikers, die vooral via de sociale media, in het bijzonder Twitter, van zich deden horen.

Veel belangrijker is de levensechte Saoedische versie van Game of Thrones, die nu tot een ontknoping lijkt te komen na een reeks van koninklijke ‘stoelendansen’ die teruggaat tot 2012; drie jaar voordat de vader van de kroonprins, Koning Salman, de troon besteeg. De laatste akte daarvan speelde zich minder dan een half jaar geleden af. In wat niets minder was dan een paleisrevolutie wist MBS zijn oudere neef, Muhammad bin Nayef, af te zetten als kroonprins en minister van binnenlandse zaken. Het zegt veel over de politieke vaardigheden van MBS dat hij zo’n ervaren vos, die niet alleen de beschikking had over een machtig inlichtingen- en veiligheidsapparaat, maar ook een favoriet was van Washington, zo heeft kunnen overrompelen.

Ook nu lijkt MSB de zaken weer goed te hebben voorbereid. Een paar dozijn prinsen en andere hoogwaardigheidsbekleders ontslaan en laten oppakken vergt een behoedzame voorbereiding, waarbij een groot aantal mensen betrokken is. Hoe houd je dat geheim? Waarom boden de lijfwachten van een prins-miljardair zoals Al-Waleed geen weerstand? Om nog maar te zwijgen over de Nationale Garde die tot nu toe onder bevel stond van Prins Miteb, de zoon van de vorige koning Abdullah.  Ooit zelf een kandidaat voor het koningschap, wist Miteb, ook nadat hij daarvoor aan de kant geschoven was, toch vast te houden aan de machtsbasis die door zijn vader in de jaren zestig was gecreëerd. Abdullah ontwikkelde de Nationale Garde  tot een ‘schaduwleger’, gerekruteerd uit loyale Bedoeïenenstammen, bedoeld als tegenwicht tegen de reguliere strijdkrachten en de veiligheidstroepen van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Op deze wijze werd de balans tussen verschillende takken van de koninklijke familie in stand gehouden.

Het lijkt erop dat MSB van zins is een einde te maken aan dit machtsevenwicht en op weg is om de absolute macht te grijpen. De arrestatiegolf van zaterdag wordt gepresenteerd als onderdeel van een breder onderzoek naar falend overheidshandelen tijdens de overstromingen in Jeddah in 2009, waarbij meer dan honderd doden vielen. Maar intussen maakt MBS invloedrijke figuren uit verschillende sectoren van overheid en samenleving politiek onschadelijk. Zowel prinsen, huidige en voormalige kabinetsleden en andere vooraanstaande overheidsdienaren als zakenlui en geldschieters zijn nu slachtoffer geworden van MBS’s opruimactie. Dat betekent dus dat  de kroonprins de steun en het vertrouwen geniet van voldoende aantallen mensen in leidinggevende en uitvoerende posities binnen de bureaucratie, politie en strijdkrachten om dit soort operaties voor te bereiden zonder dat deze andere, minstens zo machtige, figuren daar erg in hadden.

Maar terwijl MBS dus duidelijk in staat is om zijn binnenlandse machtsbasis te versterken, zijn er ook andere ontwikkelingen gaande die een stok in de spaken van zijn politieke machine kunnen steken. Ook op zaterdag kondigde de Libanese Premier Saad Hariri, terwijl hij zich in Saoedi Arabië bevond, volkomen onverwacht zijn aftreden aan. Het ligt voor de hand dat ook dit gebeurde op aandringen van MBS, maar dan als onderdeel van zijn rivaliteit met Iran over invloed en macht in het Midden-Oosten. En het is ook geen toeval dat nog diezelfde avond door Jemenitische Houthis een raketaanval werd gelanceerd op het vliegveld van Riyadh. Hoewel zij tot een andere Sji’itische tak behoren dan de Iraniërs, worden de Houthis toch door Teheran gesteund in de bloedige burgeroorlog in Jemen, waarin ook Saoedi-Arabië actief verwikkeld is geraakt nadat MBS zijn vader opvolgde als minister van Defensie. De ruzie met Qatar over de vriendschappelijke relaties van het sjeikdom met Iran, die de eenheid binnen de Gulf Cooperation Council (GCC) ernstig heeft ondermijnd, past eveneens in dat plaatje.

Tot nu toe heeft MBS vriend en vijand verrast met zijn vermogen om tegenstanders buitenspel te zetten en ruimte te maken voor telkens nieuwe initiatieven. Maar hoe lang kan hij doorgaan zijn aandacht over zoveel verschillende zaken te verdelen en tegelijkertijd alert te blijven op mogelijke tegenaanvallen door een groeiend groep machtige maar ook zeer verontruste Saoedis of door buitenlandse tegenstanders?

Een Arabische Lente in Grafische vormgeving: de inspirerende zoektocht naar moderne Arabische typografie

Lara Captan (Beiroet, 1984) wil Arabische lettertypes ontwerpen die wortelen in het rijke erfgoed van het Arabisch schrift, en tegelijkertijd het verleden transformeren in moderne toepassingen van Arabische lettertypen. Het geschreven woord is erg belangrijk in het Arabisch en om dat vorm te geven, heb je de juiste lettertypen nodig die een gevoel, een emotie aan het ontwerp kunnen geven. Zoals de befaamde Libanese Letterontwerper Nadine Chahine zo mooi uitlegt in haar TEDtalk: een font (of lettertype) is zoals een lied: je krijgt er nooit genoeg van, want elk lied en elk font drukt een eigen emotie en gevoel uit.  Voor een Grafisch Ontwerper zijn veel verschillende lettertypes dus erg belangrijk.

In 2005, toen Captan haar onderzoek naar de Arabische letters begon, waren er maar een paar fonts beschikbaar en die waren ouderwets en lelijk. Boeken van voor de eeuwwisseling uit het Midden-Oosten doen pijn aan de ogen, reclame was niet om aan te zien en posters brachten hun boodschap slechts ten dele over.

Na haar afstuderen aan de American University of Beirut (AUB), vertrok Captan in 2006 naar Buenos Aires, Barcelona en New York, op zoek naar de essentie van de Arabische letters en naar leermeesters die haar konden helpen om op verschillende manieren naar letters te kijken. Haar zoektocht bracht haar in 2013 naar Amsterdam, waar ze bij DecoType van linguïst Thomas Milo en partners Mirjam Somers en Peter Somers vond wat ze zocht.

Wat is dat met Nederland en het Arabisch schrift?

Nederland heeft een zeer rijke traditie in het ontwikkelen van lettertypes. De Koninklijke Academie van Beeldende Kunst (KABK) speelt daar een grote rol in. Van over de hele wereld komen er ontwerpers naar Den Haag om daar Grafisch Ontwerpen en Letterontwerpen te studeren. Veel van hen blijven in Nederland omdat het ‘grafische klimaat’ er zo goed is en er veel inspiratie en collega’s zijn.

Het Arabisch wordt al ruim 400 jaar in Nederland gedrukt. De Arabist Thomas van Erpe (of Erpenius) haalde in de 17eeeuw een Arabische drukpers naar Nederland. Bij Erpenius’ dood in 1624 was zijn drukkerij één van de meest uitgebreide voor oosterse typografie in heel Europa.

Snouck Hurgronje nam de Arabisch boekdrukkunst mee uit Italië, maar waar de Italianen voornamelijk Bijbels in het Arabisch drukten, gebruikte Snouck Hurgronje de drukpers vooral voor boeken over de Arabische grammatica. Het Arabisch schrift riep in Nederland dan ook niet direct religieuze associaties op.

Uit Nederland komt ook de digitalisering van het Arabisch schrift. Alle vormgevers gebruiken OpenType (OT) voor het ontwikkelen van fonts. Daarbij wordt voortgeborduurd op de manier waarop fonts werden ontwikkeld voor de drukpers. Dat is geschikt voor Latijns schrift, maar niet voor Cyrillisch, Chinees of Arabisch. DecoType werkt sinds 1982 aan Arabische scripttechnologie en heeft ACE ontwikkeld, de Advanced Composition Engine, waarin letters in kleine pennenstreekjes worden verdeeld en die stukjes kunnen dan worden gebruikt om verschillende karakters samen te stellen. ACE betekende een enorme doorbraak in de ontwikkeling van Arabische lettertypen.

Captan, die in Amsterdam woont en werkt en zich volledig op Letterontwerpen heeft gestort, gaat twee keer per jaar terug naar Libanon. ‘Na de Arabische revoluties zie ik ook in grafische vormgeving een nieuwe lente,’ zegt ze. ‘Ontwerpers zoeken naar een nieuwe Arabische identiteit, naar eigenheid en naar meer kwaliteit. Ook groeit in het Midden-Oosten de interesse in grafische vormgeving en het besef dat een ontwerp een belangrijk onderdeel is van het verhaal dat je wil vertellen. Ontwerpers met een band met Nederland spelen daarin een belangrijke rol. Zo heeft Tarek Atrissi het lettertype voor Al-Jazeera ontworpen, ontwerpt Khajag Apelian (KABK 2009) voor Disney en heeft Pascal Zoghbi (KABK 2006) het font Noto Arabic ontwikkeld voor Google.’

Captan heeft tien jaar lang Arabische letters bestudeerd: ‘Hoe bewegen ze, hoe gedragen ze zich tussen andere letters, welke emotie druk je op welke manier het beste uit met Arabische letters en hoe digitaliseer je dat het beste?’ Haar samenwerking met DecoType leverde haar veel kennis en ervaring op. Het Falak-font is de uitkomst van haar studie naar de Arabische letters. Dit font met 3 stijlen is ontworpen voor fictie en poëtische tekst en komt binnenkort op de markt.

Captan werkt veel samen met de Libanese Letterontwerper Kristyan Sarkis die ook in Nederland woont en werkt en met wie zij aan de AUB jaarlijks Arabic Type Design Beirut organiseert om zo jonge ontwerpers in de regio meer kennis over Arabische letters bij te brengen. Met Sarkis heeft ze ook een manifest opgesteld waarin zij andere Arabische letterontwerpers oproepen alle lagen van het Arabisch schrift te leren kennen om zo nog meer Arabische fonts te ontwikkelen. Zelf zullen ze een bijdrage leveren door hun enorme kennis en ervaring van Arabische letters in een methodologie neer te schrijven.

Letterontwerpster Lara Captan heeft een decennium lang de structuren, de esthetiek en historische transformaties van het Arabisch schrift geanalyseerd, met als doel het schrift van binnenuit geschikt te maken voor digitalisering. Ze werkt stug door aan haar missie om Arabische letters met behoud van hun identiteit te moderniseren en te digitaliseren. Met haar werk voor de ontwikkeling van Arabische fonts wil ze een fundament leggen. Ze duikt in de letters, breekt ze stukje voor stukje af en codeert zich suf om ze vervolgens op een computer te kunnen typen. Of zoals ze het zegt: ‘Ik duik in wat we waren, om te ontdekken wat we zijn om zo te kunnen bepalen wat we willen worden.’ Voor een toekomst waarin iedereen in het Midden-Oosten zich volledig in het eigen schrift kan uitdrukken.

Vrouwen hebben nu een podium in Afghanistan, maar het blijft worstelen tussen idee en praktijk

In november 2016 keerde Sharbat Gula terug naar Afghanistan. Ze zat bijna twee weken vastin Pakistan omdat ze een vals identiteitsbewijs had gebruikt. Weinig mensen kennen haar naam, maar iedereen kent haar gezicht en haar indringende groene ogen. De Amerikaanse fotograaf Steve McCurry portretteerde de Afghaanse vrouw in december 1984 voor de cover van National Geographic. Achttien jaar later, in januari 2002, vond een team journalisten van het tijdschrift haar weer terug. Ook de foto’svan de hereniging tussen McCurry en Gula gingen de wereld over.

Het eerste portretvan Sharbat Gula stond symbool voor de tragiek van burgers die het oorlogsgeweld in Afghanistan ontvluchtten toen de Sovjet-Unie er de scepter zwaaide. Na de aanslagen van 11 september nam de belangstelling voor de iconische foto weer toe, mede omdat de regering-Bush de bescherming van vrouwenrechten deels als rechtvaardiging gebruikte voor de oorlog in Afghanistan. De bescherming van vrouwenrechten is sindsdien steeds meer vereenzelvigd met vooruitgang in dit land.

Het lijkt een logisch verband. Onder de Taliban (1996-2001) mochten vrouwen niet meer studeren, buitenshuis werken en alleen onder mannelijke begeleiding het huis uit. Het was hun verboden hardop te lachen, cosmetica te gebruiken of blote armen en enkels te tonen. Maar het was een zwaktebod om dit verband pas na 2001 te benadrukken. Tijdens het bewind van de Taliban kwam de internationale gemeenschap niet veel verder dan veroordeling van het beleid of  stopzetting van internationale steun. En ook ver voor de Taliban leden vrouwen al onder het sterk patriarchale karakter van de Afghaanse samenleving, ondanks de kortstondige flirt met modernisatie in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw.

Hier in de hoofdstad Kaboel zie ik nog genoeg boerka’s, maar het straatbeeld bepalen ze zeker niet. Meisjes in zwarte schooluniformen met witte hoofddoek spelen op straat met hoepels die om de zoveel tijd het voor Kaboel zo karakteristieke zand en stof doen opwaaien. Jonge vrouwen zijn op weg naar hun werk, doen boodschappen of bezoeken een van de nieuwe, kitscherige restaurants of winkelcentra. De stad groeit hard en bij elk bezoek zie ik veranderingen. Als ik uit het raampje van onze witte Toyota Land Cruiser kijk, lijkt het goed te gaan met de vrouwenrechten. Maar Kaboel is niet representatief voor de rest van Afghanistan. En zelfs hier zijn die rechten nog niet vanzelfsprekend.

Vrouwenrechten en vooruitgang

De vereenzelviging van vrouwenrechten en vooruitgang in Afghanistan loopt sinds 2001 als een rode draad door de internationale betrokkenheid bij Afghanistan. De buitenlandse militaire en civiele missies droegen hun steentje bij aan de simplistische retoriek dat het verslaan van de Taliban hetzelfde was als de bevrijding van de Afghaanse vrouw. Zeker in het begin was vaak onduidelijk waarom we soldaten naar dit land stuurden. De politieke discussiein Nederland omtrent opbouw- of vechtmissie was een duidelijk voorbeeld. De retoriek van vrouwenrechten vulde tot op zekere hoogte het hiaat van een onduidelijke missie. Het verschafte politici vervolgens ook een handig lijstje met resultaten, waarbij – overigens nog steeds – vooral wordt gepronkt met de verbeterde toegang van vrouwen tot onderwijs en gezondheidszorg.

De daadwerkelijke invulling van hulpprogramma’s sloot niet altijd aan bij wat vrouwen in Afghanistan nodig hebben. In het uit 2007 stammende boekAfghan Women’ van de Iraanse schrijfster Elaheh Rostami-Povey verzucht een vrouw: ‘Sinds de val van de Taliban hoor ik niets anders dan boerka, boerka, boerka. Mijn probleem is niet de boerka, maar het feit dat ik mijzelf en mijn kinderen geen eten kan geven.’ Bij de vrouwen die ze interviewt, komen vrede, veiligheid en ontwikkeling vaak op de eerste plaats, als kernvoorwaarden om later aan de bescherming van hun rechten en aan betere genderrelaties te kunnen werken. Het illustreert goed hoe de prioriteiten van internationale hulprogramma’s, ondanks de goede bedoelingen, vaak niet overeen komen met de prioriteiten van de Afghaanse vrouwen zelf.

Maar hoe is de situatie van de Afghaanse vrouwen nu, tien jaar na het verschijnen van Rostami-Poveys boek? Heeft de vereenzelviging van vrouwenrechten en vooruitgang ook iets opgeleverd? Heeft de internationale donorgemeenschap op dit moment nog steeds aandacht voor de bescherming van vrouwenrechten in Afghanistan? En, misschien nog wel belangrijker, wordt er nu beter gekeken naar de prioriteiten van de Afghaanse vrouwen zelf? Ik besluit in Kaboel op onderzoek uit te gaan.

Sinds de val van de Taliban hoor ik niets anders dan boerka, boerka, boerka. Mijn probleem is niet de boerka, maar het feit dat ik mijzelf en mijn kinderen geen eten kan geven

De internationale aandacht is zestien jaar na 11 september 2001 in ieder geval niet verslapt. De Afghaanse vrouw stond in oktober 2016 nog centraal bij een grote donorconferentie over Afghanistan in Brussel. Dat bleek uit de Afghaanse delegatie, de slotverklaring maar ook uit het ‘Empowered Women, Prosperous Afghanistannevenevenement dat georganiseerd werd. Dat is op het eerste gezicht een mooi resultaat. Maar elke keer als ik in Afghanistan ben, sinds 2005 gemiddeld drie keer per jaar, merk ik weer hoe groot de kloof is tussen de politieke retoriek van internationale donorconferenties en de moeizame uitvoering van beleid in Afghanistan dat vrouwen daadwerkelijk meer bescherming en rechten kan geven.

De kloof tussen retoriek en realiteit begint al bij de beeldvorming. Op de donorconferenties worden Afghaanse vrouwen nog steeds gereduceerd tot twee extremen: sterke vrouwen en slachtoffers. Die tweedeling sluit perfect aan bij het ongenuanceerde beeld dat de internationale media ons schetsen van de Afghaanse vrouw. Zo staan vrouwen in blauwe boerka’s nog steeds symbool voor onderdrukking en gebrek aan vooruitgang. Een enkele keer krijgen deze ‘slachtoffers’ een naam in de berichtgeving. De 27-jarige Farkhunda Malikzada werd in maart 2015 in Kaboel gelyncht. En in 2010 stond de door de Taliban verminkte Aisha Mohammadzai pontificaal op de omslag van Time Magazine– in zekere zin een tragische opvolgster van Sharbat Gula, 25 jaar na de cover van National Geographic. De als ‘sterk’ bestempelde Afghaanse vrouwen stralen daarentegen verandering en hoop uit, zoals politica Malalai Joya, die het durfde op te nemen tegen de voormalige krijgsheren in het Afghaanse parlement en Niloofar Rahmani, de eerste pilote bij de Afghaanse luchtmacht, die ondanks haar voortrekkersrol asiel heeft aangevraagd in de Verenigde Staten.

Reality check

Maar hoe zit het met de realiteit? In mijn werk voor Oxfam Novibin Afghanistan ontmoet ik bijna dagelijks minder bekende sterke vrouwen in Afghanistan. Het zijn de vrouwelijke collega’s en vrouwen die bij lokale partnerorganisaties of bij de ministeries werken waar ik contact mee heb. De ‘slachtoffers’, vrouwen (en mannen) die door armoede of ongelijkheid getroffen zijn, kom ik in de programma’s tegen die partnerorganisaties uitvoeren, maar daar zie je juist ook veel vrouwen die het verschil kunnen maken en proactief aan oplossingen werken. En dat zijn niet altijd de vrouwen die worden uitgenodigd op donorconferenties in Londen of Brussel. Daarnaast zie ik dat het in conservatievere provincies als Nangarhar nog niet vanzelfsprekend is dat vrouwen volop meedraaien in organisaties of programma-activiteiten.

De afgelopen jaren richtten talloze internationale programma’s zich op ondersteuning van vrouwen en versterking van vrouwenorganisaties. Volgens de Afghanistan Public Policy Research Organization (APPRO) geven donoren daarbij nog steeds vaak de voorkeur aan organisaties die volledig door vrouwen worden gerund, zonder kritisch te kijken naar hoe mannen bij de geplande activiteiten betrokken gaan worden. Het resultaat is echter indrukwekkend: mede dankzij buitenlandse steun zijn er nu veel Afghaanse vrouwenorganisaties. Alleen het Afghan Women’s Network(AWN) vertegenwoordigt al 125 vrouwenorganisaties.

Desondanks zijn de vrouwen die ik in Kaboel spreek niet louter positief. ‘Er zijn nu genoeg vrouwenrechtenactivisten in Afghanistan’, zegt Wazhma Frogh, oprichtster en voormalig directeur van de Women and Peace Studies Organization (WPSO). ‘Wat we nu nodig hebben zijn vrouwelijke leiders.’ Nargis Nehan, de oprichtster van Equality for Peace and Democracy (EPD), wijst op de vaak eenzijdige invulling van vrouwenrechten door internationale organisaties: ‘We worden alleen op internationale conferenties uitgenodigd om over gendergelijkheid en vrouwenparticipatie te praten, terwijl wij ook bij andere zaken betrokken willen worden zoals veiligheid en ontwikkeling.’ Deze paradox duikt in meerdere gesprekken op: Afghaanse vrouwen worden op een podium gezet, maar in hun ogen vaak niet op het juiste.

Twee jaar geleden was ik in het kader van het Bayan-II programma met Frogh en Nehan in Den Haag en Brussel op bezoek bij politici en ambtenaren van de Europese Unie en de NAVO om te praten over de uit 2000 stammende VN Veiligheidsraad Resolutie 1325 over ‘vrouwen, vrede en veiligheid.’ Afghanistan had een aantal maanden eerder een nationaal actieplan aangenomen voor de uitvoering van deze belangrijke resolutie. In totaal hebben negenenzestig landen nu zo’n actieplan. Veel regeringen hebben een speciale vertegenwoordiger aangesteld voor de vrouwen, vrede en veiligheidsagenda. Bij de NAVO was dat tot eind maart de Nederlandse diplomate Marriët Schuurman.

VN Veiligheidsraad Resolutie 1325: Vrouwen, vrede en veiligheid

In Kaboel wil ik de uitvoering van deze agenda gebruiken als lens om naar de internationale ondersteuning van vrouwenrechten in Afghanistan te kijken. Het is denk ik een goed instrument om te analyseren wat er, realistisch gezien, met internationale steun kan worden bereikt in Afghanistan. De coördinatie en financiering van deze agenda hangt namelijk voor een groot deel af van internationale donoren, terwijl de uitvoering vooral afhangt van wat in de Afghaanse realiteit mogelijk is.

De donorconferentie in Brussel herbevestigde het belang van de rol van vrouwen bij het bevorderen van veiligheid en de zoektocht naar vrede en verzoening. De slotverklaring noemde dan ook het belang van de uitvoering van VN Veiligheidsraad Resolutie 1325. Ook ons land draagt hieraan bij. Nederland heeft inmiddels het derde nationale actieplan(2016-2019). Een grote verzameling Nederlandse organisaties neemt hieraan deel, waaronder de ministeries van Buitenlandse Zaken, Defensie, OCW en Veiligheid en Justitie, de Politie, een aantal kennisinstituten en diverse maatschappelijke organisaties.

‘We worden alleen op internationale conferenties uitgenodigd om over gendergelijkheid en vrouwenparticipatie te praten, terwijl wij ook bij andere zaken betrokken willen worden zoals veiligheid en ontwikkeling.’

Het overkoepelende doel is ondersteuning van vrouwen bij het bevorderen van vrede en veiligheid in acht (post)conflictgebieden: Afghanistan, Colombia, de Democratische Republiek Congo, Irak, Libië, Syrië, Jemen en Zuid-Soedan. De Nederlandse regering stelt fondsen beschikbaar voor de ontwikkeling van programma’s in Afghanistan, waarop Nederlandse ngo’s samen met lokale partnerorganisaties een beroep kunnen doen. Op dit moment maken Cordaid en Oxfam Novib hier samen gebruik van voor een programma in Afghanistan.

Resolutie 1325 heeft twee belangrijke strategische componenten. De eerste – inclusieve  vredesopbouw – legt de nadruk op betekenisvolle participatie van vrouwen bij vredesprocessen. De tweede – inclusieve veiligheid – behelst onder meer de toename van vrouwen bij de politie of het leger in deze fragiele of door conflict geteisterde landen. Nederland heeft de afgelopen jaren op verschillende manieren een bijdrage geleverd aan deze processen, onder meer door het trainen van vrouwelijke politieagenten in Kunduz.

De hamvraag is of deze door het westen gesteunde agenda strookt met de realiteit van een zeer conservatieve maatschappij, waarin nog steeds veel mannen moeite hebben met een grotere rol voor vrouwen. Ik bespreek dit met Palwasha Hassan, directeur van het Afghan Women’s Educational Center (AWEC) op het Oxfam kantoor in Kaboel. Ze maakte eind 2016 deel uit van de Afghaanse delegatie tijdens de donorconferentie in Brussel en was een van de twee vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld die, zij het kort, een toespraak mochten houden tijdens het plenaire deel van de conferentie. Hassan steekt de uitdagingen niet onder stoelen of banken. Ze geeft toe dat traditionele waarden nog steeds een belangrijke rol spelen, maar ziet Afghanistan ook als onderdeel van een internationale gemeenschap, waarin het land veel kan leren van andere landen die verder zijn met vrouwenemancipatie.

Ook voor Nederland gold ooit dat andere landen verder waren. Zo hadden Duitsland en Zweden aan het begin van de twintigste eeuw een voorbeeldfunctie voor het opnemen van vrouwen in het politiekorps. In die zin is het belangrijk dat een internationale agenda inzet op gendergelijkheid en vrouwenemancipatie, ondanks de traditionele normen en waarden die er heersen. Maar bij een internationaal aangestuurde agenda dringt zich wel de vraag op of dit uitsluitend een ‘donoragenda’ is. Met andere woorden: zitten de vrouwen in Afghanistan hier ook op te wachten? Wazhma Frogh maakt korte metten met het idee dat het hier een donoragenda betreft. De financiering is inderdaad vaak extern, maar de vrouwen willen zelf een grotere rol spelen in de maatschappij.

Frogh legt het me uit met het voorbeeld van de vrouwen die nu bij de Afghaanse politie werken. ‘Het westen heeft de Afghaanse politievrouw niet uitgevonden,’ zegt ze met klem. De eerste vrouw kwam al in 1967 bij de politie. En Malalai Kakar, de belangrijkste politieagente tot haar dood in 2008 door een aanslag van de Taliban, kwam al in 1982 in dienst. Donoren kunnen prioriteiten stellen maar als die niet aansluiten bij wat Afghaanse vrouwen willen, storten programma’s snel in, aldus Frogh.

Gebrek aan uitvoering

In die zin zit het probleem niet in de internationaal gesteunde agenda, maar meer in de uitvoering. De participatie van vrouwen in de veiligheidssector is namelijk zeer bescheiden. Op dit moment zijn er ongeveer 3.300 vrouwelijke politieagenten op een totaal van 157 duizend – slechts 2 procent. In het Afghaanse leger zijn er 1.400 vrouwen op een totaal van rond de 195 duizend, oftewel zo’n 0,7 procent. Die cijfers groeien niet hard en liggen ver onder de doelstellingen van de Afghaanse regering.

Het lukt me om in Kaboel een vergadering te regelen met een van de hoogstgeplaatste vrouwen op het ministerie van Binnenlandse Zaken. Brigadegeneraal Hekmat Shahi Rasooli, directeur van het departement voor mensenrechten, vrouwen- en kinderzaken, is tevens voorzitter van de Centrale Vrouwelijke Politieraad. In het nieuwe complex van het ministerie blijkt het lastig de gender unitte vinden. Ik word drie keer de verkeerde kant op gestuurd. De lichtgeel geschilderde gebouwen staan in talloze rijen naast elkaar. Politieagentes lopen er ook rond, maar niet meer dan in de hierboven geschetste verhoudingen.

Als ik uiteindelijk op de juiste plek aangekomen is het een vergadering als alle andere in Kaboel. Ik neem plaats in een comfortabele fauteuil die wat ongemakkelijk haaks op het bureau van de brigadegeneraal staat, waardoor je goed bij de groene thee en de schaaltjes amandelen, rozijnen en zeer zoete toffees kunt die op tafel staan, maar je pijn in de nek krijgt van het gesprek zelf. Na het bespreken van de talloze initiatieven die de vrouwen, vrede en veiligheidsagenda verder moeten helpen, zoals de werkgroep waarin donoren, de Afghaanse overheid en het maatschappelijk middenveld maandelijks bij elkaar komen, komt het gesprek al snel weer bij de uitdagingen. Volgens haar ligt de oplossing in het tegelijkertijd vergroten van de capaciteiten van vrouwen en het begrip bij mannen. Die uitdaging is groot, geeft ze toe, maar ze blijft uiterst positief. In het nieuwe personeelsplan moeten er tweeduizend vrouwelijke politieagentes bijkomen ten koste van evenzoveel mannen. Maar ze geeft toe dat er geen duidelijke deadline voor is.

Als je kijkt naar de rapporten die de afgelopen jaren zijn uitgebracht over de stand van zaken bij de Afghaanse politie, zoals het Women in Afghan National Police: What Now? rapport van APPRO uit maart 2015, zijn de genoemde uitdagingen eigenlijk steeds dezelfde. Allereerst is het niet altijd eenvoudig om goed opgeleide vrouwen te vinden, vooral voor de hogere functies. En ook al zijn er steeds meer hoogopgeleide vrouwen, dat wil niet meteen zeggen dat die ook mogen werken van hun familie.

Rekrutering is verder lastig omdat er in Afghanistan nog steeds zeer negatief geoordeeld wordt over vrouwelijke politieagenten en soldaten. Dat is nog zacht uitgedrukt omdat ze ook als prostituee worden gebrandmerkt of te maken krijgen met seksueel geweld en intimidatie. Vanwege discriminatie en geweld zijn politieagentes vaak bang om hun uniform te dragen. Verder zijn er nog te weinig aparte faciliteiten voor vrouwen, waar zij kunnen eten, douchen of zich kunnen omkleden. ‘Voor vrouwen bestemde kleedkamers worden door mannen gebruikt of ingericht als keukens waar agentes vervolgens voor de mannelijke collega’s eten staan te bereiden’, zegt Frogh. ‘Politieagentes worden vaak ingezet om thee te schenken voor hun commandanten’, vult Nehan aan. Politieagentes hebben verder geen toegang tot vrouwelijke leidinggevenden of effectieve klachtenprocedures waardoor zij problemen of ongewenste intimiteiten niet kunnen melden. Bovendien worden ze vaak niet op waarde geschat door collega’s of leidinggevenden omdat ze niet ’s nachts werken en vaak eerder naar huis moeten om voor hun gezin te zorgen.
Lees hier het vervolg.

De drie lagen van de Islamitische Staat

De Afghaanse laag

Misschien is de Afghaanse jihad in de jaren tachtig de vroegste vorm van globalisering geweest. Afghanistan werd destijds bezet door de Sovjet-Unie, en de CIA hielp mee aan de opbouw van een islamitische verzetsbeweging. Dat gebeurde voornamelijk met Saudisch geld, waarbij het ging om planning en bewapening. De Saudische, Pakistaanse en Egyptische inlichtingendiensten bemoeiden zich met de facilitering en organisatie, met goedkeuring en op initiatief van hun regeringen: de eerste drijvende krachten achter het moderne jihadisme zijn staten, de VS voorop. Ook al verliep het contact met de jihad -groeperingen via inlichtingendiensten en militaire adviseurs, en niet via staatshoofden of ministeries.

De jihadbeweging was niet alleen Afghaans, maar kende ook veel rekruten uit Saudi-Arabië, Egypte, Algerije, de Palestijnse beweging en Syrië. Zo ontstonden in de jaren negentig de ‘Arabische Afghanen’, die naar eigen land terugkeerden nadat de Sovjets Afghanistan hadden verlaten.

De opbouw van een islamitisch in plaats van seculier verzet was niet voor niets. De Amerikanen wilden de Sovjet-Unie door een islamitische ‘groene gordel’ omsingelen. De islamitische band werd op instigatie van Saudi-Arabië ontwikkeld en  vanaf de jaren zestig door Amerika tegen seculiere ideologieën als het pan-Arabisme en het communisme ingezet. De islamisering van het Afghaanse verzet gaf Saudi- Arabië en Pakistan de kans veel invloed uit te oefenen. Het wahabitische karakter van het rijke maar militair onbetekenende Saoedi-Arabië baarde de Amerikanen geen zorgen. Zij zagen er enkel een trouwe bondgenoot in waarmee ze ook de olieprijzen konden controleren.

Na de Iraanse revolutie en de opkomst van islamisten in veel Arabische landen, leek de politieke islam een nuttige tegenhanger van het communisme te zijn. Dat gold voor de imperiale achtertuin van de Sovjet-Unie zelf (Afghanistan, de islamitische Sovjet-republieken in Centraal-Azië), maar ook elders: zo moedigde Sadat de islamisten aan in hun confrontatie met Egyptisch links, dat kritiek had op Sadat.

Afghanistan was een proeftuin voor  Saudisch wahabisme én Egyptisch islamisme, dat onder president Sadat sterk opkwam. Saudi-Arabië en het Egypte van Sadat (en ook Pakistan) waren enthousiast over het Amerikaanse plan de Sovjets te bestrijden en van bezet Afghanistan een basis te maken van islamitisch verzet tegen Moskou. Daarnaast kwamen veel strijders uit die twee landen.

Al-Qaida zou pas na de val van de Sovjet-Unie ontstaan. De Afghaanse jihad was echter wel de vormende factor van al-Qaida. De ‘overwinning’ van de jihadisten in Afghanistan gaf legitimiteit aan de militante islamitische groeperingen die er waren, en die geen duidelijke zaak meer hadden na de val van de Sovjets en nadat de Amerikanen zich afkeerden van het verwoeste land.

De nederlaag in Afghanistan droeg in hoge mate bij aan de ineenstorting van de Sovjet-Unie. De Amerikanen waren hierdoor ook hun communistische tegenstander kwijt en  kozen islamitisch terrorisme als alternatieve vijand, hoewel islamisten, met uitzondering van die in Iran, weinig hadden gedaan dat tegen Westerse belangen indruiste. Maar de Amerikanen waren op zoek naar een nieuw Groot Verhaal. De afwijzing door Ben Laden van de grootschalige Amerikaanse troepenstationering op Saoedische bodem in 1990, vlak na de bezetting door Irak van Koeweit, speelde wellicht ook een rol.

De Westerse confrontatiepolitiek ten aanzien van het zogeheten islamitisch terrorisme kwam het soennitisch jihadisme in ieder geval goed uit. Dat had geen staatkundig centrum, zoals zijn sjiitische tegenhanger dat wel had in Iran. Nu bouwde het, bij wijze van alternatief, een wereldomspannend netwerk op: al-Qaida. De wereld bestond weer uit twee polen: Amerika enerzijds, het islamitisch terrorisme anderzijds. Met deze voorstelling van zaken was al-Qaida dik tevreden.

De Iraakse laag

Een tweede laag ontstond na de Amerikaanse bezetting van Irak. De Amerikanen die al-Qaida in de jaren negentig in de hand hadden gewerkt, rechtvaardigden de bezetting van Irak met de bewering dat Saddam met al-Qaida samenwerkte. Dit was een pure leugen, maar werd een selffulfilling prophecy. De Amerikaanse bezetting leidde tot de ontmanteling van de Iraakse staat en vergemakkelijkte de sjiitische controle over het ontwrichte land, wat weer voor soennietische jihadisten reden was toe te stromen om te vechten tegen de Amerikaanse en hun sjiitische handlangers. Daarnaast betekende de Amerikaanse oorlog tegen de taliban in Afghanistan, een land dat ze na het vertrek van de Sovjets aan hun lot hadden overgelaten, pure reclame voor al-Qaida onder veel moslimjongeren.

Het Syrische regime vreesde dat het de volgende op het lijstje van de Amerikanen zou zijn. Daarom moedigde het aan dat veel jihadisten naar Irak trokken. De eerste Syrische golf strijders was trouwens niet van al-Qaida-snit, maar vertegenwoordigde een mengsel van anti-Amerikaanse nationalistische, pan-Arabische en islamitische tendensen. Ik herinner me dat in de tijd van de Amerikaanse oorlogsvoorbereidingen, Syrische intellectuelen en kunstenaars Bagdad bezochten om hun solidariteit tegen de aanstaande agressie te betuigen. De eerste golf strijders stond niet ver af van deze sympathisanten. De verbeterde relaties tussen het regime van Assad en dat van Saddam maakte dat destijds mogelijk. De strijders die niet binnen een paar weken levend terugkeerden, liepen alleen maar over naar al-Qaida vanwege de Amerikaanse agressie, het onverzoenlijke optreden van de nieuwe sjiitische leiders en de toestroom van Afghanistan-veteranen.

Al-Qaida zelf zou meer dan één verandering doormaken in de Iraakse proeftuin. Eerst ontstond de groep ’al-Tawhid wal-Jihad’ onder leiding van Aboe Moesab al-Zarqawi, een beweging die later onder gezag van Ben Laden kwam te staan. Zarqawi richtte ’De Islamitische staat Irak’ op, die het zwaar te verduren kreeg onder de Amerikanen. Zarqawi zelf werd in 2006 geliquideerd. Zijn beweging werd ook geboycot door de Sahawat, voornamelijk soennitische stammen die Amerikaanse steun kregen om de strijd met al-Qaida aan te binden. Ze hadden een grote afkeer van Zarqawi vanwege diens schaamteloze sektarisme en verkettering van de sjiiten. In tegenstelling tot al-Qaida concentreerde hij zich op het bestrijden van ’de nabije vijand’. De Sahawat wisten ‘De Islamitische staat Irak’ bijna te elimineren, maar werden uiteindelijk zelf gemarginaliseerd door het regime van de sjiitische premier Maliki.

Een deel van de uit hun functie gezette soennitische officieren van de inlichtingendiensten en het leger van Saddam werd actief in de ’Islamitische staat Irak’, of werkte ermee samen. Zo ontwikkelden zich de bereidheid, de praktijken en de connecties die de tweede laag van ISIS vormden.

De belangrijkste ontwikkeling, waarbij Irak als proeftuin dienst deed, is de omvorming van al-Qaida van netwerk in een gewelddadige ‘politiestaat’. Het gewicht van de staat en de inlichtingendiensten in de structuur van deze nieuwe entiteit kregen de overhand over de salafistisch- jihadistische ideologie.

In Irak ontwikkelde zich ook vijandigheid jegens het sjiisme dat in Afghanistan nog nauwelijks een rol had gespeeld. Nog belangrijker is dat de leiders van IS, die na zijn groei in Syrië ISIS werd, voornamelijk Irakezen waren.

De Syrische laag

Daesh (ISIS) kwam in 2013 op. Daarvoor trokken de jihadi’s van al-Qaida al naar het Syrische binnenland. Dat begon enkele maanden na het uitbreken van de Syrische revolutie.  Het Nusra-front werd in de eerste maand van 2012 opgericht. Dit keer was de verspreiding van ISIS niet het gevolg van een buitenlandse bezetting (door de Sovjet-Russen in Afghanistan en door de Amerikanen in Irak), maar door binnenlandse repressie, ofwel het oorlogszuchtige optreden van het Assad-regime tegen zijn opposanten. ISIS profiteerde ook van het feit dat Bashar al-Asad (misschien wel alle) salafistische gevangenen vrij liet. Misschien beoogde het regime een salafistische beweging te creëren om zich van een divers draagvlak te verzekeren, meer nog dan dat het zichzelf wilde afficheren als partner in ‘de oorlog tegen het terrorisme’ (waarvoor dan wel terroristen nodig waren, vandaar hun vrijlating).

In Syrië kwam het project van de islamitische staat op veroverd land eerder van de grond dan in Irak – ook al werd in Irak, na de verovering van Mosoel, het kalifaat uitgeroepen. In Syrië openbaarde zich ook de inlichtingenkant van de jihadistische entiteit, die nog vijandiger tegenover de lokale bevolking en de Syrische revolutie stond dan tegenover het regime. In Afghanistan werden de moedjahedien geconfronteerd met de Sovjet-bezetting. Later werden ze jihadi’s en voerden ze oorlog tegen de Amerikanen. In Irak werden ze geconfronteerd met de Amerikanen en de met Washington – en later met Iran – verbonden sjiitische regering. In Syrië was er een confrontatie met de revolutie en met groeperingen die het regime bestreden. Het fascistische karakter werd versterkt door de opname van jihadistische ‘immigranten’ van niet-Syrische afkomst, die uiteindelijk veruit in de meerderheid waren en geen band hadden met de Syrische maatschappij, waardoor de lokale bevolking middelen ontbeerde druk uit te oefenen op ISIS. Ze waren immers buitenlandse bezetters in de breedste zin van het woord.  Ondertussen ondernam het regime van Bashar al-Assad nauwelijks iets tegen ISIS. In de herfst van 2014 begon de oorlog van de Amerikaanse alliantie tegen ISIS, maar het toneel van deze militaire operaties is voornamelijk Irak, niet Syrië.

De diepste en oudste laag in de structuur van ISIS is jihadistisch en salafistisch. Daaroverheen komt er een Iraakse soennitische totalitaire laag. Een nieuw, Syrisch element in de structuur van ISIS lijkt er niet te zijn. Er is geen bijzondere Syrische ideologische toevoeging, noch een nieuw politiek of veiligheidsaspect. De belangrijkste posities die Syriërs binnen ISIS bezetten, zijn die van lokale  veiligheidsmensen en rechters. Dit betekent niet dat ISIS zich niet binnen de Syrische context heeft ontwikkeld. ISIS is in  Syrië als ‘staat’ tot stand gekomen, én als een bezetter en kolonisator, die immigranten aantrekt en hen onderbrengt in huizen waarvan de oorspronkelijke eigenaars zijn gevlucht of weggejaagd. Dit is voornamelijk in Raqqa gebeurd.  De jihadisten krijgen niet alleen salarissen, maar ook woningen en echtgenotes. Dit lijkt niet op het Iraakse jihadisme na de Amerikaanse bezetting.

Als ISIS een mengsel is van een nihilistische terroristische organisatie, een fascistische staat en een substituut-kolonisator, dan kunnen we zeggen dat zijn koloniserende element in de Syrische proeftuin tot ontwikkeling is gekomen, zijn fascistische karakter teruggaat tot de Islamitische Staat in Irak en de terreur-organisatie uit het Afghaanse experiment voortkomt.

Bovendien is er een sterk  Syrisch economisch element in de structuur van ISIS, vanwege de Syrische olie van Deir Ezzor die het kalifaat meer dan twee miljoen dollar per dag oplevert, alsmede de controle over bezittingen van de inwoners en landbouwgronden in Raqqa en Deir Ezzor. Dit gebied (Jazira) werd in de Assad-tijd als een binnenlandse kolonie beschouwd. En dat is vandaag eigenlijk niet anders.

Ten slotte is het salafistisch jihadisme in Syrië van een wereldomvattend netwerk in een trans-organisatorisch model veranderd. Het omvat groeperingen die niets met al-Qaida te maken hebben, of er zelfs vijandig tegenover staan, en in het bijzonder ook vijandig tegenover ISIS. In de Syrische proeftuin vindt  de verbreiding van het salafistisch jihadisme plaats, op een schaal en een manier waarvan wij de gevolgen nog niet kunnen overzien.

Maar of deze salafitisch-jihadistische groeperingen nu wel of niet in politiek opzicht vijandig tegenover ISIS staan, ideologisch hebben ze er wel wat mee gemeen. Dat verklaart de aarzeling van deze groeperingen om ISIS te bestrijden. In 2014 was het bijvoorbeeld mogelijk ISIS uit Raqqa te verjagen, maar gingen de strijders van de groep Ahrar al-sham de directe confrontatie uit de weg om het bloed van moslims te sparen. ISIS daarentegen aarzelde niet het bloed van 120 zich terugtrekkende strijders van Ahrar al-sham te vergieten.

ISIS heeft zijn overwicht niet puur te danken aan militaire superioriteit. Factoren als de kracht van het geloof, een duidelijk doel, het vermogen te definiëren wat islam is, zijn doorslaggevender factoren. In dat opzicht overklast ISIS zijn tegenstanders, die geen alternatief model ontwikkelen.

Misschien heeft Syrië de pech dat de Amerikanen uit hun ervaringen in Afghanistan en Irak  twee lessen hebben getrokken. Irak heeft hen geleerd dat ze ‘de staat’ moeten handhaven, omdat je anders chaos krijgt. Vandaar dat voorkoming van de val van het regime van Assad de enige constante is in de Amerikaanse politiek in Syrië.

De Afghaanse les is: directe aanvallen op haarden van jihadisme vermijden, om de zaden daarvan niet overal op aarde uit te strooien. Dat was althans wat Obama zei. Onder zijn bewind was het plan blijkbaar om de moorddadige entiteit ISIS te belegeren maar niet te vernietigen. Daarnaast bestaan er nog wat verlengstukken van ISIS buiten Irak en Syrië, zoals in Libië, Egypte en elders, maar daarover heb ik onvoldoende informatie.

Ondertussen blijft de oudste – ideologische – laag niet overeind zonder herinvestering en hergebruik. Historische continuïteit bestaat niet op zichzelf. Het is niet zo dat het oude greep heeft op het nieuwe, zoals vaak wordt gedacht. Het omgekeerde is waar: het nieuwe domineert het oude en geeft het opnieuw een vorm en uitleg. Het oude blijft niet in leven als er niets nieuws bijkomt. Mocht het  oude herleven nadat het vergeten was, dan komt dat omdat het nieuw leven is ingeblazen.

ISIS vertegenwoordigt de nieuwste vorm van salafistisch jihadisme. De Syrische ‘koloniale’ laag van deze beweging overheerst de Iraakse ‘totalitaire’ laag. Als er sprake is van een ontwikkeling, dan zal die waarschijnlijk in dezelfde koloniale richting zijn. Gebeurt dat niet, dan gaat ISIS ten onder.

Anderzijds zal een netwerk dat zich niet tot een staat ontwikkelt, uiteen vallen. Al-Qaida zal moeten ver-isissen, of het moet de strijd min of meer opgeven.

Samenvattend: De diepere laag van ISIS bevat een intellectuele structuur die uit Egypte afkomstig is; met een zeer conservatieve inslag en veel geld uit Saoedi-Arabië.  Van de Iraakse laag heeft ISIS de staatsveiligheidsdienst geërfd, die bijzonder repressief en sektarisch was. In de Syrische laag heeft ISIS een koloniale dimensie ontwikkeld, waardoor het verschil tussen de jihadi-immigrant en de huurling steeds kleiner werd.

ISIS is niet emancipatorisch, bevestigt geen identiteit en helpt niemand om iets terug te krijgen. ISIS-strijders zijn geen sociaal zwakkeren die politiek, land of rijkdommen terugveroveren. Het is een storm van verval die onze samenlevingen treft. Oorzaak ervan is langdurige politieke en religieuze manipulatie door internationale en lokale machten. ISIS, geboren uit het dichtslaan van deuren naar onze toekomst, heeft geen toekomst. Maar het kan alleen doodbloeden als deze deuren weer open gaan.

Dit essay is van Yasin al-Haj Saleh (1961). Hij werd in 1980 als jonge student vanwege zijn lidmaatmaatschap van een oppositionele partij door het Syrische regime opgepakt en 16 jaar lang gevangen gehouden. Hij vluchtte voor de huidige oorlog naar Turkije. Zijn vrouw, Samira Alkhalil, is in 2013 door een extremistische islamitische groepering ontvoerd en is sindsdien spoorloos. In Istanboel heeft hij al-Jumhuriyya opgericht, een centrum voor de studie van de Syrische revolutie. In 2012 werd Saleh bekroond met een Prins Claus Prijs voor zijn bijdrage aan het begrip over de Arabische wereld.

Dit essay is vertaald door Rehab Chaker en Lambert Sijbers.

Waarom kortzichtigheid ten aanzien van Libië de grootste bedreiging vormt voor Europa’s stabiliteit

Onlangs domineerde Italië de media met zijn beleid om de migrantenstroom richting Europa te stoppen door Libische milities om te kopen. Een week eerder kondigde het Verenigd Koninkrijk aan 9 miljoen pond uit te trekken om terrorisme in Libië te bestrijden. Deze koppen hebben twee gemene delers: ‘anti-terreur’ en ‘anti-migratie’.

Interventiemissie

Recente gesprekken in een aantal Europese landen over een interventiemissie in Libië moeten in deze context worden geplaatst. Enkele ministeries van Defensie binnen de EU durven van de gebaande paden af te wijken door niet-militaire vakexperts, strategen en maatschappelijke organisaties uit te nodigen om ideeën en ervaringen uit te wisselen in de planningsfase van een mogelijke missie.

Deze ‘geïntegreerde aanpak’ is uniek, maar voor het maatschappelijke middenveld niet zonder risico. Wanneer NGO’s deel gaan uitmaken van een geïntegreerde aanpak, worden ze gemakkelijk ingekapseld, medeverantwoordelijk, met een minder kritische houding als mogelijk gevolg. In een voorgaande gespreksronde, eerder dit jaar, toonde een ministerie van Defensie aan dat de lobbystrategie al rond was, terwijl het strategische doel onduidelijk bleef. Een alomvattende aanpak is gebaat bij transparantie. Zonder heldere doelstelling heeft een interventiemissie minder kans van slagen.

Doelstellingen als het tegengaan van migratie, terreurbestrijding of stabilisering van Libië zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar vereisen uiteenlopende benaderingen die lastig te verenigen zijn. Het rapport Libië: Onderzoek van interventie en instorting en de toekomstige politieke opties van het Verenigd Koninkrijk (2016-17) van de Commissie Buitenlandse Zaken van het Britse Lagerhuis evalueerde de Britse interventie in Libië als onderdeel van de grotere NAVO-interventie in 2011. Eén conclusie luidde dat ‘de interventie reactief was en geen actie omvatte die een strategische doel nastreefde’.

Het rapport van het VN-Panel of Experts van afgelopen juni maakt inzichtelijk hoe complex de conflicten in Libië verweven zijn met de georganiseerde misdaad. Is er voldoende substantieel bewijs dat een interventie in Libië nu beter is voorbereid dan in 2011? Hoe effectief kan Europa eigenlijk zijn, rekening houdend met de veel verder reikende invloed van de Golfstaten in de regio? Daarbovenop trekken onderzoekinstituten de effectiviteit van 15 jaar Amerikaanse terreurbestrijdingsinitiatieven in de Sahara- en Sahellanden in twijfel, en laten de Verenigde Staten en Rusland nog in het midden wat hun koers zal zijn ten aanzien van Libië.

Terreurbestrijding

Het islamitische kalifaat is uiteen gevallen, toch is het échte gevecht nog maar net begonnen. Islamitische terreurgroepen en hun individuele aanhangers zijn een symptoom van een staat in crisis. De sociaal-politieke omstandigheden die de groei van Islamitische Staat bespoedigden, bestaan ​​nog steeds. De organisatie ‘verslaan’ betekent niet dat het probleem is opgelost.

Terrorismebestrijding met militaire middelen is een kortetermijnoplossing, symptoombestrijding waarbij grondoorzaken onvoldoende worden aangepakt. Wetenschappers, journalisten en onderzoekers hebben al lang en breed aangetoond dat de oorzaken van terrorisme overwegend sociaaleconomisch zijn in plaats van religieus. Dit perspectief moet in elke benadering van de regio een prominente plaats innemen.

Migratie

De beleidsmatige nadruk op het tegengaan van migratie is ook reactief. Buitenstaanders die de dagelijkse realiteit in Libië niet kennen, krijgen via de media de indruk dat het land wordt overspoeld door migranten. Migratiestromen vanuit centraal Afrika en de Sahara naar Libië bestaan echter al eeuwen. Daar valt en viel geld aan te verdienen, en dat deden Libiërs dus al onder Gaddafi’s heerschappij, als ze de kans kregen, alleen was het toen wat strakker gereguleerd.
Zonder economisch alternatief, zonder stabiele staat en rechtsstaat, zorgen de Italiaanse anti-migratiemaatregelen er alleen maar voor dat de druk verschuift naar westelijke migratieroutes, zoals Spanje nu al enkele weken ervaart.

Een andere realiteit die Europa niet wil zien is dat de Libische bevolking dringend behoefte heeft aan hulp en basisvoorzieningen. Het overgrote deel van de internationale financiering is gericht op anti-terreur en anti-migratieprojecten, er is maar weinig geld bestemd voor zaken die de Libische samenleving op de lange termijn vooruit helpen. Des te spijtiger  dat Europese nationale begrotingen voor ontwikkelingssamenwerking onder druk staan, terwijl de veiligheids- en defensiebudgetten groeien.

De huidige tendens onder Europese politieke partijen en regeringen is om bestaande problemen aan Libië en andere Afrikaanse staten uit te besteden. De EU is probleemeigenaar geworden, en financiële voordelen gaan naar Afrikaanse regeringen die verzuimen hun burgers diensten te verlenen die gelijke kansen en rechten op vooruitgang dichterbij brengen.
Het sociaal-politieke klimaat in Europa is gericht op het bouwen van muren. Migranten zijn niet altijd te definiëren als asielzoeker, of als vluchteling: ze richten zich op het meest gunstige sociaaleconomische perspectief op de lange duur. Europa zou aan deze lange termijn ‘ambities’ een voorbeeld kunnen nemen. Hoe hoog is de prijs die de EU wil betalen voor de uitverkoop van haar waarden?

Krimpende ruimte

Libiërs zelfs lijken grotendeels buiten beschouwing te worden gelaten. Het schadelijkste effect van deze internationale focus op het stoppen van migratie en terreur is dat lokale netwerken en grass roots-organisaties hierdoor niet efficiënt en productief kunnen opereren. Het zijn juist deze organisaties die weten wat nodig is en ondersteuning geven aan burgers, daar waar de Libische overheid het allang laat afweten.

Een 54-jarige psycholoog die voor een NGO in Benghazi werkt, merkt op dat het aantal verzoeken van individuen en groepen om psychosociale ondersteuning bij huiselijk of seksueel geweld in vier jaar is gestegen. ‘Het geweld uit de samenleving is nu ook onze huizen binnengedrongen.’ Een jonge scout uit Oost-Libië zegt: ‘Wij scouts zijn onontbeerlijk bij de verdeling van humanitaire goederen. Ook trainen we kinderen hoe ze zichzelf psychosociale zorg kunnen geven.’

Een directeur van een onderwijscentrum in Tripoli: ‘Wij trainen vrouwen in eerste hulp en vaardigheden voor verpleegkunde, aangezien buitenlandse verpleegsters Libië hebben verlaten, waardoor er een tekort aan medisch ondersteunend personeel is ontstaan.’ Een vrouwelijke ondernemer zegt: ‘Het is moeilijk geld verdienen als de economie aan de grond zit. Toch zet ik bewust lokale en regionale gastarbeiders in om zo de private sector een beetje te stimuleren.’

De kortzichtigheid van Europa belemmert deze lokale organisaties op twee manieren. Het eerste obstakel is de toegang tot middelen. Inflatie en geldgebrek bij banken zorgen ervoor dat NGO’s salarissen niet meer kunnen opnemen. Anti-terreurmaatregelen in de financiële sector creëren nog meer obstakels voor overboekingen, waardoor NGO-medewerkers voor geldtransporteurs worden en daarmee een doelwit van criminelen.

Het tweede obstakel is het gebrek aan veiligheid en recht. Activisten, vrouwen in het bijzonder, ervaren steeds minder bewegingsvrijheid en toenemende reisbeperkingen. Dat plaatst hen nóg verder aan de zijlijn bij vredesbesprekingen, die doorgaans in het buitenland plaats vinden. Een vrouwenrechtenactivist uit het gemarginaliseerde oosten: ‘Het westen van Libië is oververtegenwoordigd bij vredesbesprekingen vergeleken met Libiërs uit het oosten. Het handvol aanwezige vrouwen vertegenwoordigt mij niet. Wie vertegenwoordigt wie in Libië?’

Na meer dan 40 jaar heerschappij van Gaddafi is de Libische samenleving achtergelaten met een erfenis die verstoken is van politiek bewustzijn. Het politieke landschap van 2012 was onvolwassen. Een belangrijke hindernis was het bereiken van consensus in een wetgevende macht waar 120 van de 200 leden onafhankelijk zijn. De huidige drie wanna-beregeringen en de talrijke milities die concurreren om macht en middelen maken duidelijk dat het aan politieke ambitie niet ontbreekt.

Toch hebben mensen met een afwijkende mening, of die nu religieus, politiek of sociaal zijn, het steeds moeilijker. Het Libische maatschappelijke middenveld krijgt allengs minder ruimte, terwijl zijn diensten harder nodig zijn dan ooit.

Het is van groot belang fouten als in 2011 te voorkomen. De EU verwelkomde de NATO-interventie in Libië van 2011 om de rebellen te steunen in de strijd tegen Gaddafi. Er was geen langetermijnvisie om het land na zijn val te stabiliseren, geen structurele steun voor institutionele opbouw. Als Europa echt een verschil wil maken, moet het naar het grotere geheel kijken. En gehoor geven aan de oproep van VN-gezant Salamé dat niet ieder EU-land bilateraal een oplossing voor het Libische conflict nastreeft.

Als middelen het twistpunt zijn in een conflict, help dan een eerlijke verdeling van de olie-inkomsten tussen de Libische regio’s tot stand te brengen. Als de informele oorlogseconomie bloeit, bestaat er dan ook een alternatief waarvan de bestaande partijen kunnen profiteren? Als de bevolking al jaren vraagt om een nationaal leger en politieapparaat, investeer dan in de opbouw daarvan.

Als je geen vrede heb bereikt met de gebruikelijke bondgenoten, vraag je dan af wie minder voor de hand liggende bondgenoten zijn. Wie zit er niet aan de onderhandelingstafel die er wel zou moeten zijn? Verandering mag je verwachten van een generatie die het minst geïnfecteerd is door Gaddafi’s staatssubsidies: de jeugd.

Libië is niet geholpen met een blauwdruk. Chaos kan worden ingetoomd door een structuur, een van binnenuit opgebouwd kader. Verandering heeft tijd nodig, en degelijke plannen vereisen een langetermijnvisie. Deze moeten gaan over gelijke toegang tot middelen, kansen, veiligheid en rechtvaardigheid.

In ‘fluïde’ conflicten is het beter niet alleen vrede te sluiten met de partijen die over wapens beschikken en zo hun legitimiteit proberen af te dwingen. Het is zaak de bevolking ,die doorgaans veel gematigder is, aan je kant te krijgen. Betrek alle actoren ter plekke, begin met meer dan de helft van de Libische bevolking: vrouwen en jongeren. Onwaarschijnlijke bondgenoten bieden de beste kans op verandering.

‘In het Midden-Oosten lijken ze niet alleen op ons als ze een hippe paardenstaart dragen’

‘Het eerste buitenland in mijn leven waaraan ik goede herinneringen bewaar is Oman. Ik ben in Nederland geboren, in Gouda, maar had met Gouda niets te maken, noch met Nederland. Mijn ouders waren dan wel Nederlanders, ze woonden in Nigeria. Mijn vader werkte daar voor Shell. Mijn moeder ging enkel naar Gouda om van mij te bevallen. Dat kon je beter in Nederland doen dan in Nigeria, zo was gebleken bij de geboorte van mijn oudere zus.

Ook met Nigeria had en heb ik niets, omdat ik me er niets van herinner. Op mijn vijfde verhuisden we naar Assen, rond mijn negende gingen we naar Oman. Ja, van Assen naar Oman, dat klinkt als een enorme overgang, maar het was in alle opzichten een verbetering. In het Assen van de jaren zeventig was ons gezin een vreemde eend in de bijt. Dat kwam door mijn moeder, die alternatief en biologisch was, zal ik maar zeggen. Nee, mijn vader, een Shell-man, was dat niet, maar stond welwillend tegenover wat mijn moeder bezig hield.

Het eerste wat me in Oman opviel, was het licht. Zo fel, zo wit. En dan de ontspannen, aangename sfeer. Het was een land in opbouw. De sultan die nu nog het land regeert was toen een jaar of tien aan de macht en zorgde voor een snelle ontwikkeling, het was allemaal heel positief. We woonden niet in een compound, maar wel in een soort wijk met hoofdzakelijk buitenlanders. De plaatselijke bevolking kwam weinig in beeld. Ik zat op een speciaal schooltje, in een klasje van zo’n vijftien kinderen, die allemaal Nederlands waren. Het was heel beschermd, een bubbel heet dat tegenwoordig. In het weekend maakten we lange tochten. We hebben dus veel van het land gezien, maar achteraf denk ik dat we er waren, en tegelijkertijd niet waren.

Terug in Nederland gingen we in Den Haag wonen. Ik werd niet, zoals veel kinderen van expats, naar een internaat gestuurd, waarvoor ik mijn ouders erg dankbaar ben. Ik ging naar de Vrije School, en dat was natuurlijk een idee van mijn moeder. Ik vond het er heel prettig, al was ik bepaald geen flitsende tiener. Helemaal niet zielig of eenzaam hoor, wel een beetje teruggetrokken. Ik dacht: wacht maar af. Mijn tijd komt nog wel. En dan zal ik jullie eens wat laten zien. Ik ga naar het buitenland en alles doen wat niet doorsnee is. Op onze school kwam wel eens iemand uit Brazilië of Angola vertellen hoe het daar was en daar luisterde ik dan gretig naar. Ik had al vroeg het besef meegekregen dat de wereld groot was, dat er een hoop plekken waren om naar toe te gaan.

Ik besloot Arabisch te studeren omdat er wel dertig Arabische landen zijn, dus veel plekken waar je naartoe kon. Mijn kinderjaren in Oman zullen ook een rol hebben gespeeld bij deze keuze. Latijns-Amerika was me niet exotisch genoeg en China sprak me gewoon niet aan. De Arabische wereld was dus voor mij de beste invulling van ‘ver weg’. Ik ging in Groningen studeren omdat dat ook ver weg was – van Den Haag, bedoel ik. Het eerste jaar kregen we Arabische grammatica en Bijbels Hebreeuws. Dat viel bepaald niet mee, aan de andere kant leerde je de taal zo van binnenuit kennen. Geen overbodige luxe bij Arabisch, dat een erg gestructureerde taal is. Ik heb er dan ook veel aan gehad, ook al is het lokale Arabisch in de Arabische wereld zelf heel anders. Dat merkte ik toen ik in het kader van mijn studie een half jaar in Caïro ging wonen. Ditmaal kwam ik trouwens niet in een afgeschermde wijk terecht, maar zat ik echt tussen de Egyptenaren. En ik zoog het allemaal op, verkende de stad, kwam in cafés, ging op onderzoek uit met een onbevangenheid die je nooit meer terugkrijgt.

Over de samenleving die ik aantrof velde ik geen oordeel, ik leefde met volle teugen, was aan het ontdekken. Mijn politieke bewustzijn moest nog ontwaken, in Egypte las ik alleen Arabische romans en poëzie, pas in Israël en de Palestijnse gebieden ging ik boeken over politiek lezen. In mijn laatste studiejaar volgde ik een cursus op de universiteit van Bir Zeit, op de Westelijke Jordaanoever. Dat was in 1995, de Oslo-akkoorden die tot een oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict hadden moeten leiden waren toen nog maar een jaar oud, en ik voelde me er erg bij betrokken. Ik zat echt in het vredeskamp, maakte me druk om het onrecht, geloofde ook dat de situatie kon worden opgelost.

Toen mijn studie was afgerond, kwam ik tot de conclusie dat ik eigenlijk nog niks kon. Ik beheerste geen vak. Dus ging ik stage lopen op de afdeling Midden-Oosten van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dat was vrij saai, maar ook wel nuttig, en het was ook de plek waar ik mijn eerste baan kreeg aangeboden. Ik mocht naar Jeruzalem om er een vrouwenproject te coördineren: vrouwen van beide kampen en hun eventuele rol in het vredesproces, daar draaide het om. Het probleem was dat het vredesproces toen, in ’97, al behoorlijk was vastgelopen. Ik had een erg leuk leven in Jeruzalem, daar niet van, maar tegelijkertijd raakte ik politiek ontgoocheld. Ik dacht: het wordt hier nooit wat en ik heb er eigenlijk niets mee te maken.

Vervolgens werd ik voor een soortgelijk project naar Soedan gestuurd, waar een slepende burgeroorlog heerste. Twee jaar lang pendelde ik tussen een huis in Khartoum en een hotel in Nairobi en dat was zwaar. Niet alleen vanwege dat pendelen, maar ook door het gevoel nu echt heel ver overal vandaan te zitten. Aan de andere kant was dat ook heel nuttig. Dit project was veel complexer en ingrijpender dan dat in Jeruzalem. Als je met veertig zwarte vrouwen in de bush zit, ervaar je hoe het is om als enige anders te zijn. Er was ook geen navelstreng met de mij vertrouwde wereld, internet was weliswaar in opkomst maar stond daar nog in de kinderschoenen. Ik leerde ook over culturele verschillen, over uitgebreide Afrikaanse kennismakingsrituelen met zang en dans in plaats van handen schudden en ‘how do you do’ zeggen.

Mijn volgende baan was voor UNICEF in Jordanië. Ik rolde daarin omdat ik op een feestje in Khartoum de regiodirecteur van UNICEF  tegen het lijf liep.  Hij zocht iemand die naar Jordanië wilde. Ik wilde niets liever. De baan was heel saai, maar ik had wel weer een leuk leven. Uitstapjes in het weekend naar Beiroet, Jeruzalem, Syrië.

Ik keerde terug naar Nederland nadat Pim Fortuyn net was vermoord. Ik vroeg me af wat er in vredesnaam aan de hand was en ging op het partijbureau van het CDA werken. Aangezien dat een grote, mainstream-partij is – of was – leek het me dat ik daar het beste kon ontdekken wat Nederlanders tegenwoordig zoal vonden. Wat ik vooral ontdekte was de dubbelhartigheid waarmee integratie gepaard gaat. De partij onderkende dat ze een diversiteitsprobleem had. Ze was sterk vertegenwoordigd onder witte Nederlanders in kleine gemeenten, en dus ondervertegenwoordigd onder etnische minderheden in steden. Er gingen stemmen op in de partij om daar wat aan te doen. Tegelijkertijd was de weerstand ertegen heel groot. Van die spagaat werd ik ziek. Buitenlanders voor de vorm laten meedoen is iets heel anders dan ze werkelijk de ruimte geven om mee te beslissen en mee te praten. Dat laatste is natuurlijk ook wel eng voor veel mensen, zelfs als ze beseffen en aanvaarden dat Nederland is veranderd. Ik begrijp dat, anderzijds gaat aanpassing aan die verandering niet vanzelf, je moet er iets voor doen.

“Wat ik vooral ontdekte was de dubbelhartigheid waarmee integratie gepaard gaat”

Om eerlijk te zijn boeit integratiebeleid mij persoonlijk niet bijzonder. Wat mij veel meer interesseert is hoe wij witte Nederlanders kijken naar minderheden en naar het Midden-Oosten. Ik moet erbij zeggen dat ik ook een heel persoonlijk motief had gekregen om me in deze problematiek te verdiepen. Ik was intussen getrouwd met een Palestijn uit Israël. Hij woont al bijna dertig jaar in Nederland, is hoogleraar aan de UvA. Een vriendin heeft ons gekoppeld. Hij en onze kinderen zijn formeel dus allochtoon.

Toen de Arabische Lente uitbrak had ik voor het eerst het idee dat er werd meegeleefd met wat er in het Midden-Oosten gebeurde. Het was een heel interessante tijd die helaas maar kort duurde. De lente liep al snel vast, waarop ook de betrokkenheid doodbloedde. Even was er de illusie dat daar mensen leefden zoals wij, maar uiteindelijk bleek dat toch niet zo te zijn, luidde de conclusie. Maar feit bleef dat Moebarak was afgetreden en we te maken kregen met nieuwe machthebbers. Wat ik zo teleurstellend vond, was dat mensen die zich professioneel bezighielden met het Midden-Oosten dit moment niet aangrepen voor een herbezinning. Dat ze zich niet achter de oren krabden vanwege de steun die we Moebarak jarenlang hadden gegeven. Zich niet gingen afvragen wiewe nu eigenlijk moesten steunen, met wie we nu zouden moeten samenwerken. Alles bleef bij het oude, heel reactief.

Wat je wel kreeg was dat clubjes in Nederland op zoek gingen naar gelijkgestemde clubjes in het Midden-Oosten. Zo wilde de SGP een partij voor Kopten oprichten in Egypte. Wie zoiets bedenkt, snapt niets van de positie van de Kopten. Die beseft niet dat zo’n sektarische benadering het laatste is wat ze nodig hebben. Je moet ook niet alleen iets doen met mensen met wie je iets meent te hebben, je moet ook praten met mensen die je niet aardig vindt. Zoals Hamas, de moslimbroeders, Hezbollah. Probeer te begrijpen waar deze bewegingen voor staan, wat hun voedingsbodem is, waarom ze zo veel aanhang hebben. Dat is in je eigen belang. Toch is er een zwaar taboe blijven rusten op contact met dergelijke groeperingen.

Mijn onvrede over dit soort zaken heeft mij ertoe gebracht om met twee andere mensen het Grote Midden-Oosten Platform op te richten. We zijn een club Midden-Oosten-experts die een geïnformeerde discussie willen voeren over het Midden-Oosten, voor wie die discussie wil volgen. In principe richten we ons op een breed publiek – zeg maar de geïnformeerde leek. We willen onderwerpen agenderen, ook bij de politiek. En we willen een aantal hardnekkige stereotiepen bestrijden, en lacunes in kennis opvullen.

Landen en culturen van het Midden-Oosten worden veel te veel op een hoop gegooid. Er is ook veel te weinig aandacht voor westerse betrokkenheid bij wat daar gebeurt: zowel vanuit historisch perspectief als in de actualiteit. In Iran is de ellende niet begonnen met ayatollah Khomeini, maar met de sjah, een despoot en zetbaas van het Westen, in het bijzonder de Amerikanen. Je kunt niet eindeloos teruggaan in de geschiedenis, dat is waar, maar dit is nog moderne geschiedenis, met een directe invloed op het heden. En verder kun je wel zeggen dat er veel oorlogen worden gevoerd in het Midden-Oosten, maar dat gebeurt wel met wapens die wij in dat gebied hebben gepompt. De wetenschap dat die wapenhandel gewoon doorgaat maakt mij woest.

Let wel: ik vind daar heus niet alles mooi. Er is een groot probleem in het onderwijs, en actief burgerschap bestaat niet. Mensen wordt daar niet geleerd kritisch en zelfstandig te denken. Anderzijds komt dat ons soms ook goed uit. In ieder geval is dat gebrek aan kritische reflectie niet aangeboren, maar een kwestie van ontwikkeling, die je van buitenaf niet moet bemoeilijken met steun aan dictators en wapenverkoop.

Ten slotte zijn het pessimisme en negativisme ten aanzien van het Midden-Oosten en het gebrek aan aandacht voor het menselijke aspect uitermate stereotiep. Het Midden-Oosten barst van de problemen, dat is zeker waar, maar het is er niet overal oorlog. Sterker nog, in de meeste landen is er geen oorlog. Het is ook niet een gebied waar altijd veel meer oorlog is geweest dan elders, zoals vaak wordt gesuggereerd. Wat dat betreft hoeven we alleen maar naar de Europese geschiedenis kijken, die doet bepaald niet onder in gewelddadigheid.

Er is veel te veel aandacht voor de gevaren, en te weinig voor de cultuur, die er de laatste jaren bloeit – in de Golfstaten, in Libanon, in Egypte – en voor het enorme potentieel aan jongeren, de internetrevolutie, de explosieve groei van startups, en simpelweg voor het feit dat ook daar dingen vooruit gaan. Ik was laatst in Marokko, en wat de infrastructuur betreft herkende ik het land niet terug. In positieve zin, wel te verstaan. Tunesië is vaak genoemd als een baken van hoop, maar wat ik ook zo hoopvol en indrukwekkend vind, is dat de maatschappij in de meeste landen ondanks alle crises blijft draaien. Kijk bijvoorbeeld naar Libanon. Ze doen het daar toch maar, ze houden de zaak overeind, ook al is het land overstroomd door vluchtelingen.

Tenslotte moeten we beseffen dat ook mensen in het Midden-Oosten die niet jong zijn, die niet op facebook zitten en die geen hippe paardenstaart dragen – dat ook die mensen op ons lijken. Dat je daar, net als hier, allemaal mensen hebt met grote en kleine bedrijven, mensen die hun kinderen naar school sturen, mensen die werken aan een betere toekomst, en gewoon een beetje plezier willen hebben. Klinkt dat vertrouwd? Tja, het zijn niet voor niets onze buren. We zijn ermee verbonden. Dat is mijn boodschap in een notendop.

Leer Arabische kunst kennen in ‘Het Dorp’ van Wiegersma en Sonneveld

Op een warme vrijdagmiddag liep ik door het Brabantse Deurne. Bijna honderd jaar geleden begon de lokale dorpsarts Hendrik Wiegersma hier een imposante carrière als schilder. Zijn landhuis, dat ook dienst deed als dokterspraktijk én schilderatelier, staat er nog steeds. Het biedt onderdak aan Museum De Wieger, met onder meer een verzameling van het werk van de schilderende huisarts zelf. Maar daarvoor kwam ik niet naar Deurne. Ik was erg nieuwsgierig naar een bijzondere zomertentoonstelling: een verzameling van eigentijdse Arabische kunst.

Onder de titel Beautiful Stranger toont het museum zo’n dertig werken uit de Nadour Collectie, een verzameling van hedendaagse kunst uit de Arabische wereld en Iran. Eigenaar is de Duitse kunstverzamelaar Rüdiger K. Weng. Curator van deze privécollectie is de Nederlandse Diana Wiegersma. Inderdaad, de achterkleindokter van de schilder uit Deurne.

Verbazing
De tentoonstelling verraste me, ontroerde me en zette me aan het denken. Ik zag foto’s, schilderijen, video’s en installaties van kunstenaars uit Iran, Palestina, Algerije, Saoedi-Arabië, Libanon, Marokko, Irak en Egypte. Terwijl ik de beelden op me liet inwerken, bespeurde ik bij mijzelf enige verbazing over de schoonheid van moderne Arabische kunst. Ik schrok ervan: hoe kon ik nou verbaasd zijn? Alsof Arabische kunst alleen maar iets is uit het verleden en beperkt blijft tot duizelingwekkende kalligrafieën en mozaïekvloeren in moskeeën. Het oriëntalisme zit misschien toch dieper in onze kijk op de Arabische wereld dan ik dacht.

Verwoestende werking
De tentoonstelling geeft op indringende wijze weer wat de belangrijke vraagstukken zijn in de Arabische wereld, en biedt inzicht in onze relatie met deze regio. Zo was ik onder de indruk van het werk Oil and Sugar, een korte video van de Algerijns-Franse kunstenaar Kader Attia. We zien een maagdelijk witte kubus, opgebouwd uit honderden suikerklontjes, op een metalen bord. De kubus doet denken aan de Ka’aba, het heiligdom in Mekka waaromheen pelgrims hun rondjes lopen. Van bovenaf giet iemand motorolie over de kubus. Zwart, licht stroperig, met een verwoestende werking. De kubus wordt zwarter en zwarter, en plotseling, sneller dan je zou verwachten, stort het middendeel in. De suikerkubus verwordt tot een zwarte, modderige brij. Olie gutst over de randen van het bord. Van de statige Ka’aba is niets meer over. In twee minuten zien we de desastreuze impact van olie – met haar geopolitieke, financiële en antidemocratische implicaties – op de culturele en religieuze weefsels in de Arabische wereld.

Desert Storm
Even verderop hangen tien reusachtige gouden halskettingen onder elkaar aan de muur. Ze vormen het kunstwerk Torso van de Libanese Ninar Esber. Elke ketting vormt een woord, een naam. Ogenschijnlijk een mooi sieraad, totdat je beseft dat het gaat om de namen die generaals en politici hebben gegeven aan veldslagen in de Arabische regio. Desert Storm, ofwel het begin van de Golfoorlog in 1990. Odyssey Dawn en, de Franse variant, Harmattan: beide staan voor de westerse interventie in Libië in 2011. Peace for Galilee, beter bekend als de oorlog tussen Libanon en Israël van 1982. De paradox tussen de schoonheid van het sieraad en de gruwelijkheid van de oorlogen die erachter schuilt, toont de absurditeit van dit soort namen. Om ons beeld van beschaafde, vredelievende westerlingen te handhaven, bedekken we onze oorlogsdaden – of deze gerechtvaardigd zijn of niet – met eufemistische termen die het optreden een heroïsche lading moeten geven.

Intieme momenten
Zo staat ieder kunstwerk in deze verrassende tentoonstelling bol van de symboliek. De korte video van een Palestijnse maanlanding, die je doet afvragen of de maan misschien de enige plek is voor een levensvatbare Palestijnse staat. Een indrukwekkend schilderij van de Algerijnse schilder Driss Ouadahi, dat je spontaan hoogtevrees bezorgt als je langs de vele verdiepingen kijkt van de flats in de buitenwijken van Algiers, of de banlieues van Parijs.

Evenzo was ik onder de indruk van de negen zwartwitfoto’s van de Palestijnse fotografe Rula Halawani. Onder de titel Intimacy toont zij de grensovergang tussen Jeruzalem en Ramallah zoals we die nog nooit hebben gezien. We zien handen – links van de mensen die de grens willen oversteken, rechts van de mensen die de grens dienen te beschermen. Papieren worden uitgewisseld, een doos wordt geopend, een koffer wordt getoond. De handen links lijken nederig, wachtend op het oordeel van de handen aan de andere kant. Halawani legt intieme momenten vast in een anders zo kille en weinig menselijke omgeving.

Het Dorp
In 1965 schreef een van de zonen van Hendrik Wiegersma, Friso, een liedtekst over het huis van zijn vader. Zijn levenspartner, Wim Sonneveld, maakte het lied (‘Het Dorp’) beroemd. Vol nostalgie beschrijft Friso Wiegersma het dorp uit zijn jeugd, met een kerk, een kroeg en het ’tuinpad van mijn vader’. De tentoonstelling Beautiful Stranger, juist in dit museum in dit Brabantse dorp, verenigt die nostalgie naar vervlogen tijden met het leren kennen van anderen, van vreemdelingen. Van de Arabieren, die meer en meer deel uitmaken van onze huidige tijden.

De tentoonstelling Beautiful Stranger is tot en met 17 september 2017 te zien in Museum De Wieger in Deurne.

De teloorgang van de beroemdste straat van Istanbul

In de hoogtijdagen van de straat liepen hier op zaterdag en zondag minstens 1 miljoen Turken en toeristen. Drie miljoen volgens Wikipedia, maar dat lijkt me overdreven. Het bekendste symbool van de veel gefotografeerde straat zijn de ouderwetse rode trammetjes uit de Ottomaanse tijd.

De populariteit van de straat, tevens de slagader van het drukste uitgaansgebied in Istanbul, Taksim, is afgelopen jaren fors afgenomen. Internationale hotels, zoals het Franse Mama Shelter, de betere restaurants, zoals The House Cafe, bars, galeries, en mooie winkels als Paşabahçe voor luxe glaswerk, hebben hun deuren gesloten. Veel van het nachtleven en de jeugdcultuur verplaatste zich naar de studentenwijken Beşiktaş en Kadıköy. Die beleven een enorme opbloei van hipster bars, koffietentjes, restaurantjes, en tatooshops.

De populariteit van Istiklal is ook ingezakt door de toestroom van Arabische toeristen, die hier vaak komen voor haartransplantaties en neuscorrecties. Veel Turken houden niet van Arabieren. Ze vinden hen arrogant en ongemanierd.

De nu al vijf maanden durende werkzaamheden over de hele lengte van de straat doen het imago van de Istiklal ook weinig goed. Je wordt er depressief van.

Extra irritant zijn de overstromingen na elke forse regenbui. Vorige week was het weer raak. De straat veranderde in een rivier na een voorjaarsbuitje. Het gemopper over dit steeds weer terugkerende ongemak en het op talloze plaatsen opengebroken wegdek domineerden social media. Foto’s van de huidige ellende en kiekjes van hoe het vroeger was, werden massaal gedeeld en geliked. Columnisten schreven de frustratie van zich af.

De overstromingen van de Istiklal en talloze andere straten en wegen in de stad zijn te wijten aan een gebrek aan capaciteit van het rioolstelsel en het feit dat veel afvoerpijpen van dakgoten niet zijn aangesloten op rioolbuizen maar direct lozen op de trottoirs.

Om de bewoners enigszins gerust te stellen, gaf de gemeente afgelopen week uitleg over de werkzaamheden en publiceerde beelden van de Istiklal na de renovatie. Dat leidde tot nog meer verontwaardiging. Wat blijkt? In de plannen van de gemeente wordt de straat zo steriel dat er van de oude charme niets overblijft. Het belooft de laatste akte te worden in dit treurspel met de optimistische titel ‘Omgekeerde Verpaupering’.

Voor de leegloop, verloedering en teloorgang van de straat zijn drie hoofdoorzaken:

1)   Het toerisme is ingezakt. Er worden vooral minder stedentrips geboekt. Cruiseschepen leggen hier niet meer aan. Dit jaar zijn er al 58% minder Duitse toeristen, normaal de grootste groep. Ook uit andere EU-landen is de teruggang dramatisch. Spanje en Griekenland doen goede zaken nu Turkije uit de gratie is.

2)   De afschaffing van de huurbescherming en de in 2014 ingevoerde regel dat huurders die 10 jaar of langer in een pand zitten er zonder reden uitgezet mogen worden. Daarmee gaf de gemeente eigenaren de vrije hand om de huren fors op te schroeven. Kleine zelfstandige ondernemers, die zoveel kleur gaven aan de straat, draaien te weinig omzet om de exorbitante huurverhogingen op te hoesten.

Zo heeft de oude boekhandel Robinson Crusoe naast het Nederlandse Consulaat zijn deuren gesloten. Dat geldt ook voor het ouderwetse winkeltje Kelebek van de joodse familie Avramoğlu, met zijn houten plafond en lambrizering, eigendom van de belendende franciscaner Maria Draperis-kerk. Drie generaties van de familie Avramoğlu verkochten hier bijna 80 jaar korsetten en ander corrigerend ondergoed voor vrouwen. De legendarische patisserie Inci verdween. Net als mijn favoriete snoepwinkel Istiklal Kuruyemiş, waar ze ook nootjes en allerlei soorten Turks fruit verkochten. Omlaag getrokken rolluiken, volgespoten met grafitti, naast internationale brands zoals Starbucks, Zara, McDonald’s en Nike domineren nu het straatbeeld.

3)   Gebrek aan veiligheid en politieke onrust. De gezelligheid is weg. Er hangt een onbehaaglijke sfeer. Vorig jaar sloegen terroristen in Istanbul niet minder dan zes keer toe. Daarbij verloren 150 mensen het leven. In maart vorig jaar probeerde een zelfmoordterrorist ook in deze winkelstraat zoveel mogelijk mensen de dood in te sleuren. Drie Israëlische en een Iraanse toerist kwamen om. En dan was er nog de militaire staatsgreep in de zomer, met zeker 270 doden.

Istiklal is traditioneel de plek voor demonstraties en politieke protesten. Denk aan de tienduizenden die er liepen uit solidariteit met de Geziprotesten in de zomer van 2013. De gay pride parades. De vrouwen die voor hun rechten en tegen geweld tegen vrouwen demonstreren. Protesten tegen het schenden van de mensenrechten, het opsluiten van Koerdische parlementsleden, burgemeesters, journalisten, en het sluiten van kranten en andere media.

Bij protesten tegen de regering treedt de oproerpolitie meestal massaal en met buitensporig geweld op, met veel traangas en waterkanonnen. De tolerantie voor anti-regeringsprotesten is in Turkije minimaal.

Nederlands erfgoed

Istiklal Caddesi is ook de straat waar enkele sporen van het Nederlandse erfgoed te vinden zijn uit de tijd de straat nog Grande Rue de Péra en Istanbul nog Constantinopel heette, en reizigers de stad, juist om deze wijk met zijn Europese uitstraling, het ‘Parijs van het Oosten’ noemden.

Waar de Friese exotische danseres Mata Hari flaneerde, de protestantse staatsman dr. Abraham Kuyper in de Nederlandse ambassade werd bijgepraat over de geschiedenis van het Ottomaanse Rijk en de laatste roddels over de sultan en paleisintriges toen hij van 15 mei tot 15 juni 1907 in Istanbul/Constantinopel verbleef tijdens zijn reis ‘Om de oude Wereldzee’ (Middellandse Zee).

De straat waar Willem-Alexander en Máxima in 2012 op witte Gazelle stadsfietsen reden tijdens de viering van 400 jaar vriendschappelijke betrekkingen tussen Nederland en Turkije. Wat een heksentoer was dat, tussen alle opdringerige fotografen, cameramensen en het verbaasde winkelend publiek.

Ander Nederlands erfgoed aan deze straat is het Turhol Han gebouw, op nog geen honderd meter van het Palais de Hollande, waarin het Nederlandse consulaat is gevestigd. In dit Turkije-Holland handelsgebouw had de Nederlandse pionier en handelaar Frans van ’t Hooft uit Leiden sinds 1910 zijn kantoor en pakhuis. Hij zou later de eerste vertegenwoordiger van de KLM in Istanbul worden en was van 1957 tot 1959 vice-consul.

Even verderop staat het eerste art-nouveau gebouw van Istanbul, dat de Italiaanse architect Raimondo D’Aronco in 1901 bouwde in opdracht van sultan Abdülhamit II voor diens Nederlandse hoofd-kleermaker en modeontwerper Johannes Botter.

De Ralph Lauren avant la lettre noemde zich hier John en ontwierp sinds 1894 herenkleding voor de sultan en voor de Europees georiënteerde elite van de stad, geïnspireerd door wat er in die tijd in Londen mode was. Ook voor Mustafa Kemal Atatürk, de vader des vaderlands en de eerste president van Turkije, ontwierp Botter kleding.

Het naar deze sterrencouturier vernoemde huis, ook wel Casa Botter genoemd, is het mooiste art nouveau gebouw in de stad. De gevel is versierd met rozen, bloemmotieven aan de balkons, en Medusa-hoofden aan beide flanken van het adembenemende herenhuis. Beneden was de luxe showroom waar hij naast herenkleding ook accessoires, toilet- en reisartikelen verkocht. Op de andere verdiepingen waren zijn atelier en het woongedeelte waar hij met zijn vrouw en vijf kinderen woonde.

Helaas is het gebouw totaal verwaarloosd en staat het al tientallen jaren leeg. Volgens de geruchtenmolen staat het op de nominatie gerenoveerd te worden om er een boetiekhotel van te maken, maar om een of andere reden wordt er maar niet mee begonnen. Zo staat het kroonjuweel van de art nouveau-architectuur in Istanbul dichtgetimmerd te verkrotten.

De sporen van de Nederlandse aanwezigheid in Istanbul zijn juist hier te vinden, omdat deze wijk de woonplaats was van de niet-moslimse buitenlanders sinds de verovering van Constantinopel door de Osmaanse Turken in 1453. Grieken, Joden, Armeniërs, Italianen, Britten, Russen, Fransen, Nederlanders en andere Europeanen streken hier neer. Daarom bouwden de christelijke landen in deze wijk, meestal aan de Istiklal-straat, ook hun ambassades, die in 1923 na de verplaatsing van de hoofdstad naar Ankara in rang werden verlaagd naar consulaat.

Kerken en synagogen

Aangezien dit al eeuwen de wijk is waar christenen en joden wonen, tref je hier ook veel kerken en synagogen aan. De grootste kerk is de Italiaanse St. Antonius van Padua kerk, waar de latere paus Johannes de 23e tien jaar preekte voor hij in 1958 paus werd. Hij kreeg de eretitel ‘vriend van de Turken’, omdat hij zo van Turkije hield en goed Turks sprak.

De straat is ook vaak het toneel geweest van demonstraties en politieke protesten. Sinds 1995 komen elke zaterdag moeders bijeen voor een sit-in demonstratie om de overheid te vragen naar het lot van hun geliefden die in de jaren ’90 zonder enig spoor verdwenen. Vaak ontvoerd, gemarteld en vermoord. Deze ‘zaterdagmoeders’ blijven het winkelend publiek en de toeristen herinneren aan een van de zwartste bladzijden uit de recente geschiedenis van Turkije.

In september 1955 leek de straat meer op een oorlogszone. Tanks en militairen patrouilleerden er en herstelden orde en gezag nadat tienduizenden nationalisten op georganiseerde wijze en op massale schaal, negen uur lang, winkels, huizen, scholen, restaurants, en andere gebouwen van Grieken en andere niet-moslimse minderheden plunderden, vernielden en in brand staken. De politie stond erbij en keek er goedkeurend naar. Zeker tien Grieken werden vermoord tijdens deze Turkse versie van de Kristallnacht. In sommige zijstraten van de Istiklal, en in de wijken Tarlabasi en Fener zijn nog huizen van Grieken te zien met littekens van die haatexplosie.

De pogrom leidde tot een uittocht van zeker 15.000 Grieken. Een leegloop die sindsdien niet meer is opgehouden. Het aantal Grieken in de stad is ineengeschrompeld van 65.000 in 1955 tot amper 2.500 nu.

De etnische zuivering van dit deel van de stad wordt nu voltooid als gevolg van het neoliberale beleid van de gemeente. Inzetten op ‘omgekeerde verpaupering’ betekent vrij spel voor de meest kapitaalkrachtigen en het verdwijnen van de kleine winkeliers en ambachtslieden die meestal deel uitmaakten van de niet-moslimse minderheden. Het gevolg: een verschraling van het winkelaanbod en het verdwijnen van de etnische en religieuze diversiteit in ook dit deel van de stad. Meer kleding- en schoenenzaken, en fastfood tenten van Turkse en internationale ketens, en minder zelfstandige familiewinkels als Kelebek.

Ondernemen in het Midden-Oosten: kansen en keuzes volop

Nederland drijft handel met de hele wereld, en Nederlandse bedrijven en ondernemers zien overal economische kansen. Maar in die veelheid aan internationale economische betrekkingen komen het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA) er bekaaid af. Van de Nederlandse export gaat slechts een beperkt deel naar deze regio. De vijf MENA-landen waarnaar we het meest exporteren (Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië, Israël, Egypte en Algerije) zijn bij elkaar slechts goed voor 2,5 procent van onze totale export (cijfers van 2015). In de lijst met landen waarnaar Nederland exporteert, vinden we het eerste MENA-land – de Verenigde Arabische Emiraten – pas terug op plaats 28 (cijfers van 2016).

Ook vanuit het perspectief van het Midden-Oosten en Noord-Afrika is Nederland een bescheiden handelspartner. Zo komt bijna een derde van de import van Saoedi-Arabië uit Europa, maar is het aandeel van Nederland hierin maar klein (nog geen 5 procent). Ruim een derde van de Egyptische export gaat naar Europa, maar slechts 3,7 procent hiervan naar Nederland (cijfers van 2015).

Toch is het niet zo dat de MENA-regio geen mogelijkheden biedt voor meer handel en economische betrekkingen met Nederland en met Nederlandse bedrijven. Christiaan Duinmaijer, die ondernemers adviseert bij het opbouwen van zakelijke relaties in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, ziet volop mogelijkheden. ‘De meeste landen in de regio hebben een grote en groeiende jonge bevolking, die open-minded en nieuwsgierig is. Deze regio vormt echt een groeimarkt.’ Volgens Duinmaijer kan Nederland vooral kennis en technologie leveren. ‘De basisvoorzieningen zijn aanwezig: landbouwgrond en goedkope arbeidskrachten. Maar de technologie ontbreekt om extra waarde toe te voegen. Kijk naar wat wij in het Westland produceren, op een milieuvriendelijke manier. Dat ontbreekt nog in veel Arabische landen.’ Hij kent verschillende voorbeelden van bedrijven die deze mogelijkheden benutten. ‘Een aantal Nederlandse bedrijven is bezig met landbouwdrones. Daarmee vlieg je over een gebied en meet je hoe de gewassen groeien. Daaraan koppel je een systeem met bodemmetingen en dan weet je of er meer mest bij de bodem moet, of juist meer water.’

Zonne-energie in Marokko

Een van de landen met economische kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven is Marokko. De Marokkaans-Nederlandse Hayat Essakkati, die vanuit Casablanca buitenlandse bedrijven adviseert, ziet ondernemers uit de hele wereld, maar weinig uit Nederland. ‘In de laatste jaren is er een grote groei van nieuwe buitenlandse investeerders in Marokko. Niet alleen vanuit de bekende landen als Frankrijk en Spanje, maar ook landen waarmee Marokko eerder geen zaken deed, zoals Engeland, Duitsland, Singapore, Finland en China. En vergeet niet dat Marokko geen minerale grondstoffen heeft, waarvoor de Chinezen vaak naar Afrika komen. Dat China toch komt, zegt dus heel veel.’

Volgens Essakkati is Marokko sinds de jaren negentig in rap tempo veranderd. ‘We hebben nu zeven grote havens, degelijke snelwegen en een goede infrastructuur. Royal Air Maroc vliegt steeds vaker en naar meer bestemmingen.’ Zij ziet economische kansen in diverse sectoren. ‘De agribusiness is enorm aan het groeien, dat is voor Nederland interessant. Logistiek en transport zie je in alle sectoren, en ook de chemische industrie is relevant, net als de autoindustrie en bijvoorbeeld de energiesector. Marokko heeft het grootste project voor zonne-energie van Afrika. En denk ook aan zachtere sectoren als onderwijs en zorg. Private investeerders kunnen nu in Marokko een ziekenhuis opzetten, of een school. In het onderwijs zien we Belgen, Engelsen en Spanjaarden. Maar geen Nederlanders.’

Saoedische studenten

Nederlandse universiteiten hebben de afgelopen jaren de mogelijkheden ontdekt om samen te werken met overheden in de Arabische regio. Dit leidt soms tot ingewikkelde ethische dilemma’s, zoals goed naar voren kwam in een recente documentaire over Nederlandse universiteiten die in groten getale Saoedische studenten verwelkomen. Moet de Nederlandse overheid zich voegen naar de Saoedische norm dat vrouwelijke studenten altijd een mannelijke begeleider moeten hebben? Universiteiten verdienen goed aan deze internationale samenwerking, weet ook Paul Aarts, Midden-Oostendeskundige en verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Al een aantal jaren zijn enkele universiteiten actief in met name de Golfstaten. Arabische studenten komen hierheen en Nederlandse staf gaat daarheen. Inmiddels studeren honderden Saoedische studenten medicijnen in Groningen en Maastricht. Kennis en onderwijsprogramma’s vormen een interessant exportproduct dat Nederland in de Golfstaten in de markt probeert te zetten.’

Banen creëren

Met veel landen in de MENA-regio gaat het economisch niet goed. De werkloosheid is er hoog, met name onder jongeren, die bijna een derde deel van de bevolking vormen. In veel landen in de regio komt de jeugdwerkloosheid dicht bij de 30 procent. Meer handel, investeringen en economische betrekkingen kunnen jongeren in de regio meer perspectief bieden, denkt Hayat Essakkati. ‘Uiteindelijk gaat het om het creëren van banen. Ook jongeren die naar een goede school gaan en een mooi diploma halen, kunnen geen goede baan krijgen. Er moeten meer mogelijkheden voor hen komen, en dat kan door ruimere buitenlandse investeringen in Marokko. Die kunnen een grote sociale impact hebben, terwijl bedrijven er ook geld mee verdienen. Dat is de duurzaamste win-winsituatie.’

Ruimte voor vrijheid

Buitenlandse handel en investeringen kunnen niet alleen de economische perspectieven van jongeren vergroten, maar ook bijdragen aan maatschappelijke ontwikkeling. Zeker wanneer de investeringen zich richten op jonge ondernemers in de regio zelf, meent Arthur Steiner, oprichter van NewSilkRoads en coördinator van het Mideast Creatives-programma. ‘Veel landen in de regio hebben gesloten samenlevingen, met weinig vrijheid van uitdrukking. Veel jongeren zoeken die vrijheid in het  ondernemerschap. Met hun creativiteit proberen ze via het ondernemen maatschappelijke problemen aan de orde te stellen. Veel start-ups daar zijn bezig met een maatschappelijk probleem, niet alleen met geld verdienen.’

Internationale economische betrekkingen kunnen een samenleving opener maken. Dat is ook de ervaring van Hossam el-Din Ali, oprichter en voorzitter van de Liberal Youth Party in Egypte. Al jaren probeert hij een liberale politieke partij op te richten in Egypte. Hij ondervindt veel weerstand van het Egyptische regime: al tweeënhalf jaar mag hij het land niet uit. Vrijhandel is voor hem een van de pijlers van het liberale gedachtegoed dat hij probeert te verspreiden. Volgens hem kan dit de Egyptische economie en samenleving alleen maar ten goede komen. ‘Ik herinner me dat president Moebarak in 1996 een protocol tekende met de Duitse bondskanselier Helmut Kohl om Egyptische technici te trainen. Dat betekende een enorme verbetering van de kwaliteit van onze technici en ingenieurs.’

Volgens de Egyptische liberaal veranderen dit soort economische relaties de manier van leven. ‘Door goederen te importeren, kunnen we de samenleving en mentaliteit van Egyptenaren verbeteren. Kijk naar de komst van internet en smartphones. Dat veranderde de manier waarop we onze mening uiten. Iedereen heeft nu zijn eigen kanaal, er is meer ruimte om je te uiten. Toen wij in 2007 met Facebook begonnen, kwamen we er ineens achter dat er veel meer liberalen in Egypte zijn. Eerder konden we elkaar niet bereiken, maar nu wisten we dat we met genoeg mensen zijn om een politieke partij op te richten.’

Aard van het regime

Internationale handel kan dus de economische en sociale situatie in de MENA-regio verbeteren. Maar we moeten wel voorzichtig zijn met deze conclusie, meent Paul Aarts. ‘Volgens mij is dat een onbewezen aanname. Politieke stabiliteit komt tot stand door een scala aan factoren. Handel kan er een van zijn, maar dit hangt erg af van de situatie per land. De situatie in Marokko is nu eenmaal heel anders dan in Tunesië, Egypte, Jemen of Bahrein. In algemene zin levert handel naar alle waarschijnlijkheid wel een bijdrage, maar het hangt ook erg af van de soort economische relatie en met wie die wordt opgebouwd. Als een Nederlands bedrijf zaken doet met een corrupte economische potentaat in Egypte, dan leidt dat misschien eerder tot wrevel en verzet bij de Egyptenaren dan tot meer stabiliteit.’

‘Door goederen te importeren, kunnen we de samenleving en mentaliteit van Egyptenaren verbeteren’

Handel en politiek staan nooit helemaal los van elkaar. Zeker niet in landen waar het regime nauwe banden heeft met de economische elite, en andersom. Ondernemers en overheden zien zich soms voor de vraag gesteld of het politiek verstandig en moreel geoorloofd is om zaken te doen met (staats)bedrijven en overheden in de MENA-regio. Bijvoorbeeld met het regime van president Sisi in Egypte. Maar die terughoudendheid is soms ook voor de bühne, meent Hossam el-Din Ali. ‘Onder de tafel hebben veel overheden nauwe handelsrelaties met deze regimes. Toen Sisi het nieuwe Suezkanaal opende, kwam de hele wereld naar Egypte. De meeste landen werken maar al te graag met Sisi samen.’ Volgens Christiaan Duinmaijer speelt voor ondernemers de aard van een regime geen belangrijke rol. ‘Ik heb niet het idee dat veel ondernemers zich laten afschrikken door het mensenrechtenbeleid in Egypte. De economische situatie is voor hen van groter belang. Zij denken juist: door daar een bedrijf te beginnen, help ik mensen aan het werk.’

Sterke man

Handel drijven in een land waar een sterke man aan de macht is, is niet altijd gemakkelijk voor ondernemers, merkt Duinmaijer op. ‘Een sterke man kan zekerheid geven en veel mogelijk maken voor bedrijven. In Marokko wil de koning alles groener doen: dan weet je als Nederlands bedrijf welke kansen er liggen. Maar slechte besluiten en wispelturigheid kunnen het ondernemen erg lastig maken. Dat schrikt ondernemers weer af.’ Het leiderschap van de Marokkaanse koning is een gunstige factor voor het ondernemersklimaat, vindt Hayat Essakkati. ‘Juist door de koning hebben we hier een vrij sterke economie. Voor de meeste sectoren die nu groeien, heeft hij zich hard gemaakt: infrastructuur, groene energie, automotive. Als het een prioriteitssector betreft, kunnen ontwikkelingen hier snel gaan.’

Marketing

Desondanks weten Nederlandse ondernemers de economische kansen in Marokko niet massaal te vinden. Volgens Essakkati heeft dit met beeldvorming te maken. ‘Ik denk dat veel Nederlanders nog het Marokko van de jaren negentig in hun hoofd hebben, toen de wegen slecht waren en we alleen fosfaat, landbouw en textiel hadden. Marokko is ontzettend veranderd. We doen niet genoeg ons best om dit verhaal te verkopen. ‘

Duinmaijer herkent dit. ‘De promotie uit deze landen is niet toegesneden op de Europese markt. De manier van presenteren is vrij amateuristisch en veel websites zijn slecht onderhouden.’ Daarnaast ziet Duinmaijer veel twijfels en terughoudendheid bij ondernemers zelf. ‘Er is veel onbekendheid onder ondernemers en dat maakt hen huiverig. Zo krijg ik veel vragen over het kafala-systeem: de verplichting om een lokale partner te hebben als je daar een bedrijf wilt beginnen. Dat geldt voor de Golfregio, in veel andere Arabische landen is het niet noodzakelijk.’ Ook is instabiliteit een belemmering voor ondernemers, merkt Duinmaijer. ‘De overheid is onberekenbaar, er is sociale onrust. En er is de angst voor terrorisme. De onbekendheid met de regio maakt dat het risico op aanslagen veel groter wordt geschat dan het is.’

Lokale agenda’s

Volgens Duinmaijer kan de Nederlandse overheid meer doen om deze onwetendheid bij ondernemers weg te nemen. Een simpel voorbeeld zijn de reisadviezen van het ministerie van Buitenlandse Zaken. ‘Die zijn meestal heel voorzichtig. Dat heeft impact op ondernemers: als je een land niet kent en je hebt keuze uit de hele wereld, laat je een oranje gekleurd land voorbijgaan.’ Duinmaijer ziet dat de overheid soms bijeenkomsten organiseert over de economische kansen in de regio, bijvoorbeeld vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). ‘ Vaak worden daar alle landen in de regio samengevoegd. Het is juist belangrijk de informatie meer toe te spitsen op specifieke landen, zodat je weet wat elk land te bieden heeft.’ Marokko komt daarbij weinig aan bod, ervaart Hayat Essakkati. ‘Er was het Handels- en Investeringscentrum Marokko, maar dat lijkt gesloten. En de Kamer van Koophandel organiseert amper iets over Marokko. Soms zijn er wel handelsmissies, maar die worden vaak door dezelfde mensen met hetzelfde netwerk georganiseerd. Het is belangrijk dat ze dan juist ook met het bedrijfsleven hier spreken, niet alleen met de burgemeesters.’

‘De onbekendheid met de regio maakt dat het risico op  terroristische aanslagen veel groter wordt geschat dan het is.’

Duinmaijer wijst erop dat ook meer aandacht voor de initiatieven van lokale overheden waardevol is. ‘In verschillende landen bestaan speciale investeringsautoriteiten. Bedrijven krijgen incentives aangereikt, bijvoorbeeld investeringskrediet, of kwijtschelding van bepaalde sociale lasten of belastingen. Of ondernemers kunnen al hun papierwerk bij een en hetzelfde loket afhandelen.’ Om succesvol te ondernemen, is het handig aan te sluiten bij de agenda’s van deze lokale overheden. In de praktijk gebeurt dat niet altijd. ‘Zo zijn Nederlandse landbouwraden bezig projecten op te zetten in Noord-Afrika, maar doen ze dat volledig onafhankelijk van de projecten van lokale investeringsautoriteiten die ook meer Nederlandse bedrijven willen binnenhalen. Daar werkt men dus langs elkaar heen.’

Cultuur van ondernemerschap

De Nederlandse overheid stimuleert niet alleen Nederlandse bedrijven om handelsrelaties op te zetten, ze investeert ook in het ondernemersklimaat in landen in de regio zelf. Arthur Steiner ontvangt voor zijn werk financiering vanuit het LEAD-programma: Local Employment in Africa for Development. Hiermee wil de Nederlandse overheid het economisch perspectief van jongeren in Afrika verbeteren, om migratie te voorkomen. Een waardevol initiatief, vindt hij. ‘Het is goed om jongeren lokaal kansen te bieden en daar bijvoorbeeld ondernemerschapstrainingen te geven. Ook is de financiering van het midden- en kleinbedrijf belangrijk: als ze makkelijker leningen kunnen krijgen, kunnen ze groeien en meer mensen in dienst nemen. En ik denk dat het belangrijk is dat ondernemers elkaar kunnen vinden in co-working spaces, een soort broedplaatsen, waar ze trainingen krijgen in het schrijven van een businessplan of een cv. Dat is een goede manier om te werken aan een cultuur van ondernemerschap.’

Honderd miljoen banen

Veel mensen zijn het erover eens dat deze initiatieven, vanuit overheden en bedrijven, uiteindelijk de economische ontwikkeling van landen in de MENA-regio ten goede komen. Het is wel de vraag of dit voldoende is om de economische kansen van de jonge Arabische bevolking op de lange termijn te vergroten. Paul Aarts maakt zich ernstig zorgen. ‘Dé olifant in de kamer is de gigantische jeugdwerkloosheid. Iedereen kent de cijfers en iedereen weet dat de slechte economische situatie een van de belangrijkste aanleidingen was voor de Arabische opstanden. Toch is er nauwelijks aandacht voor de aanpak van dit kolossale probleem.’ Aarts kent de initiatieven voor lokaal ondernemerschap, maar die zijn bij lange na niet voldoende. ‘De discussie kan niet beperkt blijven tot waar het nu steeds over gaat: start-ups. Ik geef je één cijfer: volgens een recente schatting van de Verenigde Naties moeten er tot 2030 zestig tot honderd miljoen banen bijkomen. Die komen er niet met alleen start-ups.’ Hij luidt de noodklok. ‘Ik constateer een gebrek aan creativiteit om tot een structurele oplossing te komen. Met een investerinkje hier en daar komen we er niet. Er moet echt worden nagedacht over majeure oplossingen.’

Een liederencyclus voor de geschonden kinderen van Gaza

Op 22 april beleeft het stuk, dat uit negen liederen bestaat en 40 minuten duurt, zijn première in de Oosterkerk in Hoorn. Een dag later is er een uitvoering in de Singelkerk in Amsterdam. En daarna? Wie zal het zeggen. Voor de kinderen van Gaza en hun situatie staan cultuurminnende geldschieters niet in de rij: er zijn genoeg minder ‘beladen’ charitatieve doelen. De totstandkoming van het zangproject was echter zo wonderbaarlijk dat de initiatiefnemers stilletjes hopen op een bijzonder vervolg.

Vanwaar de focus op kinderen? Uiteraard hebben niet alleen kinderen het moeilijk in de Gazastrook, die door geweld, wanhoop en isolement getekende vuilstortplaats aan zee waar twee miljoen mensen op 400 vierkante kilometer leven. Maar door de aandacht specifiek op kinderen te richten, hopen de Nederlandse componist en de Amerikaanse dichter de valkuil van de politiek te omzeilen. Kinderleed is immers politiek nooit te rechtvaardigen. Kinderleed is onverdacht. Nietwaar?

Inderdaad – maar toch: in Israël en Palestina is elke molecuul ideologisch en politiek geladen. Wie zich met de regio bemoeit, al is het nog van zo’n grote afstand, en al is het nog uit zulke onverdacht humanitaire motieven, kan zich niet aan die ideologie en politiek onttrekken. Actief opkomen voor de Palestijnse bevolking ligt niet voor de hand in de Westerse wereld. Daarvoor moeten vaak barrières aan vooroordelen en desinformatie worden beslecht, een spervuur aan verdachtmakingen worden getrotseerd. Misschien dat Michael R. Burch (59) en Eduard de Boer (60) – zeg maar ‘Mike’ en ‘Ed’ – toch meer gemeen hebben dan ze bevroeden. Bijvoorbeeld de ideologische achtergrond waarvoor ze niet zelf hebben gekozen. De uitgesproken christelijke omgeving waarin ze opgroeiden, een dikke 7000 kilometer van elkaar vandaan, en toch kennelijk zo eender.

Eduard de Boer bezocht de Johannes Calvijn-school in Kampen, waar hij hoorde wat een zegen het was dat het joodse volk het in Palestina weer voor het zeggen had gekregen: in de eerste plaats bestond daarvoor het overbekende Bijbelse argument, in de tweede plaats het praktische argument dat de zionistische pioniers zoveel beter in staat waren het land tot bloei te brengen dan de Arabieren, een achterlijk en verwerpelijk volk.

‘Het was niet zo dat ik deze opvattingen met overtuiging aanhing, ze waren domweg een gegeven, een blauwdruk, een uitgangssituatie,’ zegt Eduard de Boer nu in zijn woning in het Noord-Hollandse Midwoud. ‘Ik was ermee geïmpregneerd en dacht er verder niet over na.’

Pas toen hij, 19 jaar oud, besloot om zijn vakantie als zo veel jongeren in de jaren zeventig op een kibbutz door te brengen, verschoof het perspectief. Hij was daar naartoe gegaan op uitnodiging van Nathan, een Amerikaans-joodse jongen die in hetzelfde studentenhuis woonde als hij. De conservatoriumstudent had niet veel omhanden, geen vastomlijnde plannen, eigenlijk geen reden niet op de uitnodiging in te gaan. Dus ging hij, en hij kreeg er geen spijt van. Het leven beviel hem goed in de kibbutz. ‘Er heerste een hele internationale sfeer, de egalitaire opzet sprak me ook wel aan.’ En de Palestijnse kwestie? ‘Er lagen Engelstalige kranten, die repten van aanslagen, van de PLO. Ik nam er kennis van, maar nog altijd op een neutrale manier, en zonder werkelijk inzicht in de situatie. De PLO stond in een kwaad daglicht, waar de Palestijnse zaak precies om draaide was niet duidelijk.’

Een aantal doodgewone voorvallen deden zijn passieve kijk op de zaak pas kantelen, zoals het grote wel vaker in het kleine verborgen zit. Er was die keer dat hij met een groepje Israëlische jongeren op de bus stond te wachten. Toen die bus kwam werd hij ruw aan de kant geduwd. Zo maakte hij kennis met de onbehouwen omgangsvormen waar de Israëlische samenleving bij vriend en vijand om bekend staat, en hij was er niet op bedacht, want Israël was beschaafd.

Vervolgens was er de kennismaking met een Palestijnse opzichter op een zonnebloemplantage die bij de kibbutz hoorde. ‘Een ontzettend aardige man, die elke dag iets lekkers voor je meebracht, en erop toezag dat je niet werd afgebeuld. Aan wie geen onvertogen woord ontsnapte, behalve dat hij liet doorschemeren weinig betaald te krijgen.’ En alweer stond hij verbaasd, want Arabieren waren primitief en agressief.

Tenslotte het viertal Palestijnse mannen dat hem in hun kale huis uitnodigde toen hij daar vlakbij stond te liften, hem eten en drinken voorzette en hem vertelde waar de sleutel lag, mocht hij ooit weer in de buurt zijn en een slaapplaats nodig hebben. ‘Het was niet meer dan een gebaar, maar ik was er zeer door getroffen.’

Kleine belevenissen waaraan geen enkele politieke conclusie te verbinden viel, maar die De Boer zich toch altijd zou blijven herinneren omdat ze hem duidelijk maakten dat zijn opvoeders hem met stereotypen hadden opgezadeld. Hij zou nooit meer terugkeren naar Israël en Palestina, toch legden deze schijnbaar onbeduidende ervaringen van een nog nauwelijks volwassen man de kiem voor wat hij tientallen jaren later tot stand zou brengen.

En Mike Burch? ‘Ik ben opgegroeid in een traditioneel christelijk milieu,’ meldt hij telefonisch vanuit Nashville, Tennessee. ‘Ons was geleerd dat de joden Gods oogappel waren, en de Arabieren een verschrikking. Informatie die dit weersprak was niet voorhanden. Tot deep in my forties was ik zeer pro-Israël en diepgaand geïnteresseerd in zogeheten Holocaust-poëzie. Ik kende veel joodse dichters, en die kwamen mij voor als zeer weldenkend, humanistisch en vooruitstrevend. Totdat het mij begon op te vallen dat ze als een blad aan een boom omdraaiden wanneer de Palestijnen ter sprake kwam. Dan werd hun houding defensief en onbarmhartig en leken al die liberale beginselen niet meer van waarde.’

Uiteindelijk besloot Burch zelf te gaan uitzoeken hoe dat nu precies zat met die Palestijnen en vielen de schellen hem van de ogen. ‘Ik had echt niet veel tijd nodig om te beseffen dat de kwestie behoorlijk anders lag dan mij en vele anderen was voorgespiegeld. Dat de Palestijnen fundamenteel onrecht was aangedaan. Dat hun hele bestaan werd ontkend, bijvoorbeeld door Golda Meir, die woordelijk zei dat Palestijnen niet bestonden. Ik was er letterlijk dagenlang ziek van. Toen ik mijn joodse vrienden met mijn bevindingen confronteerde, volgden er agressieve pogingen mij te bekeren. Ik kreeg iemand op mij af die deel uitmaakte van de Hazbara, de zionistische propagandamachine. Natuurlijk liet ik mij niet vermurwen. Nu hebben mijn vrienden  van weleer een hekel aan mij, al zeggen ze mij ook te ‘respecteren’. Want ik mag dan een leugenaar zijn, ik houd het wel ‘beschaafd’. Is dat niet eigenaardig?’ Er klinkt onderdrukt gegrinnik van de andere kant van de oceaan.

Michael Burch werd een activist, die zelfs een eigen vredesplan ontwierp (de Elberry Burch peace initiative). Hij bouwde de website The HyperTexts, die zeer breed van opzet is, maar waarop een prominente plaats is ingeruimd voor Holocaust- en Nakba-poëzie, en wat meer is: gedichten uit Gaza, waarvan vele geschreven door kinderen. Gedichten die Eduard de Boer onder ogen kwamen, omdat hij ernaar op zoek was, aangezien hij het plan had opgevat een zangstuk te schrijven voor de kinderen van Gaza. Op dat idee was hij gekomen toen hij vele jaren na zijn bezoek aan Israël op de onderbelichte situatie van de Palestijnen werd gewezen door zijn Belgische vriend en organisator van klassieke concerten, André Posman (broer van de bekende Vlaamse componist Luciën Posman). Via Posman, die getrouwd is met een Arabische vrouw, kreeg hij een boek in handen over de Gazastrook, met daarin ook een aantal ‘interessante’ gedichten. ‘Wat ik las was schrijnend, en bracht de herinnering aan mijn aangename contacten met Palestijnen van bijna een kwart eeuw geleden weer terug.’

Kwam het ambitieuze voornemen om een zangstuk te schrijven dan enkel daaruit voort? ‘Nou, nee,’ zegt de Boer. ‘Er speelt meer mee. Kijk, ik ben voor componeren in de wieg gelegd. Ook al zou ik de allerslechtste componist zijn die ooit heeft bestaan, dan nog kan ik niets anders dan componist zijn. Zo ben ik geboren, kan ik ook niet helpen. En als ik mijn talenten kan gebruiken om een positieve bijdrage te leveren aan deze kwestie, dan wil ik dat graag. Of beter: voor zover ik in staat ben een bijdrage te leveren, is dit de manier waarop ik dat kan en wil. De beste motivatie voor alles wat je doet is de wereld een beetje beter maken. Als je een bakker bent, dan maak je een lekker broodje. Dit principe geldt natuurlijk niet voor alle beroepen. Wie woekerpolissen bedenkt, beweegt zich op een ander niveau. Maar volgens mij word je daar niet gelukkig van.’

Dit ambachtelijk idealisme dreef De Boer er enige jaren geleden ook toe een Elegie voor Tohoku te schrijven, ter nagedachtenis van de slachtoffers van de tsunami die dit gebied in Japan zo zwaar trof. Hij kon het van tevoren niet weten, maar met zijn instelling kon de componist geen betere werkpartner vinden dan Michael Burch, die hem volstrekt onbekend was, maar die hij besloot aan te schrijven om hem te vragen of hij wat gedichten op diens toevallig gevonden site mocht gebruiken.

“De beste motivatie voor alles wat je doet is de wereld een beetje beter maken”

‘Het plan van Ed sprak mij onmiddellijk aan,’ vertelt Burch, ‘alleen stuitte het idee om bestaand werk van kinderen uit Gaza te gebruiken op nogal wat bezwaren. De leraar in Gaza die ik ken en kinderen bij het schrijven van gedichten begeleidt, wil hun identiteit om al te begrijpelijke redenen niet prijsgeven, en dus zou het erg moeilijk worden de rechten van de gedichten te krijgen. Daarom stelde ik Ed voor zelf nieuwe gedichten voor de cyclus te schrijven. Gelukkig ging hij akkoord. We wilden graag de verhalen van deze kinderen vertellen, maar moesten hen tegelijkertijd beschermen.’

De flexibiliteit en dienstbaarheid van Burch ervoer de Boer als heel bijzonder. ‘Ik mocht hem het onderwerp, de lengte en het metrum van elk gedicht opdragen. Aanpassingen waren nooit een probleem. Het verbazingwekkende was ook dat hij kwam aanzetten met perfecte liederenpoëzie, kleine ariateksten, simpel maar elegant.’

Burch: ‘Of ik iets weet van muziek? Nou, nee. Ik ben er dol op, en ik kan aardig meezingen, vooral onder de douche. Verder gaat het niet. Opera? Mag je me midden in de nacht voor wakker maken, maar ik versta er geen woord van, want er zijn maar weinig opera’s in het Engels, nietwaar? Dus dat het zo mooi heeft uitgepakt zal een kwestie van inspiratie zijn geweest. Tja, en wat mijn souplesse betreft: voor sommige dichters is elk woordje dat ze schrijven heilig. Zo ben ik zelf helemaal niet. Ik heb een weinig elitaire kijk op poëzie en houd me vooral bezig met de vraag of de boodschap overkomt. Ook als die boodschap onbarmhartig is, want het Palestijnse kind dat een stem krijgt in de cyclus sterft aan het eind een gewelddadige dood, zoals dat helaas ook in werkelijkheid regelmatig gebeurt. Mijn gedichten zijn toegankelijk en zeker ook niet wars van sentiment, want mensen zijn nu eenmaal sentimentele wezens. Let wel, ik heb ook obscure poëzie geschreven, maar daar ben ik al een tijd geleden vanaf gestapt, want ik wil mensen bereiken.’

Misschien alweer iets dat de componist en de dichter gemeen hebben: een afkeer van pretentie. De Boer zelf heeft al een tijd een broertje dood aan de in de volksmond als ploink-ploink en piep knor bekend staande moderne klassieke muziek waarmee hij tijdens zijn studie werd opgezadeld. ‘Aan dat soort muziek liggen zeer complexe abstracte ideeën ten grondslag, maar het eindresultaat is betekenisloos. Ik laat mij liever inspireren door volksmuziek uit alle windstreken en voel me gesterkt door de wetenschap dat Mozart en Haydn en veel andere grote componisten volksdeuntjes verwerkten in hun composities. Ik vond het dan ook erg leuk om in het kader van deze liederencyclus kennis te maken met Arabische volksmuziek, die wat vierkant en monotoon is, maar ook episch.’

Beide kunstenaars koesteren dus zowel laagdrempeligheid als engagement. Heeft Michael Burch dan ook de illusie dat verhalende kunst de wereld kan veranderen? ‘Ik weet het wel zeker,’ zegt hij vol overtuiging. ‘Of denk je soms dat William Blake, Charles Dickens en Walt Whitman geen invloed hebben gehad met hun aandacht voor de misstanden van hun tijd? En wat dacht je van The Beatles en Bob Dylan? Hebben die hun stempel niet gedrukt? Poëzie is overal om ons heen, meestal de vorm van populaire muziek, en de boodschap is vaak positief. Wat zingen Madonna en Lady Gaga? Wees jezelf. Je bent goed zoals je bent. De wereld is in de loop der tijd een betere plek geworden en literatuur en geschreven en gezongen poëzie hebben daaraan een onschatbare bijdrage geleverd.’

Tegelijkertijd beseft zowel De Boer als Burch dat twee uitvoeringen van deze liederencyclus geen rimpelingetje teweeg zullen brengen in de stand van zaken. Maar wie weet wat er nog in het vat zit? Er is reden voor hoop, een reden die de rationaliteit iets ontstijgt en toch niet helemaal onredelijk lijkt. Het project heeft tot nu toe onder een zeer gunstig gesternte gestaan. ‘Ik dacht er vele jaren mee zoet te zijn in plaats van drie maanden, want ik krijg ik er natuurlijk niet voor betaald en zou er dus tussendoor aan moeten werken,’ zegt De Boer. ‘Maar toen volgde er een verbazingwekkende reeks meevallers, ik zou haast zeggen: een serie wonderen. Eerst viel mij onverwacht een behoorlijk bedrag toe uit de nalatenschap van een overleden vriend. Daarmee was het geldprobleem opgelost. Vervolgens werden twee opdrachten waarvoor ik was aangezocht uitgesteld. Dus had ik ineens ook tijd. Voeg daarbij het feit dat ik zomaar de ideale tekstdichter vond, en je kunt begrijpen dat ik mijn geluk niet op kon. Het enige wat ontbrak was een zangstem: en die vond ik, na alweer een zoektocht op internet, ook al snel in de persoon van Dima Bawab, een Jordaanse-Palestijnse sopraan die in Parijs woont en onmiddellijk enthousiast haar medewerking toezegde (‘wat geweldig dat jullie aan mij hebben gedacht’).  En als klap op de vuurpijl, al zegt dat misschien alleen mij als musicus iets, valt de compositorische climax van de cyclus, zonder dat ik daarnaar bewust had gestreefd, op het punt van de guldensnede (a:b = a+b : a). Geen verplichte, maar wel een geliefkoosde vorm. Beethoven, bijvoorbeeld, had er een feilloos gevoel voor.’

Zo veel gelukkig toeval geeft beide kunstenaars, al zijn ze niet bepaald religieus, toch te denken.
‘Je gaat haast geloven in de voorzienigheid,’ zegt de Boer.
En Burch: ‘Einstein zei het al: toeval is een manier van God om anoniem te blijven. Ik houd het erop dat mensen met hetzelfde doel vaak zijn voorbestemd elkaar te ontmoeten. In welke vorm dan ook.’

Activisten uit het Midden-Oosten voor het voetlicht op filmfestival in Den Haag

Zeker “Tickling Giants”  is een topkandidaat. Grappig maar ook leerzaam, deze komische documentaire over ‘de Egyptische Jon Stewart’ Bassem Youssef, die begint met het verhaal van één man maar je uiteindelijk doet nadenken over satire, vrijheid van meningsuiting en politieke onderdrukking. “The Daily Show” het satirische televisieprogramma dat voornamelijk de Amerikaanse media en politiek te kijk zet, bereikte dagelijks rond de twee miljoen kijkers toen het door John Stewart werd gespresenteerd. Ter vergelijking: het Egyptische pendant, het satirische programma van Bassem Youssef trok tijdens de Arabische Lente rond 30 miljoen kijkers. Sara Taksler, scriptschrijver en regisseuse (en producente van “The Daily Show” — Jon Stewart verschijnt in verschillende scenes), geeft een overzicht van de gebeurtenissen tijdens de Arabische Lente in Egypte.

Voor degenen die niet weten hoe het afloopt met de Egyptische tv-show, laat de docu dat voldoende open. Uit de interviews met Bassem Youssef en zijn team blijkt optimisme, maar ook onbehagen en angst. Was na de val van Hosni Mubarak de nieuwgekozen president Mohamed Morsi al niet blij met de satire op televisie, toen generaal Abdel Fattah el-Sisi de macht overnam, was het echt uit met de pret. Toch ziet Bassem Youssef in het uitzendverbod een sterker en duidelijker signaal dan wanneer het programma was doorgegaan. “De boodschap is afgeleverd”, zei hij bij het afscheid.

Voorstellingen: zondag 26 maart 2017 – 13:15 (Zaal 5, Filmhuis Den Haag); dinsdag 28 maart 2017 – 19:30 (Theater aan het Spui Grote Zaal); zaterdag 1 april 2017 – 11:45 (Theater aan het Spui Grote Zaal)

Het Israëlisch-Palestijnse conflict op een geweldloze manier benaderd

In de negen films van het festivalprogramma ‘A Matter of ACT’ wordt op indrukwekkende wijze een beeld gegeven van het leven en werk van mensenrechtenverdedigers wereldwijd. De films tonen de strijd tegen onrecht en onderdrukking en laten zien onder welke grote gevaren en bedreigingen de activisten hun werk moeten doen. In “Disturbing the Peace” zijn Shifa al-Qudsi en Assaf Yacobovitz de twee protagonisten: aan de orde is het schijnbaar eindeloze conflict tussen Palestijnen en Israëli’s. De Palestijnse Shifa al-Qudsi wilde een riem met explosieven omdoen en zichzelf tot ontploffing brengen om zoveel mogelijk Israëliërs te doden. Intussen zat Assaf Yacobovitz in een controlekamer op knoppen te drukken en orders te geven om bommen op Palestijnen te gooien.

Nú strijden Shifa en Assaf allebei voor een vreedzame oplossing voor het conflict. Assaf Yacobovitz behoort tot de groeiende groep Israëlische soldaten die geen geweld meer willen gebruiken. Een standpunt dat lang niet altijd goed valt in Israël: de militairen worden met de nek aangekeken door politici, vrienden en familie. Landverraders zouden het zijn. Maar Shifa en Assaf gaan ervoor, ze willen het net als veel andere Palestijnen en Israëliërs anders doen en besluiten elkaar in een groep te ontmoeten. We zien hoe Palestijnen en Israëliërs elkaar in één ruimte ontmoeten. Om elkaar een hand te geven, elkaar te vertellen wat ze gedaan hebben, elkaar in de ogen te kijken. En te proberen elkaar te vergeven.

De ontmoeting is het begin van een organisatie die Combatants for Peace heet: een groep van voormalige Israëlisch soldaten en Palestijnse strijders die voorbij hun eigen grenzen kijken en elkaar willen begrijpen. Daartoe gaan ze met elkaar in gesprek en organiseren ze vreedzame demonstraties, sinds 2005. Aan de hand van veel archiefmateriaal vertellen filmmakers Stephen Apkon en Andrew Young het verhaal van deze strijdbare groep. Assaf: “Als je met humaniteit naar de andere kant kijkt, kún je elkaar simpelweg niet doden”. Shifa: “We dragen dezelfde boodschap: dat we vrede willen.”

Voorstellingen: zondag 26 maart 2017 – 20:45 (Zaal 1, Filmhuis Den Haag); Maandag 27 maart 2017 – 14:00 (Zaal 1, Filmhuis Den Haag); dinsdag 28 maart 2017 – 21:30 Nutshuis (Voorafgaand aan deze laatste voorstelling houden Jamel Qassas en Assaf Yacobovitz “ om 20.00 uur  “De Vrijheidslezing” in het Nutshuis. Kaartjes voor deze lezing (10,-) en combinatie tickets voor de lezing en de film (16,-) zijn te koop bij het Nutshuis.)

De moeder van een omgekomen jihadist strijdt voor een formele slachtofferstatus voor haar zoon

Filmmaker Jasna Krajinovic laat in “The empty room” een bijzonder portret van de Belgische Saliha Ben Ali zien, wier zoon België verliet om in Syrië de wapens op te pakken, waar hij kwam te overlijden. Nu zet zijn moeder zich in om te voorkomen dat meer jongens besluiten hetzelfde pad op gaan. Saliha Ben Ali’s zoon Sabri is bijna negentien jaar als hij op een dag naar Syrië vertrekt.

De plotselinge en ondraaglijke pijn over de dood van haar zoon maakt dat Saliha in actie komt. Onvermoeibaar zet ze zich in voor een waardig afscheid van de jongeren die in Syrië sterven en vertelt ze het verhaal van haar zoon om andere jongeren te waarschuwen. Samen met andere ouders van wie de kinderen zijn vertrokken naar de jihad in Syrië wisselt ze verhalen uit. Sommige jongeren zijn al gestorven, andere leven nog en hebben contact met hun familie. “Deze kinderen zijn op een kwetsbaar moment in hun leven gehersenspoeld en gekidnapt. Dat mogen we als ouders, maar ook als maatschappij niet laten gebeuren”, zegt Saliha. Ze spreekt in het Belgische parlement en met jongeren op scholen. En ze helpt met onderzoek naar de jihadistische netwerken die de jongeren ronselen.

“The Empty Room” is zeker een belangrijk statement in de openbare discussie rond de zogeheten Syrië-reizigers die door de politiek als groot maatschappelijk gevaar worden gezien en alle geheime diensten van Europa bezighouden.

“The Empty Room”; zondag 26 maart 2017 – 18:15 (Zaal 5, Filmhuis Den Haag); maandag 27 maart 2017 – 10:00 (Zaal 2, Filmhuis Den Haag); woensdag 29 maart 2017 – 17:00 (Zaal 1, Filmhuis Den Haag)

Deze website gebruikt cookies om uw ervaring te verbeteren. Door op de 'accepteer' knop of andere links in de site te klikken, geeft u aan hiermee akkoord te gaan.